Bijdrage Wassenberg Debat over het nieuwe gaswin­nings­be­sluit


14 september 2016

De heer Wassenberg (PvdD):
Voorzitter. De gaswinning trekt diepe sporen in Groningen en bij de Groningers, in hun huizen, in hun scholen en in hun levens. Dat moet stoppen, en dat kan door de gaswinning af te bouwen. Het is voor de toekomst van Groningen essentieel dat we afbouwplannen maken. Is de minister bereid om nog in deze kabinetsperiode een afbouwplan op te stellen voor de gaswinning in Groningen, met daarin concrete actiepunten zoals een plan voor gasvrije wijken? Graag een reactie van de minister.

Tot welk niveau is gaswinning nog verantwoord? Het SodM stelt dat bij een winning van 24 miljard kuub de risico's in Groningen gelijk blijven, terwijl bij een verlaging naar 21 miljard de risico's worden verkleind. Toch houdt de minister vast aan 24 miljard kuub, en dat voor maar liefst vijf jaar lang. Waarom zoveel? Volgens Gasunie Transport Services is 19 tot 21 miljard kuub voldoende voor gemiddelde winters. De Nederlandse gasvraag is bovendien een stuk lager te krijgen door isolatie of door de verwarming wat lager te zetten. Gaat de minister daar werk van maken? Gaat hij mensen via radio, tv en internet voorlichten? Graag een reactie. Een afname van maar 10% kan namelijk het verschil maken tussen bevingen en rust.

Bovendien schrijft de minister zelf, in zijn brief van 12 september, dat volgens GTS de gasproductie vanaf 2020, en dat is dus al over drie jaar, elk jaar met 2 miljard kuub omlaag kan. Waarom dan toch voor vijf jaar lang vasthouden aan die maximale 24 miljard kuub, ook al omdat de minister aan de NAM heeft gevraagd om het maatschappelijke risico te berekenen voor het gehele Groningenveld? We weten daar gewoon te weinig van. Er is dus veel onbekend en tegelijkertijd wordt er verwacht dat de winning over drie jaar elk jaar met 2 miljard omlaaggaat. Waarom neemt de minister dan een besluit voor vijf jaar? In de stukken lees ik dat 21 miljard kuub voor volgend jaar de bovengrens is voor een verantwoorde winning. Vanaf 2018 nemen we een nieuw besluit, als er meer gegevens beschikbaar zijn en er meer huizen geïsoleerd en omgebouwd zijn.

Wat mij in het winningsbesluit ook zorgen baart, is de carte blanche die Shell en Exxon krijgen om in een koudere winter meer gas te winnen dan die 24 miljard. Klopt het dat de minister en de Kamer pas driekwart jaar later, in oktober, worden geïnformeerd over hoeveel gas er precies is gewonnen in het jaar daarvoor? En klopt het dat de extra winning van gas in koudere winters niet is gekoppeld aan een extra vraag, maar alleen aan de temperatuur? Klopt het dus dat er theoretisch altijd extra mag worden gewonnen, ook voor doorverkoop, als het maar koud genoeg is, en dat er dus geen enkel risico is op een vlakke winning? Zo'n vlakke winning is het dringende advies van het SodM om de gaswinning minder gevaarlijk te maken. Extra gaswinning zou alleen mogelijk mogen zijn als er extra vraag is. En als er extra wordt gewonnen, moet de minister de Kamer en de provincie daar meteen van op de hoogte stellen. Graag een reactie van de minister.

De relatie tussen de NAM en de Groningers verhardt steeds meer. De schadeafhandeling wordt niet beter, maar slechter. De ene buurman krijgt de schade in zijn muur vergoed, tegen de andere buurman wordt over dezelfde scheur in dezelfde muur gezegd: die is niet onze schuld, zoek het zelf maar uit. Dat is ontoelaatbaar. Deelt de minister die mening? Zo ja, wat gaat hij eraan doen?

De gaswinning richt ook meer schade aan: de natuur en de biodiversiteit lopen door de gaswinning ook schade op. De Gedeputeerde Staten van Groningen zeggen dat het effect van bodemdaling door gaswinning op Natura 2000-gebieden onvoldoende in kaart is gebracht, met name voor het Zuidlaardermeer. Wel is duidelijk dat dit natuurgebied door de gaswinning verdroogt. Dat betekent dat de NAM een Natuurbeschermingswetvergunning zou moeten hebben, maar die heeft de NAM niet. De GS van Groningen hebben de minister nu geadviseerd om de NAM deze vergunning te laten aanvragen. Heeft de minister dat inderdaad gedaan? Zo nee, waarom heeft hij dat nagelaten? Is de minister bereid om extra onderzoek naar de effecten op de natuur voor te schrijven?

De Waddenzee, werelderfgoed, wordt opnieuw bedreigd door gaswinplannen: de NAM wil namelijk vanuit Friesland onder de Waddenzee gaan boren. De Partij voor de Dieren vindt dat er geen boringen onder dit kwetsbare natuurgebied mogen plaatsvinden. Graag ook hierop een reactie van de minister, zeker in het licht van die verminderde vraag over een paar jaar. Ik kom op mijn laatste onderwerpje. In het vorige debat zegde de minister toe het SodM te vragen naar de lekkage van het sterke broeikasgas methaan. Aardgas uit het Groningenveld bestaat voor 80 tot 81% uit dat methaan. Als methaan wordt verbrand, ontstaat er CO2 en water, maar niet al het methaan wordt verbrand. Een deel lekt bij transport of bij de winning. Wereldwijd is dat ongeveer 1 tot 3%. Zelfs als het maar over die procenten gaat, is er een groot probleem. Methaan is namelijk een zeer, zeer krachtig broeikasgas. Dat is namelijk 84 maal sterker dan CO2. Heeft de minister de cijfers al paraat? Zo nee, op welke termijn kan de Kamer die krijgen?

Interrupties bij andere partijen:

De heer Jan Vos (PvdA):
Voorzitter. (…)

De minister zegt nu: we gaan het voor vijf jaar vaststellen. Dan zeg ik: dat zal wel, maar, met alle respect, u kunt een motie van ons verwachten waarin wij stellen dat we hier over een jaar op basis van goede en gedegen informatie opnieuw de zaak bekijken. We hebben hier ieder jaar met voortschrijdend inzicht gezien dat we opnieuw die winning op een ander niveau konden vaststellen dan we het jaar daarvoor dachten. Er is voor mij geen reden om aan te nemen dat we nu in één keer voor vijf jaar een niveau kunnen vaststellen waaraan we ons gaan vasthouden.

De heer Wassenberg (PvdD):
De heer Vos zegt dat de gasproductie omlaag moet, maar ik begrijp dat de PvdA wel het besluit steunt om die nu voor vijf jaar vast te leggen. De heer Vos zegt: dan komt er een evaluatie. We hebben nu echter de situatie dat de minister in zijn brief van 12 september schrijft dat vanaf 2020 — en dat is dus al over drie jaar — de gasproductie jaarlijks met 2 miljard kuub omlaag gaat. Dan heb je het dus over 22 miljard en het jaar daarop 20 miljard. Dat is allemaal binnen die vijf jaar. Waarom houdt de PvdA dan ook vast aan die vijf jaar en waarom zegt de PvdA niet: we zouden nu gewoon naar een kortere periode moeten, bijvoorbeeld één jaar. Die evaluatie is prima, maar waarom niet een kortere periode?

De heer Jan Vos (PvdA):
Als het gaat om het instemmingsbesluit op het winningsplan, dan zeg ik "ja". Gaan we nu voor vijf jaar vastleggen dat de NAM 24 miljard mag winnen? Nee, volgend jaar spreken we elkaar weer. We zijn eerder afgeweken van dat winningsplan. Dat zullen we weer doen als we denken dat die winning omlaag kan.

(…)

De heer Jan Vos (PvdA):
Mijn spreektijd was min dertien seconden. Bij dezen wil ik die vraag ook graag doorgeleiden naar de minister. Dank aan mevrouw Klever. We hebben elkaar een dienst bewezen.

De heer Wassenberg (PvdD):
De heer Vos begreep mevrouw Dik-Faber niet toen zij zei: als ik naar SodM kijk, vind ik het enerzijds glashelder en anderzijds wat onduidelijk. Ik snap dat wel. Ik heb hier het rapport van SodM. Daarin staat: als we uitgaan van 24 miljard kuub per jaar, houden we hetzelfde veiligheidsniveau als in 2015. Als we teruggaan naar 21 miljard kuub, krijgen we minder bevingen. Dat is wat de Partij voor de Dieren wil: we willen niet op het niveau van 2015 blijven, we willen omlaag. Daarom willen wij niet vasthouden aan die vijf jaar. Wij adviseren om dat stapsgewijs in jaren te doen. Leg dat niet meteen voor vijf jaar vast. Waarom gaat de Partij van de Arbeid daar niet mee akkoord?

De heer Jan Vos (PvdA):
Ik ben het oneens met de Partij voor de Dieren over het feit dat we de gaswinning nu verder terug zouden kunnen brengen omdat SodM stelt dat, als je dat doet, de fluctuaties zullen toenemen. Dan krijg je een onveilige situatie. In het rapport staat heel duidelijk dat nu voor het eerst echt is aangetoond dat die fluctuaties meer bevingen veroorzaken. Dat moet je voorkomen. Daarom zitten we iedere keer vast aan een ondergrens, waardoor we heel langzaam omlaag gaan, in plaats van wat sneller.

De heer Wassenberg (PvdD):
Maar tegelijkertijd zegt SodM: pas bij 21 miljard kuub is er een veilige situatie, maar uiteindelijk zullen we nog lager moeten. Maar als je dat combineert met datgene waarover mevrouw Klever het net had, namelijk het feit dat een groot bedrijf, ENGIE, zegt minder gas nodig te hebben en met het feit dat een daling van 10% een veilig niveau oplevert, waarom wilt u dan toch vasthouden aan die vijf jaar? Dat is wat ik vraag.

De heer Jan Vos (PvdA):
Omdat diezelfde inspectie waar u nu over spreekt, ons adviseert om in 2021 aan de NAM te vragen een nieuw winningsplan in te dienen.

Beantwoording door de minister van Economische Zaken:

Minister Kamp:
Over de duur van het instemmingsbesluit hebben wij verschillende adviezen gehad. Als eerste noem ik de analyse van GTS waarin wordt gesteld dat voor de leveringszekerheid in een gemiddeld jaar, minimaal 24 miljard kubieke meter aardgas nodig is voor de periode tot 2020, dus voor de komende vier jaar. GTS gaat ervan uit dat de vraag naar aardgas vanaf 2021 met ongeveer 2 miljard per jaar zal afnemen van 24 miljard in 2020 tot wij in 2029 op 7 miljard kubieke meter zitten. Dat was dus het eerste uitgangspunt. In de periode van nu tot en met 2020 is volgens GTS 24 miljard kubieke meter nodig voor de leveringszekerheid.

Minister Kamp:
Dat doe ik graag. Over het niveau dat door GTS is geanalyseerd, hebben de woordvoerders gezegd: het was eerst veel meer en nu het veel minder is, is het de vraag waarom het niet nog minder zou worden. Toen ik aan het begin van deze kabinetsperiode met dit dossier begon, waren de veiligheid in het gebied en de leveringszekerheid niet de twee enige uitgangspunten waar wij op stuurden. Die waren toen in veel mindere mate aan de orde dan nu. Dat is veranderd sinds de aardbeving in Huizinge en het scherpe advies van het Staatstoezicht op de Mijnen dat wij destijds hebben gekregen. Daarvoor werd er gas gewonnen waarmee Nederland werd verwarmd, dat wij konden exporteren en waarmee wij geld konden verdienen. De afspraken die werden gemaakt, golden, met de nodige nuanceringen, voor tien jaar. Dat was een andere periode.

Vanaf het moment dat wij echt zijn gaan sturen op veiligheid en leveringszekerheid, is om te beginnen het niveau vastgesteld op 33 miljard kubieke meter per jaar; dat zou minimaal nodig zijn. Daar is in die tijd verder aan gerekend en uiteindelijk was de uitkomst 31 miljard kubieke meter. Daarna hebben wij een paar wijzigingen gezien. In de eerste plaats zijn wij overgegaan van het uitgangspunt van een koud jaar naar het uitgangspunt van een gemiddeld jaar. In de tweede plaats zijn de Wobbecijfers gewijzigd, de cijfers die het calorische gehalte van het aardgas uitdrukken, en zijn daar andere conclusies uitgetrokken. Bovendien zijn de analyses van de temperatuur, de temperatuurontwikkeling en de temperatuurprofielen veranderd. Al met al hebben de wijzigingen en de consequente druk om voor de leveringszekerheid echt het minimum op te zoeken, geleid tot een analyse van GTS waarin wordt gesteld dat in de helft van de jaren een niveau van 24 miljard kubieke meter voldoende is om de leveringszekerheid te waarborgen. Naarmate het kouder is, is er in een aantal jaren meer nodig, maar wij hebben heel precies en transparant vastgelegd dat er ook alleen maar naar de mate waarin het kouder is, meer mag worden gewonnen dan 24 en nooit meer dan 6 miljard kubieke meter extra. Dat is het eerste wat is gebeurd voor het niveau van 24 waarvan nu sprake is.

Ten tweede heeft het SodM gesteld dat er allerlei voorwaarden moeten worden verbonden aan de instemming die met het winningsplan kan worden gegeven. Dat zijn scherpe voorwaarden waaraan de NAM op dit moment niet kan voldoen en waar ze in de komende jaren aan zal moeten werken. Het SodM stelde bovendien dat het om meerdere redenen noodzakelijk is om in de periode waarin het winningsbesluit kan worden genomen, ook voor een wat langere periode duidelijkheid te geven. Het uiteindelijke advies van het SodM aan mij was om een nieuw winningsplan te vragen in maart 2021. Zelf heb ik bedacht dat ik dat een halfjaar kon vervroegen en heb ik daar 1 oktober 2020 van gemaakt. Zo kan ik een jaar nemen om het winningsplan te beoordelen, inclusief alle daarbij horende inspraak et cetera. Zo kunnen we in oktober 2021 een besluit nemen. Tot zover het SodM.

Toen kwam de Mijnraad. Alle adviezen van GTS, het SodM, de Tcbb overzien hebbend, vond deze het een groot risico dat procedures door elkaar zouden gaan lopen. Er moet een heleboel gebeuren om tot een besluit over een winningsplan te kunnen komen. De Mijnraad constateerde dat we van de ene in de andere procedure vielen, dat de ene nog niet is afgelopen voor de andere gaat lopen. Dit, in combinatie met de conclusie van het SodM dat de NAM meerdere jaren nodig heeft om aan de strikte voorwaarden te voldoen en de conclusie van GTS met betrekking tot het niveau van 24 miljard m3 gedurende een periode van vijf jaar, tot het jaar 2021, heeft de Mijnraad ertoe gebracht om inderdaad uit te gaan van een periode van vijf jaar waarvoor nu het winningsbesluit zou kunnen worden genomen. Dat waren de adviezen die ik heb gekregen en de conclusies die ik daaruit heb getrokken.

De Mijnraad vindt tevens dat er na een periode van twee jaar zal moeten worden geëvalueerd of er daadwerkelijk aan die periode van vijf jaar en het niveau van 24 miljard m3 kan worden vastgehouden. Ik denk dat het goed is om van jaar tot jaar de ontwikkelingen op een rij te zetten. Zijn er nieuwe ontwikkelingen in de techniek? Zijn er nieuwe ontwikkelingen in de berekening van de temperatuur? Zijn er andere ontwikkelingen, bijvoorbeeld met betrekking tot de veiligheid of veranderde omstandigheden, waardoor we tot andere inzichten zouden moeten komen wat betreft de duur van de periode en de omvang van de gaswinning? Ik denk dat het goed is om dit van jaar tot jaar op een rij te zetten. Ik denk ook dat het van belang is dat in de gewijzigde Mijnbouwwet, die de Tweede Kamer heeft aangenomen en die binnenkort in de Eerste Kamer aan de orde komt, naast alle andere bestaande mogelijkheden in het belang van de veiligheid of van het voorkomen van schade, voor de minister de mogelijkheid staat om in het geval van veranderende omstandigheden of gewijzigde inzichten een ander besluit te nemen over het volume van de gaswinning dan dat wat oorspronkelijk was genomen voor die periode van vijf jaar. Zo kan ik van jaar tot jaar bekijken wat de situatie is, wat de feiten zijn, hoe ik een en ander inschat en welke adviezen ik daarover heb gekregen. Ik zal zeker ook van jaar tot jaar hierover overleggen met degenen in het gebied die mij adviseren, om ervoor te zorgen dat wij zo het hele plaatje hebben. Zo kunnen wij in die periode van vijf jaar tussentijds en van jaar tot jaar bekijken of die gewijzigde omstandigheden en nieuwe inzichten zich voordoen, in het belang van de veiligheid of het voorkomen van schade.

De heer Wassenberg (PvdD):
De minister goochelt met getallen en hij creëert mist. Hij zei letterlijk dat we vanaf 2021 jaarlijks 2 miljard minder nodig hebben. Maar in zijn brief van 12 september schrijft hij "vanaf 2020", dus niet "vanaf 2021". Dat lijkt marginaal, maar dat is nogal wat. Het besluit ligt straks namelijk voor vijf jaar vast. En in zijn brief schrijft de minister dat we al na drie jaar 2 miljard kuub gas minder nodig hebben en dat we na twee jaar — het is dus vijf jaar in totaliteit — nog eens, in totaliteit, 4 miljard kuub minder nodig hebben. Nu zegt de minister dat we een en ander een jaar hebben opgeschoven, maar in die periode van vijf jaar is dat heel erg veel. Ik vraag mij dus af wat de minister bedoelt. Gaat de vermindering in vanaf 2020, zoals hij schrijft, of zal daarvan sprake zijn vanaf 2021, zoals hij zegt?

Minister Kamp:
Ik goochel nooit met getallen; ik probeer een zo goed mogelijk inzicht in de situatie te geven en ook duidelijk te maken welke conclusies ik daaruit heb getrokken. Ik probeer dus altijd de cijfers zo helder mogelijk aan de Kamer te presenteren.

Vanaf het jaar 2020 is er een daling voorzien in de gasvraag, tot aan het jaar 2029. Voorzien wordt een daling van 24 miljard naar 7 miljard. De winning zal met gemiddeld 2 miljard per jaar naar beneden gaan. Voor de jaren 2017, 2018, 2019 en 2020 zal het niveau dus 24 miljard kuub zijn. Na het jaar 2020 gaat die daling zich inzetten. Daarom heb ik gezegd dat ik in oktober 2020 een nieuw winningsplan wil hebben. Dan heb ik een jaar de tijd om dat te beoordelen. Vervolgens kunnen we weer voor een langere periode een besluit nemen. Mochten zich tussentijds wijzigingen voordoen, dan hoeven we echt niet tot het jaar 2020 te wachten. We kunnen dan al in 2019, in 2018 of in 2017 een beslissing daarover nemen.

De heer Wassenberg (PvdD):
Dan begrijp ik dus dat de brief van 12 september niet klopt. Daarin schrijft de minister "vanaf 2020", maar hij bedoelt "na 2020", dus "vanaf 2021". Als de minister al weet dat het gasniveau, de productie, omlaag kan, waarom wordt het besluit dan toch voor een periode van vijf jaar vastgelegd? Waarom wordt er dadelijk niet gekeken hoe de gasproductie misschien nog verder omlaag kan worden gebracht? We hebben het immers niet over vijf jaar, maar we hebben het naar het oordeel van de minister op z'n best over vier jaar.

Minister Kamp:
Die periode van vijf jaar is het resultaat van de adviezen die ik heb gekregen. Het betrof in de eerste plaats de analyse van SodM waarbij gezegd is dat een niveau van 24 miljard kuub noodzakelijk is en dat vanaf 2021 die daling zich voordoet. In het eerste jaar is dat een daling van 24 miljard naar 22 miljard. Ik heb net aangegeven waarom het Staatstoezicht op de Mijnen heeft gezegd dat per 1 maart 2021 een nieuw winningsplan moet worden gevraagd. Ik heb gezegd dat ik dat wat eerder ga doen, namelijk op 1 oktober van het jaar 2020. En ik heb aangegeven waarom de Mijnraad, alle adviezen overziend, ook heeft gezegd dat er een periode van vijf jaar moet worden gekozen vanwege het feit dat procedures door elkaar gaan lopen.

(…)

De heer Wassenberg (PvdD):
Ik heb gevraagd naar de geboden mogelijkheden tot extra gaswinning die nodig zou zijn in koude winters. Dat er in een koude winter meer vraag is en dat er dan meer vraag is van vooral de huishoudens, begrijp ik. Dat er meer geleverd wordt als er meer vraag is, begrijp ik ook. Volgens mijn gegevens wordt er echter niet gekeken naar de vraag, maar naar het aantal koude dagen. Dat is een bepaalde verwachting. Dat zou betekenen dat de extra winning in koudere winters niet gekoppeld is aan de concrete vraag, maar aan het aantal koude dagen. Die zaken staan natuurlijk los van elkaar.

Minister Kamp:
Die zaken staan natuurlijk niet los van elkaar. Bij heel veel koude dagen is er veel vraag naar aardgas. Zijn er veel dagen zoals vandaag — stel dat je die ook nog in oktober en november zou hebben — dan is er weinig vraag naar gas. Daar is natuurlijk een directe relatie tussen. We gaan uit van een gemiddeld koud jaar. Daarin hebben we aan 24 miljard kubieke meter genoeg. Ik kan u zeggen dat we aan 27 miljard kubieke meter in 90% van de gevallen genoeg hebben, maar we hebben gekozen voor 24 miljard kubieke meter, voor 50%. We hebben gezegd dat we voor ieder jaar op een transparante manier precies gaan bekijken hoe koud het is en hoeveel extra er nodig is. Hoe koud het is, wordt bepaald door de graaddagensystematiek. Dat is openbare informatie; die kan via de KNMI op een website worden gevolgd. Op grond daarvan zal de aardgaswinning aangepast mogen worden, maar het zal nooit meer mogen zijn dan 6 miljard kubieke meter.

De heer Wassenberg (PvdD):
Realiseert de minister zich dat je dan natuurlijk wel de controle loslaat? Je baseert je dan immers niet op de vraag, maar op een verwachting. Er is natuurlijk wel een relatie tussen die twee, maar de concrete vraag wat er nodig is voor de huishoudens zou natuurlijk leidend moeten zijn. Nu blijft immers de mogelijkheid bestaan dat er, als er een aantal koude dagen zijn, meer gewonnen wordt dan noodzakelijk en dat het gas dan later wordt doorverkocht. Als je je niet baseert op de vraag maar op een verwachting, win je misschien te veel. Zeker omdat het om de extra miljarden kubieke meters gas gaat die het verschil kunnen maken tussen het wel of niet plaatsvinden van een aardbeving, is dat natuurlijk iets waarop moet worden gelet.

Minister Kamp:
Met respect voor de heer Wassenberg rijst bij mij nu toch het vermoeden dat hij spijkers op laag water zoekt. Ik heb gezegd dat er wat extra mag worden gewonnen naarmate het kouder is dan een gemiddeld jaar, dus alleen naarmate het kouder is. Hoe kun je dat het beste vaststellen? Door heel precies te bekijken hoe het zit met die koude dagen. Dat kun je per dag bekijken. Dat zijn de zogenaamde graaddagen; dat is openbare informatie die iedereen kan volgen. Ik denk dus dat we het op de meest logische en op de transparantste manier doen. De door de heer Wassenberg beschreven problemen zie ik niet.

Minister Kamp:
De heer Wassenberg heeft mij gevraagd een afbouwplan voor de gaswinning te maken. Dat zal ik niet doen. Het is mijn opgave om van fossiel naar duurzaam over te gaan. Die overgang moet zo snel mogelijk worden gemaakt. In de tussenperiode is er nog een bepaalde hoeveelheid gas nodig; dat kan laagcalorisch maar ook hoogcalorisch gas zijn. Laagcalorisch gas heeft te maken met de Groningenproblematiek. Wij werken nu aan een beleid om ervoor te zorgen dat wij de winning van Groningengas beperken tot wat nodig is voor de leveringszekerheid en wat in de eerste plaats uit oogpunt van veiligheid verantwoord is. Die lijn wil ik graag doorzetten. De hoofdlijn is dus de overgang van fossiel naar duurzaam.

(…)

Mevrouw Van Tongeren (GroenLinks):
De arbiters gaan alleen over schade. Daar hebben we al eerder commentaar op gehad: ze gaan niet uit van mijnbouwschade. Zij beroepen zich ook niet op de president van de Hoge Raad. Het grote voordeel van rechtspraak is dat er dan precedenten ontstaan. Die ontstaan niet door arbiters die overigens nergens in ons juridisch systeem zitten. Het zijn keurige mediators/bemiddelaars. De NAM heeft uit eigen vrije wil gezegd: wij gaan daarmee akkoord. Maar mensen die grote settlements hebben gekregen — de familie De Joode noem ik als voorbeeld — hebben eerst gedreigd naar de rechter te gaan. Nogmaals, ik begrijp niet waarom de minister op zoiets kleins niet mee wil gaan. Het helpt veel Groningers en er is een grote vraag vanuit Groningen. Als we het vertrouwen daar willen herstellen — de rechter wordt nog steeds vertrouwd — zet die deur dan op een kier voor de Groningers.

Minister Kamp:
Tot mijn spijt moet ik opnieuw zeggen dat het onjuist is wat mevrouw Van Tongeren zegt. Zij zegt dat de arbiters mediators zijn, maar dat zijn het niet. Het zijn arbiters. Als er een geschil aan hen wordt voorgelegd, doen zij uitspraak. De NAM is gehouden, die uitspraak uit te voeren. Bij een mediator is dat niet aan de orde, maar wel bij een arbiter. Wij hebben niet gezegd dat degene die de arbiter heeft ingeschakeld, de schademelder, daar ook aan gehouden is. Nee, die heeft de vrijheid om, als hij er nog niet mee akkoord wenst te gaan, naar de rechter te stappen. Daar geldt dan ook nog eens omkering van de bewijslast. We hebben dat echt op een keurige manier geregeld.

De heer Wassenberg (PvdD):
Ik moet mevrouw Van Tongeren hier toch bijvallen. De minister zegt dat dit op een keurige manier is geregeld. Dat is ook zo, maar per geval. Arbiters hebben een groot nadeel: hun uitspraken zijn geen jurisprudentie. Ze zijn bindend voor de NAM, maar ze hebben alleen betrekking op dat ene geval. Als je rechterlijke uitspraken hebt, schep je jurisprudentie, wat op meerdere gevallen van invloed kan zijn. Dat is het grote verschil tussen een arbiter en de rechter.

Minister Kamp:
Laten we alsjeblieft oppassen met alles af te breken wat we eerst hebben opgebouwd. Vanaf het begin hebben we gezegd: de NAM is aansprakelijk voor de schade en de NAM moet die schade vergoeden. Daar is de NAM mee bezig gegaan. Vervolgens is gezegd dat de NAM op afstand moet. Daarvoor is het Centrum Veilig Wonen opgericht, waar zoals gezegd 288 mensen werken. Toen werd gezegd dat de Nationaal Coördinator dat moest doen. Vervolgens hebben we gezegd dat de arbiters een goede aanvulling zouden zijn. We hebben met elkaar de conclusie getrokken dat we dat zo zouden gaan doen. En nu zegt mijnheer Wassenberg hier dat die arbiters ook niet goed genoeg zijn en dat het toch weer op de rechter aan moet komen. Ik vind dat we het keurig hebben geregeld, met verschillende taxateurs, als dat nodig is, een arbiter die een uitspraak doet die bindend is voor de NAM en daarna nog een mogelijkheid om naar de rechter te gaan, waarbij dan sprake is van omkering van de bewijslast. We gaan dat nog verder uitbreiden. Onderdelen daarvan ter discussie stellen, draagt absoluut niet bij aan het eindresultaat. We moeten onze energie erop richten — ik zal mijn energie daar ook op richten — om in een zo vroeg mogelijk stadium zo snel en zo goed mogelijk de schademeldingen van de mensen recht te doen en voor vergoeding van de schade te zorgen. Het vervolg van de procedure is daar helemaal op gericht.

De heer Wassenberg (PvdD):
De minister begrijpt mij niet of hij wil mij niet begrijpen. Ik zeg namelijk niet dat de arbiters geen goed werk doen en ik zeg niet dat ze niet oké zijn. Ze zijn goed voor dat ene geval. Maar er wonen honderdduizend mensen in het aardbevingsgebied die last kunnen hebben of al last hebben gehad en zoveel arbiters kunnen er niet worden ingeschakeld. Op het moment dat je een uitspraak wilt hebben die breder is dan alleen dat ene geval, heb je een rechterlijke uitspraak nodig. Hoewel arbiters ex-rechters zijn, hebben hun uitspraken niet het statuur van een rechterlijk vonnis. Dat is de reden waarom ik zeg dat de rechter wat makkelijker zou moeten kunnen worden ingeschakeld en dat die drempel verlaagd moet worden. Dat zeg ik niet omdat die arbiters slecht werk doen, maar omdat die arbiters er heel specifiek voor één geval zijn.

Minister Kamp:
Maar het werkt natuurlijk al wel in zekere zin normerend. Als de arbiters uitspraken doen, houdt iedereen daar rekening mee. Daar worden lessen uit getrokken. We moeten niet de nadruk leggen op dat laatste stukje, op dat naar de rechter gaan. We moeten juist voorkomen dat het zover komt, want het moet zo snel en zo goed mogelijk afgehandeld worden. Als men het, ondanks wat ik allemaal gezegd heb met een goede taxateur voor de eerste keer en een tweede taxateur, niet eens kan worden, dan kun je dat via de rechter laten lopen, maar het is veel beter om in dat geval snel een praktische uitspraak te doen, op niveau. Daar hebben we die arbiters voor aangesteld en die zijn nu aan het werk en die doen goed werk. Ze hebben al een tiental uitspraken gedaan. Ze pakken de lopende zaken op, maar kijken ook naar oude zaken en bekijken of ze die mee kunnen nemen in hun werk. Ik denk dat we daar goed aan gedaan hebben. Voor zover er nog duidelijkheid nodig is van de kant van de rechter, kan de rechter die geven. Daarbij staat degene die met de schade is gekomen, sterk vanwege de omkering van de bewijslast, waar al eerder toe besloten is. Ik denk dat we het zo prima geregeld hebben. Ik ga echt niet iets doen om dat nog verder te verfijnen, want ik denk niet dat dat het doel dient.

(…)

Minister Kamp:
De heer Wassenberg heeft gesproken over de Natura 2000-gebieden. Vorig jaar is er een ecologische analyse uitgevoerd naar de effecten van bodemdaling door de gaswinning uit het Groningenveld op de Natura 2000-gebieden in het noorden van Nederland. Het gaat om de gebieden in Groningen, het noorden van Drenthe, de Waddenzee en de Eems-Dollard. Daaruit is gekomen dat er geen negatieve effecten optreden op de instandhoudingsdoelen van deze gebieden. Ik heb geen aanwijzingen dat dit met het nieuwe winningsplan, dat alleen tot nog minder gaswinning leidt, anders zal zijn. Bovendien gaat het om een vlakke winning. Daarom is er naar mijn overtuiging op dit punt geen nader onderzoek nodig.

De heer Wassenberg heeft zijn vraag over de lekkage van methaan herhaald. Ik heb toegezegd dat we die in beeld zullen brengen. Hij noemde Amerika, waar sprake is van 1% tot 3% verlies van methaan, en zei dat dit heel belastend is voor het milieu. Dat is terecht. Ik heb de informatie nog niet. Dat komt omdat die van het SodM moet komen, maar dat is zwaar belast met allerlei dingen op dit moment. Het SodM is bezig om de organisatie te versterken en uit te breiden, het is bij Groningen betrokken, het is betrokken bij allerlei andere gas- en oliewinningen en het is nauw betrokken bij wat er in Twente gebeurt, waarover we morgen met de Kamer spreken. Het SodM heeft dit daarom nog niet voor elkaar kunnen krijgen. Ik wil voor het eind van het jaar die informatie bij de Kamer hebben.

De heer Wassenberg heeft gevraagd wat ik vind van de winning van het gas onder de Waddenzee. Daar vind ik op dit moment, aanvullend op wat ik onlangs met de Kamer heb besproken, niks van. We hebben er uitgebreid over gesproken, er zijn moties aangenomen en ik heb toezeggingen gedaan. Ik denk dat alle dingen die er met betrekking tot gaswinning op en rond de Waddenzee te bespreken zijn, toen besproken zijn. Ik heb nu geen nieuwe invalshoeken wat dat betreft.

De heer Wassenberg (PvdD):
De minister zegt dat er twee jaar geleden al onderzoek is gedaan naar de effecten van de gaswinning op Natura 2000-gebieden en dat nieuw onderzoek niet nodig is. De Gedeputeerde Staten van Groningen hebben ons echter een brief gestuurd waarin ze zeggen dat de effecten van de gaswinning toch onvoldoende in beeld zijn gebracht. Ze hebben het dan met name over het Zuidlaardermeer, dat verdroogt. De Gedeputeerde Staten van Groningen zeggen: de NAM heeft volgens ons een vergunning op grond van de Natuurbeschermingswet nodig, maar die heeft ze niet. Kan de minister daar ook op reageren?

Minister Kamp:
Ik zei niet "twee jaar geleden", maar ik zei dat het onderzoek in 2015 was gedaan. Uit dat onderzoek is gekomen wat ik zojuist heb verwoord. Als er bijzonderheden onder onze aandacht worden gebracht, zullen we daar altijd naar kijken. Als het nodig is, zal ik, al dan niet samen met de Nationale Coördinator, daarover ook overleg voeren. Bijzondere dingen kunnen dus altijd besproken worden.

De heer Wassenberg (PvdD):
De Gedeputeerde Staten van Groningen weten dus niet waar ze het over hebben?

Minister Kamp:
Ik begrijp niet waarom de heer Wassenberg die conclusie trekt uit wat ik heb gezegd. Ik heb gezegd dat wij een onderzoek hebben gedaan, dat daar uitkomsten uit gekomen zijn en dat wij, als er bijzonderheden naar voren worden gebracht, altijd bereid zijn om daarnaar te kijken en daarover te spreken. Waaraan de heer Wassenberg dus zijn conclusie verbindt, mag Joost weten.

Tweede Termijn:

De heer Wassenberg (PvdD):
Voorzitter. Ik heb vier korte moties.

Motie Wassenberg: stel een plan op om winning van gas in Nederland te stoppen

Motie Wassenberg: geen instemming met gaswinningbesluit, max 21 miljard m3 voor 1 jaar

Motie Wassenberg: informeer Kamer en Provincie over extra gaswinning in koudere winter

Motie Wassenberg: breng effecten gaswinning op natuur in kaart

De voorzitter:
De motie-Wassenberg/Dik-Faber. De heer Wassenberg verontschuldigt zich overigens vanwege een algemeen overleg elders.

Minister Kamp:
In de motie op stuk nr. 289 wordt de regering gevraagd om, in samenhang met de uitvoering van het klimaatvonnis, een afbouwplan voor de winning van gas in Nederland op te stellen, waarin een tijdspad is opgenomen om de gaswinning te beëindigen. In het Energierapport heeft het kabinet aangegeven dat de inzet op een CO2-arme energievoorziening is gericht en dat het beleid wil dat het gebruik van aardgas zo veel mogelijk wordt beperkt. Dat geldt in het bijzonder voor ruimteverwarming. Na het Energierapport hebben we de Energiedialoog gevoerd. Nu zijn we bezig met de Energieagenda. Ik ben dus op een zeer gestructureerde manier bezig met de overgang van fossiele energie naar duurzame energie. Daarnaast ben ik bezig om, vanuit het oogpunt van veiligheid en leveringszekerheid, ook de winning van gas in Groningen drastisch te beperken. Aan een aanvulling daarop, met een apart afbouwplan, heb ik geen behoefte. Daarom ontraad ik deze motie.

In de motie op stuk nr. 290 van de heer Wassenberg wordt de regering gevraagd om een besluit te nemen voor maximaal 21 miljard m3 en voor maximaal 1 jaar. Ik heb beargumenteerd waarom ik dat niet wil. Ik ontraad deze motie dan ook.

De motie op stuk nr. 291 van de heer Wassenberg verzoekt de regering om de extra winning tijdens koude dagen te verbinden aan onmiddellijke informatieplicht. Binnen een maand nadat het gasjaar is afgelopen, wordt al aangegeven welke conclusies ten aanzien van de hoogte van de gaswinning op grond van het aantal graaddagen getrokken moeten worden. Ik heb ook aangegeven dat die informatie over de graaddagen openbaar is. Dat is zeer transparant en voor iedereen te volgen. Het verzoek van de heer Wassenberg heeft dus geen meerwaarde. Ik ontraad deze motie.

De motie op stuk nr. 292 van de heer Wassenberg stelt dat de regering ervoor moet zorgen dat de benodigde natuurbeschermingsvergunningen worden verstrekt. Natuurlijk moet de NAM over de benodigde vergunningen beschikken als dat volgens de Wet natuurbescherming nodig is. Dat geldt ook voor het nieuwe winningsplan. Daar is een extra uitspraak niet voor nodig. Ik ontraad deze motie.

In de motie op stuk nr. 293 van de heer Smaling en de heer Wassenberg wordt gesteld dat er onduidelijkheid is over ENGIE. Het contract tussen ENGIE en GasTerra is niet relevant. Het gaat om de fysieke vraag. Hoe dat met contracten wordt ingevuld door partijen, hoe ze hun behoeften al dan niet goed ingeschat hebben en hoe ze aankijken tegen de prijs waarmee ze destijds akkoord zijn gegaan, is voor mij niet relevant. Het gaat mij om de fysieke vraag. Om die reden ontraad ik de motie van de heer Smaling en de heer Wassenberg.