Bijdrage Van Raan aan debat over Klimaatwet


6 december 2018

Voorzitter,

Gisteren beleefde ik een erg surreëel moment tijdens het debat over de luchtvaart; terwijl sommigen spraken over hoe de groei in de luchtvaart gecontroleerd kon plaatsvinden, kwam rond half vier het bericht via de NOS dat Nederland de CO2-doelen niet haalt. ‘De onderzoekers stellen dat Nederland in 2020, over twee jaar, niet verder komt dan een CO2-reductie van 15 procent. De rechter vindt dat dit 25 procent moet zijn, omdat dit het minimum is om te voldoen aan zijn zorgplicht.’
Voorzitter, alsof er twee werkelijkheden op hetzelfde moment zouden kunnen bestaan. Alsof het niets met elkaar te maken heeft. Werkelijk, vervreemdend.

En dat zette me gisteravond aan het denken over welke toon ik nou vandaag, tijdens dit historische debat, moet aanslaan. En in familiekring hadden we het erover; is de juiste toon nou grote verontwaardiging of kwaadheid over de – in mijn ogen - halsstarrige houding van de economische groeiers? Die niet luisteren. Meedoen in het Poeha-parlement, zoals een journalist vanochtend schreef. Of is het de toon van de jonge klimaatstakers? Is het dat al snel verkeerd klinkende toontje van 'zie je wel, we hebben gelijk'? Is dat de enthousiaste toon van groene techno-optimisten, de bezorgde toon van wetenschappers, of zelfs de toon van rouw die zo nu en dan doorklinkt als we het verlies van de leefomgeving aanschouwen of de versnelling van de dooi van de ijskap van Groenland. De toon van rouw.
Welke toon is de juiste? Of moet het juist toonloos zijn? Voorzitter, vandaag probeer ik de toon te raken van wat nodig, gebaseerd op wat wetenschappers zeggen, vertaald naar de politiek.

Dat is – als het goed is - dezelfde toon die Samson en Klaver hanteerden, en ook dezelfde toon die Wiebes hanteerde, zoals NRC schreef in haar factcheck over het klimaatbeleid. De wetenschap geeft de voorzet, de doelen zijn politiek. Die toon zal ik proberen aan te houden. Op deze historische dag, de dag van de behandeling van de klimaatwet.

En dat we die behandelen is goed nieuws. Vlak voordat het historische Parijsakkoord werd getekend in 2015 en kort nadat Urgenda voor het eerst de Klimaatzaak won en er door de rechter stevige woorden werden gesproken over het klimaatbeleid van de Staat riep de motie Thieme/Klaver de regering op om te komen met een effectieve Klimaatwet. De urgentie daartoe was immers ook in 2015 al bekend. De motie haalde het niet en "drie maanden later kondigden GroenLinks en PvdA alsnog een gezamenlijke initiatiefwet aan.” Inmiddels doen vijf andere partijen mee. En dat is de wet die we vandaag bespreken.

Naar onze mening is de voorliggende wet niet voldoende om op koers te blijven voor het 1,5°C-scenario en eerder lijkt aan te sturen op een 2°C-scenario. Het verschil tussen beide kent zeer relevante gevolgen voor onze natuur en leefomgeving. Kort samengevat is ons bezwaar dat deze wet te lage doelen stelt en te weinig garanties biedt op het halen daarvan.
Bovendien merken we op dat er grote verschillen zijn ontstaan tussen het oorspronkelijke wetsvoorstel en het uiteindelijke resultaat. De zoektocht naar politiek draagvlak heeft op diverse plaatsen voor verzwakkingen van de wet gezorgd, naar onze mening.

Voorzitter, dit zijn bekende bezwaren die we eerder hebben verkondigd, maar we hebben ook gezegd dat de Partij voor de Dieren met aanvullingen en verbeteringen zouden komen die het 1,5°C-scenario wel mogelijk maakt. Gebaseerd op wat wetenschappers zeggen, vertaald naar de politiek en hopelijk op de juiste toon gebracht.
Vandaag brengen we die verbeteringen. En daarom loop ik de wet zo meteen artikelsgewijs met u door om, punt voor punt, aan te geven waar wij deze verbeteringen in gedachten hebben. We hebben 17 amendementen daartoe.

Maar voorzitter, wat eerst nodig is, is het erkennen van het goede; eerst de complimenten die zeker op haar plaats zijn:
- De symbolische waarde van een Klimaatwet heeft in zichzelf zeker zijn belangrijke functie. Immers een wet is niet niks, het is een van de belangrijkste instrumenten van verandering.
- Er lijkt bovendien een gezamenlijke taal te ontstaan, waarbij gelukkig geen spoor meer is te vinden van klimaatontkenning. Een gemeenschappelijke taal om problemen aan te pakken is onontbeerlijk.
- En meer inhoudelijk: Ook mooi is dat we in de beantwoording van het schriftelijke deel van dit debat konden lezen dat er afscheid genomen is van het “kosten-effectiviteitsmodel” als enige en heilige uitgangspunt.
Dat is allemaal winst, en dat is een compliment aan de zeven indieners waard..

Voorzitter, graag neem ik u nu mee door de wet om de 17 voorstellen van de Partij voor de Dieren per artikel toe te lichten.


HOOFDSTUK 1: ALGEMENE BEPALINGEN

H1. Artikel 1

In het oorspronkelijke wetsvoorstel stond in dit artikel een verwijzing naar een mooi instrument: het emissiebudget. Het emissiebudget is de maximale hoeveelheid CO2 die Nederland nog mag uitstoten om aan de 1,5-graaddoelstelling te voldoen. Effectief, gedetailleerd en wetenschappelijk gefundeerd. Dat emissiebudget is niet door de onderhandelingen gekomen en vinden we niet terug in het definitieve voorstel. De Partij voor de Dieren stelt voor om deze keuze terug te draaien.
De Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR) schreef daar over: “Een budgetbenadering dwingt tot het ontwikkelen van een temporele verdelingsstrategie: wat nu wordt verstookt is later niet meer beschikbaar. Een budgetbenadering benadrukt bovendien dat klimaatverandering op lange termijn niet afhankelijk is van emissies op een specifiek moment, maar van cumulatieve emissies over een langere periode. Dat betekent dat het zinvol is om maatregelen eerder in plaats van later te nemen, vooral als er sprake is van een lange doorlooptijd in de effectiviteit van de maatregelen.
Een budgetbenadering combineert aldus een scherpe ambitie voor de lange termijn met bestuurlijke flexibiliteit.”
Het instrument van een emissiebudget sluit aan bij de wetenschappelijke benadering van de effecten van broeikasgassen én geeft het meest gedetailleerde inzicht in het totale volume van broeikasgassen in de atmosfeer.

Deze keuze lijkt tegenstrijdig met het leveren van een maximale inspanning, zoals we in het Parijsakkoord beloofd hebben. De argumentatie die voor deze keuze werd genoteerd in de Nota van Wijziging kan de Partij voor de Dieren niet overtuigen. Ik citeer: "Aan de andere kant is het systeem van emissiebudgetten zodanig gedetailleerd, dat daarmee onvoldoende mogelijkheden voor de regering bestaan om het te voeren beleid zo kosteneffectief mogelijk en met breed draagvlak in de samenleving vorm te geven. Daarom wordt met deze nota van wijziging de systematiek aangepast." Bij het behalen van een zo groot mogelijke CO2-reductie, lijkt het ons juist erg behulpzaam om een dergelijk krachtig instrument in handen te hebben. De Partij voor de Dieren stelt voor om het emissiebudget op te nemen in een vijfjaarlijks klimaatplan.

In het klimaatplan is er vervolgens ook de ruimte om per sector een indicatief emissiebudget te formuleren, inclusief maatregelen die nodig zijn om binnen het beschikbare budget te blijven. Het is verstandig om te voorkomen dat verschillende sectoren, bijvoorbeeld de landbouw en de luchtvaart, een te groot deel van het Nederlandse budget te kunnen opsouperen. In de jaarlijkse klimaat- en energieverkenning en de klimaatnota kan er vervolgens gekeken worden of er sprake is van een overschrijding van het emissiebudget. Ook moet hierbij door de minister worden aangegeven welke maatregelen zijn of worden getroffen indien sprake is van een overschrijding, zodat een verdere overschrijding wordt voorkomen. Er is een budget. En daar moeten we het allemaal mee doen. Daarom dient de Partij voor de Dieren een amendement in ter herintroductie van een emissiebudget in de Klimaatwet.

NOG STEEDS IN H1. Artikel 1.

In dit artikel wordt ook melding gemaakt van het gebruik van biomassa als brandstof, onder de definitie van CO2-neutrale elektriciteitsproductie. Hier heeft de Partij voor de Dieren bezwaren bij. De Partij voor de Dieren wijst erop dat biomassa’s waarvan de productie concurreert met voedselgewassen of ten koste gaat van kwetsbare ecosystemen geen duurzame energie leveren. Het zelfde geldt voor biomassa’s die over de gehele productieketen een overmatige CO2-uitstoot leveren. Daarom zullen we straks in artikel 2 proberen de formulering van de doelstellingen aan te passen, met twee amendementen omtrent het aandeel hernieuwbare energie (2030: 45% en 2050: 100%).

H1. Artikel 2.

“Het Parijsakkoord roept landen op om elke vijf jaar de klimaatambities maximaal te verhogen." De voorliggende wet legt echter alleen een doel voor 2050 vast, zonder een mechanisme om eens in de 5 jaar te kijken of die ambitie verhoogd kan worden. Het is de facto mogelijk om tot 2050 niets te doen. In dit artikel zou de Partij voor de Dieren daarom, gebaseerd op de afspraken uit het Parijsakkoord, graag een krachtige verwijzing toevoegen naar waar het allemaal om gaat: de opwarming van de aarde te beperken tot ruim onder 2 graden Celsius, met een duidelijk zicht op 1,5 graden Celsius.
Zo specifiek lezen we dat nog niet terug in de wet en daarom stellen wij voor dat als doelbepaling toe te voegen, inclusief een mechanisme om de ambitie maximaal te verhogen. Het benadrukt nog meer dat de broeikas-reductiedoelen in de wet geen opzichzelfstaande doelen blijven. Elke vijf jaar moet dan worden beoordeeld of de gestelde broeikasgas-reductiedoelen genoeg zijn om dit te halen.
En telkens moeten de doelen maximaal worden bijgesteld. Deze verplichting staat letterlijk in artikel 4 van het Parijsakkoord en amenderen we daarom in de Klimaatwet.

H1. Artikel 2. Lid 1.

Het reductiedoel van broeikasgassen voor 2050 zoals dat in het wetsvoorstel staat genoteerd is 95%. Wat de Partij voor de Dieren betreft is dat niet het maximaal haalbare. En niet wat nodig is voor het 1,5°C-scenario. We vragen minimaal om een ophoging van deze doelstelling naar 100% in 2050. Het is echter zaak dat die CO2-reductie zo snel mogelijk wordt gerealiseerd. Een meer ambitieus, maar eveneens haalbaar doel is 100% CO2-reductie in 2040. Nederland neemt daarmee daadwerkelijk haar verantwoordelijkheid op zich om zich maximaal in te spannen om de temperatuurstijging tot maximaal anderhalve graad te beperken. Daarom het amendement 100% reductie broeikasgassen in 2040. [En daarom als vangnet: het amendement van 100% reductie broeikasgassen in 2050].

H1. Artikel 2. Lid 2.

Op weg naar die volledige CO2-neutraliteit, is het belangrijk om harde en ambitieuze tussendoelen te formuleren. In het oorspronkelijke wetsvoorstel stond de ambitie genoteerd van 55% in 2030. In het voorliggende wetsvoorstel is dit afgezwakt naar een “streven” van 49%. Dat is een stap terug, die de wet op een 2-gradenkoers zet, in plaats van 1,5°C. Terug naar 55% in 2030 is daarom het minste dat er moet gebeuren. De Partij voor de Dieren stelt echter voor om dat doel op 65% CO₂-reductie in 2030 ten opzichte van 1990.
Dit is een tussendoel naar 100% CO₂-reductie in 2040 en dient om de temperatuurstijging tot maximaal anderhalve graad te beperken. In dit scenario wordt op korte termijn (tot 2030) verhoudingsgewijs meer CO₂ gereduceerd dan op langere termijn (tot 2040). Mocht het opschroeven van deze ambities worden verworpen, dan pleit de Partij voor de Dieren er voor om te komen tot een ambitieus tussendoel voor het jaar 2040 zodat extra houvast wordt geboden richting volledige CO2-neutraliteit. Een lineaire lijn van 55% in 2030 naar 100% in 2050 gaat langs 77,5%.
Er is geen enkele reden om daar onder te zitten. Juist op de korte termijn moet er veel gebeuren: De Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR) stelt dat “klimaatverandering op lange termijn niet afhankelijk is van emissies op een specifiek moment, maar van cumulatieve emissies over een langere periode”. Kortom, het is belangrijk om juist op korte termijn veel maatregelen te nemen, in plaats van deze uit te stellen en af te schuiven op volgende generaties.
In de Klimaatzaak van Urgenda stelde het Hof dat “naarmate er later wordt ingezet op CO₂-reductie het carbonbudget sneller afneemt en dan moeten op dat latere tijdstip aanzienlijk verdergaande maatregelen worden genomen om het gewenste niveau te bereiken”. Wachten met reductie is dus allerminst kosteffectief.
Tegelijk nemen de klimaatrisico’s daardoor onnodig toe (e.g. overstromingen, stijging van het aantal infectieziekten, verlies van biodiversiteit, verstoring van de drinkwatervoorziening en financiële instabiliteit) met hogere kosten tot gevolg. De Verenigde Naties waarschuwt dat het na 2030 zelfs niet meer mogelijk is om de opwarming van de aarde nog onder de twee graden te houden. Zij spreken van de noodzaak van “ongekende en urgente actie”.
Ook vindt de Partij voor de Dieren het belangrijk om invulling te geven aan het rechtvaardigheidsprincipe zoals internationaal is overeengekomen (artikel 4 van het Parijs-akkoord), namelijk dat rijke, geïndustrialiseerde het voortouw zullen nemen in het zo snel mogelijk realiseren van zo veel mogelijk CO₂-reductie. Daarom het amendement 65% reductie broeikasgassen in 2030. [en daarom als vangnet: de amendementen 55% reductie broeikasgassen in 2030 en 77,5% reductie broeikasgassen in 2040].

NOG STEEDS H1. Artikel 2. Lid 2.

Een andere stap die volgens de Partij voor de Dieren gezet moet worden is het schrappen van het vrijblijvende karakter van het tussendoel voor 2030. Ten opzichte van het oorspronkelijke wetsvoorstel werd opeens het woordje “streven” toegevoegd aan het doel voor 2030. In de Nota van Wijziging lezen we hierover dat: “… De doelen in artikel 2 van het voorstel worden leidend. Dit zijn puntdoelen. Dat betekent dat zij zijn gericht op het behalen van een bepaalde emissie op een bepaald punt in de tijd (2030 en 2050). De weg daarnaartoe wordt niet voorgeschreven." En dat de formulering van de doelen …: “… helderheid moeten bieden over het karakter van de doelen als politieke doelstelling. Het gaat hier nadrukkelijk niet om extern afdwingbare normen.”
Voorzitter, dat roept de nodige vragen op:
- Kan dat wel, externe afdwingbaarheid nadrukkelijk uitsluiten?
- Is de Klimaatwet dan eigenlijk wel een wet als er in de Nota van Wijziging wordt opgeschreven dat het gaat om niet extern afdwingbare normen?
- Is dit uit angst voor een nieuwe Urgenda-zaak?
- En wat zou er precies gebeuren als er toch naar de rechter wordt gestapt met deze wet in handen?

Op de korte termijn is de regering, krachtens deze wet, aan vrijwel niets gebonden, omdat van vrijwel iedere inspanning gesteld kan worden dat die “in de richting” van het uiteindelijke doel van 2050 is. Kortom, er lijkt volop ruimte voor uitstel te blijven.

In de Klimaatzaak van Urgenda waarschuwde het Hof dat de Staat haar zorgplicht schendt door onvoldoende te proberen een gevaarlijke klimaatverandering te voorkomen. Volgens het Hof is de dreiging van een gevaarlijke klimaatverandering een “reële dreiging, waardoor er een ernstig risico bestaat dat de huidige generatie ingezetenen zal worden geconfronteerd met verlies van leven en/of verstoring van het gezinsleven.” De Partij voor de Dieren is van mening dat, gezien de reële bedreiging van klimaatverandering en de lakende houding van de Staat, een vrijblijvend “streven” niet gepast is. Daarom dient de Partij voor de Dieren een amendement in dat het vrijblijvende karakter van het 2030-tussendoel schrapt.

NOG STEEDS H1. Artikel 2. Lid 2.

In het voorliggende wetsvoorstel wordt hier gesproken over een volledig CO2-neutrale elektriciteitsproductie in 2050. In het oorspronkelijke wetsvoorstel was er echter nog een doelstelling opgenomen om te komen tot 100% duurzame energie. De Partij voor de Dieren geeft de voorkeur aan doelstellingen op het gebied van percentages hernieuwbare energie. De term “CO2-neutraal” biedt namelijk nog ruimte aan het gebruik van fossiele brandstoffen, die bijvoorbeeld via ondergrondse opslag, gecompenseerd zouden kunnen worden. De overstap naar duurzame energiebronnen, zoals wind en zon, dient zo snel mogelijk te worden gerealiseerd.
Het stellen van duidelijke en hoge ambities op het gebied van duurzame energie is naar mening van de Partij voor de Dieren noodzakelijk om te zorgen dat Nederland versneld de omslag naar een koolstofarme economie gaat maken. Dit geeft overheden, burgers en bedrijven houvast als investeerders en mede-ontwikkelaars van beleid voor duurzame energie. Vandaar 2 amendementen: de Partij voor de Dieren stelt voor om de lat te leggen op 45% aandeel hernieuwbare energie in 2030 en 100% in 2050.

NOG STEEDS H1. Artikel 2. Lid 2.

De Partij voor de Dieren zal op dit punt bovendien nog een amendement indienen dat als doel heeft om per 2030 het energieverbruik met 40% is verminderd ten opzichte van 1990. Dit nevendoel dient om de wereldwijde temperatuurstijging tot maximaal anderhalve graad te beperken. Energie die je niet gebruikt, hoef je ook niet op te wekken. Energiebesparing is daarom een effectieve maatregel om CO₂-uitstoot blijvend omlaag te brengen.
Energiebesparing vormt de basis van de energietransitie. Immers, zonder drastische energiebesparing is de kans groot dat Nederland afhankelijk blijft van vuile energie; het energiegebruik is simpelweg te hoog om alleen via duurzame bronnen in te voorzien. Nederland is nog sterk afhankelijk van fossiele brandstoffen; slechts een fractie van de energie wordt duurzaam opgewekt. Wachten met de transitie is niet alleen schadelijk voor het klimaat, maar ook een bedreiging voor de Nederlandse financiële stabiliteit. Het stellen van duidelijke en hoge ambities op het gebied van duurzame energie en energiebesparing zijn naar mening van de Partij voor de Dieren noodzakelijk om te zorgen dat Nederland versneld de omslag naar een koolstofarme economie gaat maken. Dit geeft overheden, burgers en bedrijven houvast als investeerders en medeontwikkelaars van beleid voor duurzame energie en energiebesparing. Daarom het amendement voor 40% minder energieverbruik in 2030.


HOOFDSTUK 2: KLIMAATPLAN

H2. Artikel 3

Voorzitter, in het voorliggende wetsvoorstel wordt beschreven hoe een Klimaatplan een overzicht moet bieden van de maatregelen die worden genomen, inclusief “een beschouwing van de gevolgen daarvan op de financiële posities van huishoudens, bedrijven, overheden, de werkgelegenheid inclusief scholing en opleiding van werknemers, de ontwikkeling van de economie en het tot stand komen van een eerlijke transitie.” De Partij voor de Dieren is van mening dat in het Klimaatplan ook verantwoording zou moeten worden afgelegd over de niét genomen klimaatmaatregelen die wel voorhanden zijn. Oftewel: de kosten van niets doen. De Partij voor de Dieren stelt daarom voor om een lid toe te voegen aan dit artikel en om in het Klimaatplan aan de hand van het brede welvaartsbegrip uiteen te zetten wat de gevolgen zijn van het niét nemen van maatregelen. Zowel voor het 'hier en nu’, als 'later' voor toekomstige generaties: 'hier en elders'. Daarom het amendement voor het verwerken van het begrip “brede welvaart” in het Klimaatplan.

H2. Artikel 4

In het oorspronkelijke wetsvoorstel werd er een belangrijke rol toegedicht aan een nog op te richten onafhankelijke klimaatcommissie om toe te zien op de voortgang van het klimaatbeleid. In het huidige wetsvoorstel wordt daar vanaf gestapt en worden de nodige taken bij de Raad van State zelf neergelegd. Een regie- en coördinatiefunctie door een externe autoriteit is noodzakelijk op de doelstellingen van de wet te behalen, over diverse kabinetten heen.
De oprichting van een dergelijke onafhankelijke klimaatcommissie is, zoals bij de toelichting op het oorspronkelijke wetsvoorstel ook werd genoteerd, conform de adviezen van de WRR en van de Raad van State om een aanvullend beoordelingsmechanisme in het wetsvoorstel op te nemen. De Raad van State schreef hierover: “de klimaatwetgeving in verschillende andere landen, waaronder het Verenigd Koninkrijk en Finland, voorziet in een aanvullend beoordelings-mechanisme. In het geval van het Verenigd Koninkrijk en Finland geschiedt dat middels een specifieke daartoe ingestelde instantie (respectievelijk de Britse Committee on Climate Change en het Finse Klimaatpanel). Verschillende instellingen, waaronder de Raad voor de leefomgeving en infrastructuur (Rli) in zijn consultatiereactie, hebben ook voorstellen gedaan voor de vormgeving van zo’n mechanisme in een Nederlandse klimaatwet.”

De reden om hier alsnog van af te wijken en niet over te gaan tot de oprichting van een onafhankelijke klimaatcommissie is, zo lezen we in de Nota van Wijziging, dat: “De voor deze commissie beoogde taak was de minister te adviseren over de uitvoering van de Klimaatwet en de daarin opgenomen doelen. In deze nota van wijziging wordt deze functie in aangepaste vorm neergelegd bij de Afdeling [van de Raad van State]. Hiermee wordt aansluiting gezocht bij bestaande structuren. De Afdeling heeft als gezaghebbend adviserende instantie bij uitstek ervaring met het adviseren over grote maatschappelijke vraagstukken. Het aanzien van de Raad van State als instituut maakt bovendien dat de dat adviezen zeer zwaar wegen in de beleidsvorming van de regering.”
De Partij voor de Dieren staat in principe niet negatief tegenover een belangrijke rol voor de Raad van State, maar constateert ook dat die Raad van State en de WRR zelf op een onafhankelijke klimaatcommissie hebben aangestuurd. De Partij voor de Dieren stelt daarom, via een amendement, voor om de oprichting van een onafhankelijke klimaatcommissie te herintroduceren in deze wet.

HOOFDSTUK 3: VERANTWOORDING

H3. Artikel 6

In dit artikel wordt uiteen gezet hoe in de Klimaat- en Energieverkenning een overzicht wordt gegeven van de emissies van broeikasgassen (lid 3a), de emissie van broeikasgassen per sector (lid 3b) en de ontwikkelingen en maatregelen die invloed hebben gehad op de emissies van broeikasgassen (lid 3c). De Partij voor de Dieren stelt voor om hier een lid aan toe te voegen, met het specifieke verzoek om ook een overzicht te geven van de zogenaamde ‘emissiekloof’.

Het Milieubureau van de Verenigde Naties vergelijkt jaarlijks de effecten van het klimaatbeleid met de doelstellingen van het VN-klimaatakkoord. Dit maakt inzichtelijk in hoeverre de huidige inspanningen (zowel wereldwijd als van de EU) tekort schieten voor het behalen van het Parijs-akkoord. Dit heet ‘the Emmission Gap’; letterlijk vertaald ‘de emmiessekloof’. De Partij voor de Dieren stelt daarom, via een amendement, voor om deze uitkomsten door te vertalen naar de Nederlandse inspanningen. Daaruit kan dan worden afgeleid of huidige inspanningen moeten worden versneld of vergroot.

H3. Artikel 7

In het wetsvoorstel wordt een voorgesteld om jaarlijks een Klimaatnota op te stellen, met daarin o.a. het totaalbeeld van de realisatie van het klimaatbeleid zoals dit is opgenomen in het Klimaatplan. Voorzitter, ik sprak bij Artikel 3 al mijn wens uit om het brede welvaartsbegrip in het Klimaatplan te introduceren. Dit instrument kan worden gebruikt om verantwoording af te leggen over wat de gevolgen zijn van het huidige Nederlandse klimaatbeleid 'hier en nu, later en elders'.

De Partij voor de Dieren stelt daarom, via een amendement, voor om het begrip “brede welvaart” ook toe te voegen aan de Klimaatnota.

HOOFDSTUK 4: PARTICIPATIE

H4. Artikel 8 Lid 1.

In dit lid wordt beschreven dat “onze minister” overleg zal voeren met alle bestuursorganen en “overige relevante partijen”. In het polderproces van het Klimaatakkoord zien we tot nu toe echter dat dit niet per se een garantie op succes hoeft te zijn. Niet alle partijen hebben immers belang bij het zo voorspoedig mogelijk invoeren van ambitieus klimaatbeleid. Om het gevaar te adresseren, twee amendementen:

1. - De Partij voor de Dieren stelt voor dat bedrijven waarvan het verdienmodel voornamelijk gebaseerd is op de productie of het gebruik van fossiele brandstoffen, niet gerekend worden onder de “relevante partijen” waarmee "onze ministers" overleg voeren over de uitvoering van deze wet en het behalen van de doelstellingen. Deze bedrijven zijn onderdeel van de gevestigde orde die baat hebben bij het in stand houden van de huidige status quo.
2. - Hetzelfde geldt voor bedrijven waarvan het verdienmodel voornamelijk gebaseerd is op dierlijke eiwitten. In de ogen van de Partij voor de Dieren mogen ook die bedrijven niet gerekend worden onder de “relevante partijen” waarmee "onze ministers" overleg voeren over de uitvoering van deze wet en het behalen van de doelstellingen. De veehouderij stoot wereldwijd meer broeikasgassen uit dan al het verkeer en vervoer samen en levert daarmee een grote bijdrage aan de klimaatverandering. Op grote schaal wordt tropisch regenwoud gekapt voor de aanleg van sojaplantages ten behoeve van goedkoop veevoer voor de Nederlandse vee-industrie. Dierlijke producten blijven, ook al worden ze nog zo duurzaam geproduceerd, een zeer inefficiënte manier van eiwitproductie. Voor elke kilo biefstuk is circa zeven kilo graan nodig (veevoer) en 15.000 liter zoetwater (ter vergelijking: een kilo soja kost hooguit 2.100 liter zoetwater). Dit is op een planeet met een beperkte hoeveelheid grondstoffen en een groeiende wereldbevolking onhoudbaar. Nederland is momenteel nog het meest veedichte land ter wereld. Deze bedrijven zijn gebaat bij het in stand houden van de huidige status quo. In het belang van het klimaat dient de overstap van dierlijke eiwitten naar plantaardige eiwitten echter zo snel mogelijk te worden gemaakt.

Daarom twee amendementen die bedrijven met een fossiel verdienmodel én bedrijven met een verdienmodel gebaseerd op dierlijke eiwitten uitsluiten als relevante gesprekspartner.

Voorzitter, afsluitend. Toen de Klimaatwet bekend werd heeft de Partij voor de Dieren gezegd dat ze, naar haar beste weten, de wet niet voldoende acht. We heeft ook beloofd met verbeteringen te komen. Vandaag hebben we die belofte ingelost, naar onze mening zou met het aannemen van deze 17 amendementen een wet gecreëerd worden die in Nederland de basis legt voor het naar rato beperken van de temperatuurstijging van 1,5 graad.

De 17 amendementen:

  1. https://www.partijvoordedieren.nl/moties/amendement-van-raan-primair-energiegebruik-in-2030-405-lager-dan-in-1990
  2. https://www.partijvoordedieren.nl/moties/amendement-van-raan-aandeel-hernieuwbare-energie-is-per-2030-45
  3. https://www.partijvoordedieren.nl/moties/amendement-van-raan-c-s-harde-resultaatsverplichting-van-65-co₂-reductie-in-2030-ten-opzichte-van-1990
  4. https://www.partijvoordedieren.nl/moties/amendement-van-raan-c-s-duurzame-elekrtriciteitsproductie
  5. https://www.partijvoordedieren.nl/moties/amendement-van-raan-c-s-emissiebudget-toevoegen-aan-klimaatwet
  6. https://www.partijvoordedieren.nl/moties/amendement-van-raan-c-s-per-2050-wordt-een-co₂-reductie-van-100-gerealiseerd-ten-opzichte-van-1990
  7. https://www.partijvoordedieren.nl/moties/amendement-van-raan-c-s-co₂-reductie-dient-zo-snel-mogelijk-in-gang-te-worden-gezet
  8. https://www.partijvoordedieren.nl/moties/amendement-van-raan-c-s-in-het-klimaatplan-verantwoording-afleggen-over-niet-genomen-klimaatmaatregelen-die-wel-voorhanden-zijn
  9. https://www.partijvoordedieren.nl/moties/amendement-van-raan-c-s-herintroduceren-van-de-oprichting-van-een-onafhankelijke-klimaatcommissie-om-toe-te-zien-op-de-voortgang-van-het-klimaatbeleid
  10. https://www.partijvoordedieren.nl/moties/amendement-van-raan-c-s-jaarlijks-inzichtelijk-maken-wat-de-nederlandse-emmissiekloof-is
  11. https://www.partijvoordedieren.nl/moties/amendement-van-raan-c-s-bedrijven-waarvan-het-verdienmodel-voornamelijk-gebaseerd-is-op-de-productie-of-gebruik-van-fossiele-brandstoffen-zijn-uitgesloten-van-het-begrip-relevante-partijen
  12. https://www.partijvoordedieren.nl/moties/amendement-van-raan-c-s-per-2040-wordt-een-co₂-reductie-van-77-gerealiseerd-ten-opzichte-van-1990
  13. https://www.partijvoordedieren.nl/moties/amendement-van-raan-c-s-harde-resultaatverplichting-van-55-co₂-reductie-in-2030-ten-opzichte-van-1990
  14. https://www.partijvoordedieren.nl/moties/amendement-van-raan-c-s-nederland-heeft-in-2040-haar-gehele-co₂-uitstoot-afgebouwd-en-is-co₂-neutraal
  15. https://www.partijvoordedieren.nl/moties/amendement-van-raan-c-s-bedrijven-waarvan-het-verdienmodel-voornamelijk-gebaseerd-is-op-dierlijke-eiwitten-worden-niet-gerekend-onder-de-relevante-partijen
  16. https://www.partijvoordedieren.nl/moties/amendement-van-raan-c-s-vn-klimaatakkoord-parijs
  17. https://www.partijvoordedieren...