Inbreng Uitbreiding Werking Natuur­wetten naar gehele zee


6 september 2011

De leden van de fractie van de Partij voor de Dieren zijn verheugd met de voorgestelde wijziging van de Natuurbeschermingswet 1998 en de Flora- en Faunawet in verband met uitbreiding van de werkingssfeer van beide wetten naar de Exclusieve Economische Zone (EEZ). De uitbreiding van de werkingssfeer van beide wetten maakt het mogelijk om de waardevolle en kwetsbare natuur op zee te beschermen. Deze bescherming is hard nodig in de Noordzee. De Noordzee vormt het leefgebied van vele soorten waaronder de schol, tong, bruinvis en zeekoet. Ook de bodem is rijk aan leven met koralen, zeesterren en schelpenbanken. Dit unieke en diverse systeem komt steeds meer onder druk te staan als gevolg van intensieve bevissing met schadelijke sleepnetten die al het leven van de bodem schrapen. Er is sprake van overbevissing, bodemschade, geluidshinder en vervuiling. De Klaverbank bijvoorbeeld herbergt de hoogste diversiteit van de Noordzee, maar onderwaterbeelden van afgelopen voorjaar lieten kale stukken zien met de sleepnetsporen nog zichtbaar. Daar moet een einde aan komen. De rijkdom van het marine ecosysteem is een kostbaar publiek goed en dient in het dan ook zorgvuldig te worden beschermd. Door in de beschermde gebieden schadelijke activiteiten, waaronder visserij, militaire oefeningen, scheepvaart en olie- en gaswinning aan banden te leggen, en te weren kan de natuur zich daar herstellen. Om te voorkomen dat de Noordzee een ecologische woestenij met modder en kwallen wordt is het van groot belang dat we nu eindelijk concrete stappen gaan zetten om de ecosystemen te beschermen.

Dit wetsvoorstel is daar een belangrijke eerste stap voor. Dat gezegd hebbende zijn er nog wel een aantal punten waar de leden van de fractie van de Partij voor de Dieren graag nog nadere verduidelijking van de staatssecretaris behoeven.

Om te beginnen komt de Memorie van toelichting uit 2009 het lijkt de leden van de fractie van de Partij voor de Dieren dan ook dat sindsdien veranderingen hebben plaatsgevonden, waardoor inzichten veranderen. Zo wordt er gesteld dat er op dit moment geen maritieme gebieden die gelegen zijn in de EEZ op de communautaire lijst zijn geplaatst. Maar inmiddels lijkt dat toch anders te zijn, klopt het dat de Borkum rifgrund, de North west porcupine bank, de South west porcupine bank en Darwin mounds ook aangemeld zijn in Europa en deze gebieden zich ook in de EEZ bevinden?

Daarnaast staat vermeld op pagina 6 dat voor de invulling en uitvoering van het beheerplan het uitgangspunt van haalbaar en betaalbaar geldt. De Vogel- en Habitatrichtlijn schrijft echter voor dat maatregelen die ecologisch noodzakelijk zijn om achteruitgang en verslechtering te voorkomen uitgevoerd dienen. De ecologische noodzakelijkheid is dus leidend. De Partij voor de Dieren hecht er groot belang aan hier geen misverstanden over te laten bestaan en vragen een bevestiging van het kabinet op dit punt. Als de noodzakelijke ecologische maatregelen zijn gedefinieerd kan daarna gekeken worden welke budgetten daarvoor nodig zijn en hoe de doelen worden bereikt met zo min mogelijk nadelen voor burgers en economische sectoren. Opnieuw graag een bevestiging dat dit de uitvloeisels zijn van de door Nederland ondertekende Vogel- en Habitatrichtlijn. Wanneer het kabinet een andere uitleg aan de VHR wil geven, wil de Partij voor de Dieren zien op welke jurisprudentie het kabinet zich daarbij baseert. Onderschrijft het kabinet dat de instandhoudingsdoelstellingen niet afhankelijk (mogen) zijn van budgetten die nu voorhanden zijn, maar dat het langetermijndoelstellingen zijn? Kunt u uiteenzetten hoe vaak de Europese Commissie of het Europees Hof omwille van argumenten als haalbaar en betaalbaar een vertraagde of onvolledige uitvoering van Europese afspraken door Lidstaten heeft geaccepteerd? Wat bedoelt u, mede in het licht van de vorige vragen, concreet met ‘haalbaar en betaalbaar’?

De Doggersbank en Klaverbank stonden in december 2009 al op de communautaire lijst, wat betekent dat ze daarvoor al in Europa zijn aangemeld. En dat betekent weer dat vanaf die tijd het principe van gemeenschapstrouw gold, wat in de woorden van de Raad van State betekent dat: “Nederland zich dient te onthouden van activiteiten die het bereiken van het door de richtlijn voorgeschreven resultaat ernstig in gevaar kunnen brengen”. Kan de staatssecretaris aangeven wanneer de gebieden zijn aangemeld in Europa en op welke wijze hij invulling heeft gegeven aan het beginsel van loyale samenwerking? Zijn er activiteiten die vanaf die tijd niet meer plaats vinden of gewijzigd zijn? Heeft de staatssecretaris al gebruik gemaakt van de aanschrijvingsbevoegdheid? Vinden er op dit moment bodemberoerende visserijactiviteiten plaats in de reeds aangemelde gebieden? Zo ja, heeft de staatssecretaris zich ervan verzekerd dat deze bodemberoerende visserij geen significante effecten veroorzaakt in de beschermde gebieden? Kan de staatssecretaris uiteenzetten op welke wijze hij dat dan heeft gedaan en op welke kennis hij zich daarbij heeft gebaseerd?

Is het Friese Front al aangemeld in Europa en zo neen, waarom is dit nog niet gebeurd en wanneer gebeurt dit dan wel? Is de staatssecretaris voornemens om nog meer gebieden aan te wijzen, zoals de Bruine Bank, Centrale Oestergronden, Borkumer stenen en de Zeeuwse Banken? Deze gebieden herbergen ook unieke soorten, zoals de langlevende noordkromp, alken, roodkeelduikers en de noorse stormvogel. Wanneer komt hier duidelijkheid over? En op basis van welke informatie wordt bepaald of de gebieden worden aangewezen? Kan de staatssecretaris bevestigen dat uit de VHR vloeit dat de aanwijzing van gebieden plaats moet vinden op grond van ecologische argumenten?

Door de vele activiteiten die in de Noordzee plaatsvinden en de verschillende Europese en internationale afspraken inzake de bescherming van het mariene milieu, blijven de leden van de fractie van de Partij voor de Dieren het onbegrijpelijk vinden dat de visserij wordt uitgezonderd van deze wetswijziging. Immers de gedachte achter het aanwijzen en beschermen van gebieden op zee is dat de visstanden en ecosystemen zich daar kunnen herstellen. Als daar echter keer op keer sleepnetten door gehaald worden is van herstel geen sprake. Wereldwijd heeft men gezien dat door gebieden te sluiten voor visserij de visstand toeneemt, ook in andere gebieden. Vissen blijven immers niet in het beschermde gebied, dus wanneer de visstand toeneemt, is dat in het gehele systeem te merken.

Onderzoek van het LEI heeft aangetoond dat de visserij op de Doggersbank, Klaverbank en Friese Front gemiddeld slechts 2,6 % bijdraagt aan de totale toegevoegde waarde van de Nederlandse kottervisserij in de Noordzee. Tijdens de uitzending van Uitgesproken VARA op 13 juli 2011 heeft de staatssecretaris gezegd dat hij het ‘niet oneens’ is met het voorstel om 10-15 % van de Noordzee te sluiten voor visserij zodat de natuur zich kan ontwikkelen. Gezien de marginale bijdrage van deze gebieden lijkt het de leden van de fractie van de Partij voor de Dieren niet meer dan logisch dan de visserij in deze gebieden te verbieden. Met de structurele overbevissing en overcapaciteit van de vloot alsmede de zorgelijke stand van de visbestanden is het van groot belang dat er structurele maatregelen worden genomen om de Noordzee en alles wat erin leeft te beschermen en te behouden voor toekomstige generaties. Verder herinnert de Partij voor de Dieren het kabinet aan het nieuwe Biodiversiteitsverdrag waar Nederland zich in Nagoya aan heeft gecommitteerd en waarin is afgesproken dat in 2020 tenminste 10 % van het zeeoppervlak wereldwijd beschermd dient te zijn. Nederland zal haar aandeel daarin moeten nemen. Is de staatssecretaris inderdaad bereid om in lijn met zijn uitspraken in de media deze drie gebieden te sluiten voor de visserij? Zo ja, op welke wijze en termijn? Zo neen, hoe moeten uw eerdere uitspraken dan opgevat worden? Welke 10-15% van de Noordzee bent u dan van plan te sluiten voor visserij?

De leden van de fractie van de Partij voor de Dieren vinden het nog steeds onbegrijpelijk dat het al dan niet toestaan van visserijactiviteiten in beschermde gebieden geregeld moet worden via het Gemeenschappelijk Visserijbeleid (GVB) en niet via de Natuurbeschermingswet. Onderschrijft de staatssecretaris dat verslechtering in deze gebieden moet worden voorkomen? Zo ja, kan hij uitleggen hoe lang een gemiddelde procedure duurt om via het GVB visserijafspraken te maken? Is het in het kader van het voorzorgsbeginsel en verplichtingen vanuit de Habitatrichtlijn niet noodzakelijk om direct visserijbeperkende maatregelen te kunnen nemen? Zo ja, bent u bereid dit in Europa aan te kaarten en de visserijactiviteiten nu niet uit te zonderen in de voorgestelde wetswijziging?

In de Nota naar aanleiding van het verslag wordt gesteld dat nog bezien moet worden in hoeverre het effect van (militaire) vliegoefeningen boven het Friese Front vergunningplichtig zijn onder de Natuurbeschermingswet. Is hier inmiddels al duidelijkheid over? Is het niet zo dat wanneer gebieden zijn aangemeld activiteiten met mogelijke significant gevolgen getoetst moeten worden? Klopt het dat alleen als er zekerheid is dat er geen significant effect optreed de activiteit zonder toetsing kan plaatsvinden? Betekent dit dat er nog steeds oefeningen plaatsvinden, waarvan het effect niet duidelijk is en dit dus een overtreding van Europese verplichtingen betekent?

In de Nota naar aanleiding van het verslag wordt gesteld dat niet-visserij activiteiten nu ook al getoetst worden aan natuurwaarden. Zijn die natuurwaarden in dit geval overeenkomstig met de instandhoudingsdoelstelligen die gaan gelden in deze gebieden? Zo neen, wat houden deze natuurwaarden dan in? Betekent deze toets ook dat een vergunning alleen verleend mag worden als men zekerheid heeft dat er geen significante effecten optreden? Zo neen, worden deze activiteiten dan alsnog via deze formulering getoetst?

De leden van de fractie van de Partij voor de Dieren hopen, tot slot, op een spoedige afhandeling van dit wetsvoorstel, zodat de bescherming van onze Noordzee weer een stapje verder komt. We dringen dan ook aan op een spoedige beantwoording van de gestelde vragen.