Inbreng Schrif­telijk Overleg Gaswinning Groningen


30 januari 2015

Inleiding
De Partij voor de Dieren is verbijsterd over het besluit van het kabinet om de NAM toestemming te geven in 2015 en 2016 jaarlijks in totaal maar liefst 39,4 miljard m3 gas te pompen uit het Groningenveld. Hoewel minister Kamp deze productiehoeveelheid reeds had aangekondigd, vragen de leden van de Partij voor de Dieren-fractie zich in alle ernst af hoe het mogelijk is dat een regering de talrijke noodkreten van bewoners en bestuurders in Groningen, en indringende waarschuwingen van wetenschappers zo opzichtig wenst te negeren. De Partij voor de Dieren vinden dat de gaskraan veel verder dicht moet.

De Partij voor de Dieren stelt vast dat de regering onverantwoorde risico’s neemt met de veiligheid van de bevolking van Groningen en maakt hier ernstig bezwaar tegen. De regering neemt deze risico’s bovendien welbewust, wat het verzet van de Partij voor de Dieren-fractie nog verder bekrachtigt. De minister zal zijn besluit ingrijpend moeten herzien en de gaswinning zo snel mogelijk zo ver mogelijk terug moeten brengen, anders blijft hij in gebreke in zijn verantwoordelijkheid om de bevolking van Nederlandse burgers te beschermen tegen voorzienbare én afwendbare gevaren, veroorzaakt door economische activiteiten van een commerciële partij. De Partij voor de Dieren-fractie roept de minister met klem op het hier niet op aan te laten komen en de veiligheid van de Groningers daadwerkelijk voorop te stellen. Dat kan alleen als het besluit dusdanig wordt gewijzigd dat het risico op aardbevingen door gaswinning zo klein mogelijk wordt gemaakt. Risico’s groter laten zijn dan nodig is, is verwijtbaar, wil de Partij voor de Dieren de minister maar in herinnering brengen.

Gasproductie en aardbevingen

De Partij voor de Dieren is, op basis van alle rapporten die zijn verschenen over de gasproductie en de invloed daarvan op het ontstaan van aardbevingen, aangevuld met de artikelen en mondelinge inzichten die experts met de Kamer hebben gedeeld, van mening dat vaststaat dat gasproductie uit het Groningenveld aardbevingen kan veroorzaken, en dat de omvang van de productie zowel invloed heeft op de frequentie als de zwaarte van de bevingen die als gevolg hiervan ontstaan. De eerste vraag aan de minister is: onderschrijft hij deze conclusie? De Partij voor de Dieren-fractie wil hier graag een helder antwoord op, dat begint met “ja” of “nee”. Indien de minister het laatste antwoordt, dan ontvangt deze fractie graag een heldere onderbouwing van zijn conclusie dat de gasproductie géén invloed zou hebben op het ontstaan van aardbevingen, wederom onderscheidend naar frequentie en zwaarte.

De Partij voor de Dieren is zeer ontevreden over de schimmige besluitvormingsconstructies rondom de gaswinning. Zogenaamde risicomodellen van de NAM en marktanalyses van Gasterra, beiden commerciële partijen die belang hebben bij de gaswinning, lijken zwaar te wegen in de besluiten die het kabinet uiteindelijk neemt. De Partij voor de Dieren-fractie vindt dat zeer ongewenst en wijst de minister op zijn verantwoordelijkheid om zijn besluiten onafhankelijk te onderbouwen en een goede controle daarop mogelijk te maken. Daarvan is nu geen sprake en alleen daarom al kan de Kamer onmogelijk tot de conclusie komen dat de minister een verantwoord besluit heeft genomen, vindt de Partij voor de Dieren-fractie. Ook de wijze waarop toezichthouder SodM tot haar adviezen komt is volstrekt onduidelijk. Dat is ernstig, omdat de minister zich zonder nadere analyses beroept op de adviezen van deze toezichthouder.

Voor de Partij voor de Dieren is onduidelijk welke parameters het SodM hanteert bij het bepalen van haar adviezen. De rol van de toezichthouder zou moeten zijn dat zij louter vanuit het perspectief van de veiligheidsrisico’s haar adviezen bepaalt. De weging ten opzichte van andere belangen moet bij de minister liggen, die de verantwoordelijkheid heeft helder uiteen te zetten welke belangen hij precies afweegt en hoe hij omgaat met de onzekerheden en zijn verantwoordelijkheden ten opzichte van de verschillende belangen. De minister doet dat nu niet, maar baseert zich op adviezen van het SodM waarin, zo is de sterke indruk van de Partij voor de Dieren-fractie, al een belangenafweging plaatsheeft die daar ten eerste niet thuishoort en ten tweede niet te controleren is. Graag een reactie van de minister.

De Partij voor de Dieren-fractie is bijvoorbeeld zeer verbaasd dat het SodM wel stelt dat de onzekerheden in een NAM-rapport over de Eemskanaalregio te groot zijn en dat productiemodellen niet te rechtvaardigen zijn, maar tegelijk komt met een aangepast winningsvoorstel voor 2015 en 2016. De onderbouwing die het SodM daarvoor geeft, namelijk dat er aanwijzingen zijn dat het systeem mogelijk regelbaar is, vindt de Partij voor de Dieren een toezichthouder onwaardig en een aanwijzing dat het SodM zich niet louter toelegt op haar verantwoordelijkheid te adviseren over de veiligheid, maar zich kennelijk ook verantwoordelijk voelt om de belangen van de gasproducent in ogenschouw te nemen. Die indruk werd versterkt tijdens de gesprekken die de Kamer voerde met het SodM, waar geen helder antwoord kwam op de vraag op welke wijze haar adviezen nu tot stand komen, welke belangen het SodM al dan niet meeweegt en hoe zwaar dan. De Partij voor de Dieren is ervan geschrokken dat het SodM in verschillende bewoordingen liet merken zich niet alleen verantwoordelijk te voelen voor het belang van de veiligheid, maar ook voor het belang van de gasproducent. Het ontbreken van duidelijkheid over de weging daarvan in haar adviezen maakt deze adviezen slecht bruikbaar. De Partij voor de Dieren vindt dat de minister zich dan ook niet zomaar op de adviezen van het SodM mag beroepen en de plicht heeft alsnog duidelijk te maken welke belangen hij precies onderscheidt en hoe hij deze weegt. De leden van deze fractie vragen de minister daarbij nadrukkelijk onderscheid te maken tussen de gasbehoefte in relatie tot de leveringszekerheid en de vraag naar gas als een verhandelbaar product op de (wereld)markt.

Verschillende experts bevestigen dat een jaarlijks gasproductie van maximaal 30 miljard m3 in 2015 en 2016 voldoende is om de leveringszekerheid veilig te stellen. Kan de minister dat bevestigen? Zo nee, waarom niet? Graag een heldere en goed te controleren onderbouwing in dat geval.

Welke rechtvaardiging ziet de minister om bovenop de leveringszekerheid extra gasproductie toe te staan? Daarmee maakt de minister immers de keuze om het commerciële belang van gasproductie zwaarder te laten wegen dan het belang van de veiligheid van de Groningers.

Kan de minister bevestigen dat met een jaarproductie van maximaal 30 miljard m3 per jaar t/m 2016 er geen direct gevaar optreedt voor de leveringszekerheid, en dat na 2016 de productie nog verder kan worden teruggebracht? Zo nee, hoe zit het dan volgens de minister?

De Partij voor de Dieren wijst erop dat we uiteindelijk helemaal af zouden moeten van gaswinning om het risico op aardbevingen te verminderen en de transitie naar duurzame energie te versnellen. Kan de minister bevestigen dat de analyses van Gasterra, die tot taak heeft gas te vermarkten, gebaseerd zijn op de vraag naar gas, een economische grootheid dus, wat iets anders is dan de behoefte aan gas, die veel kleiner is dan de getallen die Gasterra noemt? Kan de minister bevestigen dat besparingsstrategiën geen onderdeel uitmaken van de cijfers van Gasterra en dat er dus nog veel winst te behalen valt in het minimaliseren van de gasproductie als er werk gemaakt wordt van besparing? Kan de minister reageren op de berekeningen van Milieudefensie, die in het Rondetafelgesprek met de Kamer geschetst heeft welke besparingen we zouden kunnen realiseren?

Kan de minister bevestigen dat beperking van de gasproductie tot 30 miljard m3 per jaar in 2015 en 2016 technisch mogelijk is, en dat de onderliggende studie waar hij zich op baseert zelfs spreekt van een lagere productie (in een bandbreedte)? Graag een heldere uiteenzetting van de minister over de technische mogelijkheden om de gasproductie in het Groningenveld zo snel mogelijk zo ver mogelijk terug te brengen, met een schets naar de jaren na 2016.

De Partij voor de Dieren verwijst naar de uitspraak van de Algemene Rekenkamer dat ook zonder de afgesproken productiebeperking de productie geleidelijk moet worden teruggeschroefd om te kunnen voldoen aan de afspraken over de maximale productie uit het Groningenveld, zoals vastgelegd in de winningsplannen 2006-2015 en 2011-2020. Hoe kijkt de minister hier tegen aan? De minister heeft in de begroting, schriftelijk overleggen en antwoorden op feitelijke vragen verschillende cijfers genoemd over de realisaties voor de totale hoeveelheid Groningengas in de jaren 2010 t/m 2013. De op 15 januari jongstleden genoemde realisaties zijn voor 2010, 2011, 2012 en 2013 resp. 0,8, 2,1, 0,6 en 0,7 miljard m3 hoger dan eerder genoemde realisaties. Kan de minister uitleggen hoe het kan dat hij verschillende cijfers over het gewonnen gas hanteert in de begroting en andere Kamerstukken?

Kan de minister voorts uiteenzetten welke mogelijkheden er zijn om de exportcontracten open te breken als de Nederlandse overheid uit veiligheidsoverwegingen de gasproductie aan banden legt en dat combineert met besparing op het binnenlands gebruik? Kan de minister bevestigen dat GasTerra zich in zo’n geval kan beroepen op het zogenaamde ‘force majeur’? Graag een heldere uiteenzetting van de mogelijkheden op dit punt.

Onzekerheden, verantwoordelijkheid, voorzorgbeginsel
De Partij voor de Dieren erkent dat er onzekerheden zijn over het precieze karakter van de relatie tussen de gaswinning en het ontstaan van bevingen, en over de precieze effecten van maatregelen. Dat er onzekerheden zijn betekent echter niet dat de status quo geldend is, en dat verandering van de status quo pas kan als er sluitende onderbouwing voor is. Wanneer de veiligheid van burgers in het geding is zoals het geval is in Groningen, geldt het vanuit het voorzorgbeginsel juist het omgekeerde. Wanneer niet kan worden onderbouwd dat met de huidige en voorgenomen gaswinning de veiligheidsrisico’s voor de burgers zijn geminimaliseerd, kan die gaswinning niet plaatsvinden. De Partij voor de Dieren-fractie merkt op dat die onderbouwing ontbreekt.

De minister noemt de veiligheidsrisico’s van de voorgenomen gaswinning in zijn besluit ‘acceptabel’. Dat lijkt de Partij voor de Dieren een gewaagde uitspraak. Kan de minister uiteenzetten waar hij dat oordeel op baseert? Is hij er wel zeker van dat als een (parlementaire) onderzoekscommissie op zeker moment diepgravend onderzoek doet naar de besluitvorming nu, zijn oordeel verdedigbaar zal blijken?

Wat adviseert de minister aan bestuurders van Groningse instellingen zoals (hoge)scholen, universiteiten en ziekenhuizen, die een verantwoordelijkheid voelen en hebben voor de veiligheid van de (honderd)duizenden mensen die zich in hun gebouwen bevinden, in het licht van zijn besluit? Neemt de minister de verantwoordelijkheid voor de veiligheid van deze mensen over van de bestuurders? Bij wie zal naar het oordeel van de minister de aansprakelijkheid en de verantwoordelijkheid liggen als er een aardbeving plaatsvindt en mensen die zich in dergelijke instellingen bevonden letsel oplopen of erger?

Behalve het principiële bezwaar dat de minister bij de genoemde onzekerheden niet kiest voor het voorzorgbeginsel, vindt de Partij voor de Dieren het slecht te verkroppen dat de minister, in navolging van de NAM en het SodM, überhaupt beroept op deze onzekerheden. Al in de jaren ’90 is door experts gewaarschuwd voor het ontstaan van aardbevingen als gevolg van gaswinning, en is meermalen gepleit voor onafhankelijk geologisch en geotechnisch onderzoek en goede monitoring. Zie hiervoor bijvoorbeeld de inbreng van het Onafhankelijk Geologen Platform aan het Rondetafelgesprek in de Tweede Kamer. De conclusie is dat ondanks jarenlange waarschuwingen en oproepen van wetenschappers, er sprake is van een gebrek aan onafhankelijke waarheidsvinding, onafhankelijke wetenschap, voldoende kennis en up to date meetmethoden. Is de minister bereid dat te erkennen? Zo nee, waarom voert hij dan zelf als argument om nu niet verder in te grijpen aan dat verder onderzoek nodig zou zijn?

Kan de minister een compleet overzicht aan de Kamer sturen van alle informatie het ministerie sinds het begin van de gaswinning bezat over de relatie tussen de gaswinning en aardbevingen en de informatie die zij had over de mogelijke noodzaak tot verder onderzoek? Kan de minister daarbij duidelijk maken wat er met de verschillende rapporten en andere bij het ministerie bekende informatie hierover is gedaan?

Preventief versterken, compensatie- en uitkoopregelingen
De Partij voor de Dieren wijst de minister er indringend op dat het preventief versterken van huizen een ingrijpende operatie is en tot een grote kaalslag van woningen en daarmee de leefbaarheid in Groningen. Voor bewoners is preventieve versterking een noodzakelijk kwaad, en zeker geen cadeautje, zo werd terecht verwoord tijdens het Rondetafelgesprek. Snapt de minister dat de overheid de plicht heeft om mensen die toch al niet om veiligheidsrisico’s en schade aan hun huizen hebben gevraagd maximaal tegemoet te komen om de vervelende situatie waarin zij terecht zijn gekomen niet nóg erger te maken? Begrijpt de minister dat mensen geen vertrouwen hebben in versterkingsoperaties als aan de voorkant het risico niet maximaal wordt beperkt door de gaskraan zo ver mogelijk dicht te draaien? Waarom weegt dit belang van de Groningers niet zwaar voor de minister? Hoe zit het met de vergoeding van de kosten die mensen moeten maken als hun huis preventief wordt versterkt, zoals voor huur van een andere woning, extra reiskosten woon-werk etc?

De compensatieregeling voor waardevermindering blijkt in de praktijk een compensatie op te leveren van 0 tot 5%, terwijl de waardedaling van de woningen vaak veel hoger ligt. Deelt de minister de mening dat de compensatie reëel moet zijn? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wat gaat hij doen om dat daadwerkelijk te realiseren?

Deelt de minister de mening dat bewoners van onverkoopbaar geworden huizen een passend uitkoopaanbod moet worden gedaan? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wat gaat hij doen om dat daadwerkelijk te realiseren?

Omkering bewijslast bij schade door bevingen

De Partij voor de Dieren maakt zich grote zorgen over de afhandeling van schade bij bewoners. Er is te zien dat veel bewoners geen schade vergoed krijgen. Zo heeft een inwoner van Loppersum het volgende laten weten: De NAM en ook de overheden gebruikte de adviezen van de funderingstechneuten maar al te graag om vanaf begin jaren tachtig vele jaren glashard te ontkennen dat er scheuren in huizen waren ontstaan door gaswinning. Men moest als argeloze burger maar bewijzen dat het van de gaswinning kwam. Bewijs het maar. Zo werden wij hier jaren aan het lijntje gehouden. Het zou wel van klink van de slappe bodem komen of door achterstallig onderhoud. Deze meneer, en heel veel andere bewoners zijn boos en soms ook wanhopig over deze gang van zaken, en dat kunnen de leden van de PvdD-fractie heel goed begrijpen. Zij vinden dat je zo niet met burgers omgaat die niet om die situatie hebben gevraagd. Zij willen een omkering van de bewijslast. Graag krijgt de Partij voor de Dieren –nogmaals- een reactie op dit punt.

De leden van de PvdD-fractie hebben dit punt in eerdere debatten al vaker voorgelegd aan de minister. Zij hebben er op gewezen dat, in de huidige situatie, het maar al te vaak zo is dat mensen zitten met een compleet scheef huis en de taxateur die door de NAM is ingeschakeld, zegt: wij kunnen niet aantonen dat het door de gaswinning komt, dus u krijgt €1.600. De minister erkende wel dat deze situatie voor mensen heel moeilijk en onrechtvaardig is, maar een echte oplossing bleef uit. In plaats van de bewijslast om te draaien, moest een onafhankelijke instantie het allemaal gaan oplossen. In reactie op een motie van de leden van de PvdD-fractie (KS 33529-78) om de bewijslast om te keren, zodat hij niet meer bij het slachtoffer ligt maar bij de veroorzaker, heeft de minister gesteld (TK, vergaderjaar 2013-2014, handelingen 12-8-1) dat hij dat eigenlijk al doet. Dat de Tcbb een oordeel mag geven over de vraag of de schade is veroorzaakt door de aardbevingen en daarmee door de aardgaswinning, of dat er iets anders aan de schade ten grondslag ligt. Als het eerste het geval is, zo zei de minister, dan mag de Tcbb ook beoordelen wat een redelijk bedrag is voor de schadevergoeding. Daarmee zou het dan dus niet meer aan de betrokken persoon zijn om de schade aan te tonen. De minister voegde daaraan toe dat de Tcbb het dan als haar verantwoordelijkheid beschouwt om dat te beoordelen en vast te stellen. En dat hij daarmee al uitvoering geeft aan wat deze leden in die motie vroegen.

Dat is echter geenszins het geval. De Partij voor de Dieren ziet dat in de praktijk er echter helemaal niets is opgelost. En dat kan ook niet, zolang het aan de gedupeerden zelf is om te bewijzen dat zij recht hebben op een schadevergoeding. Alleen een omkering van de bewijslast kan deze situatie voor mensen echt oplossen.

Zoals ook uitvoerig aan de orde is gekomen in het Rondetafelgesprek dat de Kamer heeft gevoerd over de gaswinning in Groningen, wijkt de Nederlandse mijnbouwetgeving erg af van wat in andere landen gebruikelijk is. Een van de opvallendste punten daarbij is dat in alle landen om ons heen de bewijslast voor de schade bij de veroorzaker ervan ligt. Nu, sinds de Mijnbouwwet 2003, wordt er nauwelijks nog schade vergoed. De leden van de PvdD-fractie hechten er aan om erop te wijzen dat dit niet alleen geldt bij schade die veroorzaakt wordt door gaswinning in Groningen. De problematiek is veel breder. Ook schade die bijvoorbeeld door zoutwinning veroorzaakt wordt, wordt niet of nauwelijks meer vergoed.

Kan de minister bevestigen de praktijk sinds de invoering van de Mijnbouwwet in 2003 er op neer komt dat vergoeding van schade aan particulieren eerder uitzondering dan regel is (afgezien van bagatel-schades)? Zo nee, op basis van welke cijfers ontkent de minister dat? Kan hij ook bevestigen dat het geringe aantal schadevergoedingen hoofdzakelijk komt omdat door de Tcbb geen causaal verband met door gaswinning veroorzaakte bevingen vastgesteld wordt (evenmin door bodemdaling)? Zo nee, waardoor komt het dan wel?

De leden van de Partij voor de Dieren-fractie zijn benieuwd hoe de minister het begrip multicausaliteit ziet in relatie tot de schade die optreedt bij huizen en andere gebouwen in Groningen? Deskundigen wezen er tijdens het Rondetafelgesprek op dat de Tcbb bestaat uit ingenieurs, die een juridisch oordeel moeten vellen. Deze hebben geen kennis van juridisch complexe figuren die zich bij een typisch geval van bodemschade zullen voordoen, zoals meerdaderschap en multicausaliteit: verscheidene oorzaken die zich naast elkaar voordoen of wel tegelijkertijd, vaak in een onderlinge samenhang die onduidelijk is. Hierbij valt te denken aan factoren als: 1. aardbeving; 2. grondwaterpeilverlaging; bodemdaling; 4. slechte staat waarin het gebouw zich bevindt (ouderdom of achterstallig onderhoud), of 5. bouwkundige gebreken. In een dergelijke situatie kan men elk van de mogelijke daders voor de gehele schade, 100% dus, aanspreken (hoofdelijke aansprakelijkheid), kan de minister dat bevestigen? De Partij voor de Dieren wijst hiervoor bijvoorbeeld naar een uitspraak van de Hoge Raad waarin deze dit op eigen initiatief al in 1997 toegepast op lozers van schadelijke stoffen in een sloot in Friesland, in Engelum. Is de minister bekend met deze uitspraak? En kan hij ook aangeven of dit begrip ooit wel eens is toegepast door de Tcbb? De leden van de PvdD-fractie hebben namelijk sterk de indruk dat meldingen van schade en verzoeken voor vergoeding daarvan steeds worden afgewezen, waarbij de schuld van de schade bij een slechte staat van het gebouw wordt gelegd, terwijl er in feite sprake is van meerdere oorzaken, waaronder de gaswinning. In tegenstelling tot wat dus eigenlijk juridisch zou moeten, namelijk dat de schade wordt vergoed vanwege multicausaliteit, worden de bewoners met een kluitje in het riet gestuurd. Dat vinden de leden van de PvdD-fractie echt volstrekt onacceptabel. Is de minister dat niet met hen eens, en zo nee, waarom niet? Zo ja, op welke manier wil hij dit gaan rechtzetten, niet alleen voor de schademeldingen die in de toekomst helaas nog binnen zullen komen, maar ook voor al die mensen die ten onrechte geen schadevergoeding hebben gekregen? Deelt de minister het oordeel dat louter ingenieurs geen deskundig oordeel hierover kunnen vellen? Kan de minister schetsen wat er gebeurt met schade die door meerdere factoren veroorzaakt is, en in hoeveel procent van de gevallen waarin dat (waarschijnlijk) het geval is de gedupeerde uiteindelijk de schade vergoed wordt? De leden van de PvdD-fractie vrezen nu al dat de minister hier geen antwoord op kan geven. Dat hij deze gegevens niet paraat heeft. Dat alleen al is naar het oordeel van deze leden een duidelijk teken aan de wand dat de huidige schaderegelingen niet voldoen. Graag een reactie.

De minister heeft in antwoord op eerdere vragen van de leden van de Partij voor de Dieren-fractie aangegeven dat de inzet van taxateurs, en wanneer nodig een second opinion van taxateurs, er voor zouden moeten zorgen dat gedupeerden de schadevergoeding zouden krijgen waar zij recht op hebben. Deze leden krijgen graag een reactie van de minister op de geluiden die zij te horen krijgen dat een groot deel van de taxateurs die nu in Groningen worden ingezet hun opleiding nog niet afgerond hebben. Is dat waar, om hoeveel taxateurs gaat dat, en hoe beoordeelt de minister dit zelf? Kan de minister ook reageren op de geluiden dat de bedrijven die door de NAM ingehuurd worden voor schadeafhandelingen vaak voor een groot deel van hun inkomsten afhankelijk zijn van de NAM, de grootste opdrachtgever in de regio. Is dat waar? En zo nee, hoe komt de minister tot deze conclusie? Indien dit inderdaad het geval is, dat de bedrijven die namens de NAM de schade afhandelen voor een groot deel van hun omzet afhankelijk zijn van deze zelfde NAM, hoe beoordeelt de minister dan hun onafhankelijkheid en onpartijdigheid als adviseur?

De leden van de PvdD-fractie moeten concluderen dat het met de bescherming van grondrechten, dat van eigendom voorop, maar ook het recht op gezondheid in een gezond leefmilieu en tenslotte het recht op due process en fair trial treurig is gesteld. Het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens spreekt op al die punten duidelijke taal. De Tcbb, dat gepresenteerd werd als dé oplossing voor alle problemen, heeft naar mening van deze leden gefaald, en ook het recente alternatief waarin de mijnexploitant de schadeafwikkeling zelf doet is geen oplossing. De rechtsbescherming en rechtszekerheid van Groningers is gewoonweg niet gegarandeerd. Volgens de leden van de fractie van de Partij voor de Dieren is het dan ook van groot belang om nu snel de aanbevelingen van deskundigen ter harte te nemen en de Mijnbouwwet aan te passen aan de moderne tijd. De huidige Mijnbouwwet functioneert simpelweg niet naar behoren, en laat mensen in de steek. Dat kan toch niet de bedoeling zijn van deze minister. Graag een reactie. Concreet stellen deze leden voor om goed te kijken naar het mijnrecht in omringende landen. Centraal staat hierbij een omkering van de bewijslast, een subsidiaire aansprakelijkheid van de Staat of een overheidslichaam, zoals de Coal Authority in het Verenigd Koninkrijk. Erkent de minister dat het proces rond de afhandeling van schade in de ons omringende landen veel beter verloopt dan in ons land? De leden van de PvdD-fractie doelen hier bijvoorbeeld op Duitsland, waar men sinds 1982 omkering van de bewijslast bij vermoeden van mijnschade kent, en waar geen schadeprocedures in de mijnstreken voorkomen en waar schade aan woningen steevast wordt vergoed of hersteld. Is dat niet ook iets wat we hier in Nederland zouden moeten hebben? Zij krijgen dan ook alsnog een hernieuwde en uitgebreide schriftelijke reactie op de motie voor omkering van de bewijslast die zij eerder hebben ingediend en op verzoek van de minister hebben aangehouden (KS 33529-78).