Feite­lijke vragen Voort­gangs­rap­portage Nota Dieren­welzijn


3 maart 2009

Lijst van vragen

1 Op welke wijze wordt gegarandeerd dat de informatievoorziening over de productiewijze in de veehouderij objectief gebeurt? Welke garanties worden hiervoor ingebouwd en hoe wordt voorkomen dat publieke middelen worden ingezet voor een imagocampagne van de veehouderijsector waarbij de werkelijke productieomstandigheden niet worden getoond?

2 Wordt de transparantie en objectieve informatie over productiewijze in de veehouderij getoond vanuit het perspectief van voorloper bedrijven over de grootste gemene deler en waarom? Hoe wordt voorkomen dat alleen beelden en informatie worden verstrekt over bedrijven die nu verder zijn dan de wettelijke vereisten en die niet het grootste deel van de houderijsystemen vertegenwoordigen?

3 Waarom bleek het niet haalbaar om rond 1 mei 2008 een convenant af te sluiten over een tussensegment en welke lessen trekt de minister hieruit voor de waarde van convenanten en andere boterzachte sectorafspraken?

4 Kan de minister aangeven welke stokken zij achter de deur heeft als blijkt dat convenanten en andere vrijwillige afspraken met de sector over dierenwelzijnsverbeteringen niet haalbaar zijn?

5 Waarom laat de campagne ‘een kip of varken kan niet kiezen, jij wel’ niet de verschillende leefomstandigheden en productiewijzen zien waartussen de consument kan kiezen?

6 Waarom wordt de consument in de tv commercials een eenduidige en duidelijke boodschap onthouden die inzicht geeft in de productieomstandigheden van deze dieren?

7 Wat is de mediastrategie, communicatiestrategie en wetenschappelijke onderbouwing van de effectiviteit van de campagne ‘een kip of varken kan niet kiezen, jij wel’ ?

8 Is de veehouderij en vleessector betrokken geweest of geconsulteerd bij het ontwerpen van de campagne ‘een kip of varken kan niet kiezen, jij wel’?

9 Kunt u voorbeelden geven van de handelingsperspectieven die consumenten worden geboden in de nieuwe campagne voor het stimuleren van duurzame consumptie?

10 Kunt u aangeven of in de verdere campagne voor het stimuleren van duurzame consumptie handelingsperspectieven aangereikt worden voor het eten van minder of geen vlees? Zo ja, welke en zo neen, waarom niet?

11 Wat is de definitie van een maatschappelijke dialoog en op basis waarvan worden deelnemers gevraagd hieraan me te werken?

12 Kan de minister meer duidelijkheid geven aan de hand van welke criteria de haalbaarheid van de drie alternatieven voor het doden van eendagshaantjes wordt getoetst? Zal de haalbaarheidsstudie zich ook richten op wat er nodig is om het gebruik van combinatiekippen te bevorderen en welke rol een kaderstellende overheid daarin kan spelen? Zo ja, op welke wijze? Zo neen, waarom niet?

13 Wordt bij het bepalen van de haalbaarheid van alternatieven voor het doden van eendagshaantjes ook gekeken naar de integrale duurzaamheid, diervriendelijkheid en ethische aspecten? Zo ja, op welke wijze worden deze meegewogen?

14 Op welke wijze worden de vijf vrijheden van Brambell vertaald naar ontwerpcriteria in het ontwerpproces van integraal duurzame stallen? Kunt u daarvan voorbeelden geven?

15 Wordt in het ontwerpproces van de integraal duurzame stallen het dierenwelzijnsaspect ‘keuzevrijheid van dieren om binnen of buiten te verblijven’ meegenomen in de stalontwerpen? Zo ja, op welke wijze en zo neen, waarom niet?

16 Wordt in het ontwerpproces van de integraal duurzame stallen de mogelijke dierenwelzijnsverbeteringen al op voorhand afgewogen tegen economische consequenties? Zo ja, op welke wijze en waarom? Wie bepaalt daarbij de economische haalbaarheid van nieuwe stalontwerpen en welke aannames worden daarin gemaakt op basis van welke maatschappelijke ontwikkelingen? Welke disciplines en wetenschappelijke onderzoeksvelden worden daarbij betrokken en waarom acht u dat afdoende? Zo neen, waar blijkt dat uit?

17 Op welke wijze worden bij het integrale afwegings- en beoordelingskader waarderingen gegeven aan de verschillende onderdelen van duurzaamheid en diervriendelijkheid en op basis van welke aannames gebeurt dat? Hoe wordt hierbij voorkomen dat kwetsbare waarden zoals dierenwelzijn het onderspit delven tegenover harde waarden zoals economie? Wie bepaalt de zwaarte van de verschillende waardes en de wijze waarop deze wel/niet/nauwelijks/kaderstellend meegenomen zullen worden?

18 Wordt in het programma robuuste dieren/natuurlijke weerstand in het zoeken naar maatstaven om de mate van weerbaarheid te bepalen ook de omgevingsaspecten zoals houderijsysteem (biologisch/gangbaar), vrije uitloop & weidegang, ingrepen, vloersystemen meegenomen? Zo ja, op welke wijze? Zo neen, waarom niet en hoe wordt voorkomen dat weerstand met name wordt eenzijdig toegeschreven aan fokkerij aspecten, terwijl omgevingsfactoren ook van belang (kunnen) zijn?

19 Wat is er concreet afgesproken en welke concrete resultaten zijn behaald met de actieve coalitievorming met lidstaten die een voorhoedepositie in willen nemen? Wat staat er op de agenda en welke resultaten kunnen we binnen het ambtstermijn van de minister tegemoet zien?

20 Op welke wijze wil LNV zich vanaf 2010 inzetten voor welzijnsregelgeving voor vleeskuikenouderdieren, kalkoenen, nertsen en konijnen en denkt zij daarbij bijvoorbeeld ook aan het bepleiten van een houdverbod voor bijvoorbeeld konijnen omdat uit wetenschappelijk onderzoek al is gebleken dat de commerciële konijnenhouderij onmogelijk is vanuit de welzijnsbehoeften van konijnen?

21 Op welke wijze gaat u de buitenlandse consumenten die meer dan 70% van de Nederlandse zuivel consumeren betrekken bij het stimuleren van weidegang vanuit uw visie dat verduurzaming uiteindelijk door de maatschappij gedragen moet worden?

22 Op welke wijze voorkomt u dat de verkoop van dagverse zuivel van melkkoeien met weidegang welke circa 10% van de totale zuivelproductie in Nederland bedraagt, als schaamlap wordt gebruikt voor alle melkkoeien die permanent worden opgestald voor het produceren van zuivel voor de export?

23 Op welke wijze zorgt u ervoor dat veehouders die hun melkkoeien weiden niet worden achtergesteld bij veehouders die de melkkoeien permanent opstallen?

24 Hoe voorkomt u dat het begrip weidegang verder wordt uitgehold en niet resulteert in het paar uur luchten van koeien op een grassige ondergrond? Wie bepaalt de definitie van weidegang en hoe wordt deze gecontroleerd?

25 Waarom kan de overgangstermijn voor het vriesbranden van melkkoeien niet alsnog worden afgeschaft, vooral nu u zelf aangeeft dat er voldoende alternatieven zijn voor koeherkenning en dat deze al op grote schaal worden toegepast? Waarom geeft u achterblijvers hiermee een voordeel terwijl u zegt in het beleid zich op de voorlopers te willen richten?

26 Waarom stelt u geen regelgeving op die de import van kalveren die over lange afstand zijn vervoerd verbiedt?

27 Hoe wordt voorkomen dat de welzijnsparameters vooral betrekking hebben op fysiologische en fysieke aspecten van dierenwelzijn en dat daarmee de ethische afwegingen voor het houden van kalveren voor blank kalfsvlees geen onderdeel vormen voor de welzijnsmonitor, terwijl dat juist ook een belangrijk aspect is van de maatschappelijke discussie?

28 Waarom kan de overgangstermijn voor het vriesbranden van melkkoeien niet alsnog worden afgeschaft, vooral nu u zelf aangeeft dat er voldoende alternatieven zijn voor koeherkenning en dat deze al op grote schaal worden toegepast? Waarom geeft u achterblijvers hiermee een voordeel terwijl u zegt in het beleid zich op de voorlopers te willen richten?

29 Waarom stelt u geen regelgeving op die de import van kalveren die over lange afstand zijn vervoerd verbiedt?

30 Hoe wordt voorkomen dat de welzijnsparameters vooral betrekking hebben op fysiologische en fysieke aspecten van dierenwelzijn en dat daarmee de ethische afwegingen voor het houden van kalveren voor blank kalfsvlees geen onderdeel vormen voor de welzijnsmonitor, terwijl dat juist ook een belangrijk aspect is van de maatschappelijke discussie?

31 Waarom wordt er geen houd- of fokverbod ingesteld voor dikbilrassen die een hoog percentage keizersneden teweeg brengen om zo snel tot ene oplossing te komen voor dit nijpende probleem?

32 Wie bepaalt of er aanleiding is om vijlen van tanden van varkens toe te staan? Op basis van welke objectieve criteria wordt het vijlen toegestaan? Welk percentage varkenshouders vijlt de tanden van de varkens zijn daarin veranderingen zijn daarin waar te nemen? Wie monitort of het vijlen van tanden op rechtmatige gronden gebeurt?

33 Waarom wordt het vervoer van slachtvee over lange afstanden (bv langer dan 8 uur) niet gewoon verboden?

34 Welke stok heeft de minister achter de deur als blijkt dat de pluimveesector in 2011 niet in staat is gebleken om te komen tot huisvestingssystemen die ingrepen overbodig maken?

35 Welke belangen heeft de minister bij het onderzoek naar maatschappelijk draagvlak voor gentechnologie bij kuikens als het officiële Nederlandse standpunt ten aanzien gentechnologie bij dieren ‘nee, tenzij..’ is?

36 Hoe beoordeelt de minister de kritiek van maatschappelijke organisaties en ketenpartners op het kwaliteitsysteem Dierwaardig Vervoer en hoe beoordeelt zij het nieuwe concept dat is opgesteld door Veetrans?

37 Wanneer wordt de reactie op het plan van aanpak van de Sectorraad Paarden naar de Kamer gestuurd?

38 Is de minister bereid spoedig met regelgeving te komen voor de huisvesting en verzorging van paarden, gezien het gebrekkige ambitieniveau van het plan van aanpak van de Sectorraad Paarden en het ontbreken van concrete doelstellingen hierin?

39 Is de minister bereid het ‘nee, tenzij principe’ voor sport met dieren te handhaven in het wetsvoorstel Dieren, gezien de risico’s en misstanden die voorkomen in de paardensport zoals dopinggebruik en het hanteren van bepaalde dieronvriendelijke trainingsmethoden en hulpmiddelen?

40 Kan de minister aangeven op welke wijze het distantiëren van het couperen van paardenstaarten zal leiden tot beëindiging hiervan?

41 Wat is de laatste stand van zaken met betrekking tot de toezegging van de minister om te onderzoeken welke maatregelen zij kan nemen tegen het couperen van paardenstaarten, zoals ook al eerder gevraagd in de aangenomen motie Ouwehand/Waalkens (28286, nr. 237)?

42 Op welke wijze zal de minister in de tussentijd toezicht houden op het couperen van paardenstaarten en eventuele afname hiervan? Op welk moment zal de minister zelf ingrijpen en op welke wijze?

43 Wat is de hoogte van de financiële vergoeding die de Sectorraad Paarden heeft ontvangen van het ministerie van LNV voor het bevorderen van de organisatie van de sector? Zijn hierbij concrete doelen gesteld?

44 Op welke wijze zal worden gemonitord of het bereik van de gehele achterban (bestaande uit zo’n 450.000 mensen die regelmatig paardrijden) wordt gerealiseerd?

45 Kan de minister aangeven wat de stand van zaken is met betrekking tot de analyse op het gebied van het welzijn van paarden in relatie tot ‘hyperflexie’ en andere trainingsmethoden, zoals toegezegd in haar brief van september 2008?

46 Kan de minister aangeven welke onderzoeken naar alternatieve preventieve middelen bij het Faunafonds uitstaan, het tijdpad van deze onderzoeken, de onderzoeksopzet en eventueel al tussenresultaten?

47 Welke alternatieve afweermiddelen zullen in 2009 getest gaan worden in de fruitteelt?

48 Welke verschillende vormen van zwijnenbeheer op de Veluwe worden dit jaar onderzocht, en in welke delen van de Veluwe? Is de opzet van deze onderzoeken beschikbaar?

49 Wat is de stand van zaken van realisatie van de 27.000 hectare robuuste verbindingen? Dit in relatie tot de planning tot 2020 met betrekking tot verwerving en inrichting van deze gebieden? Loopt dit op schema?

50 Wanneer wordt de aangekondigde evaluatie van het ganzenopvangbeleid aan de Kamer gestuurd?

51 Kan de minister inzicht geven in de mate van ‘bijvangst’ van de muskusrattenbestrijding over de afgelopen jaren? Om hoeveel dieren ging het en welke diersoorten betrof het?

52 Op welke wijze wordt de bijvangst van muskusrattenbestrijding geregistreerd en zijn hierbij doelstellingen tot vermindering geformuleerd?

53 Is de minister bereid de dieronvriendelijke muskusrattenbestrijding direct stop te zetten? Zo neen, waarom niet?

54 Wat is het oordeel van de minister over het feit dat de AID niet meer controleert op Schiphol? Kan de minister bevestigen dat dit het gevolg is van capaciteitstekorten? Zo neen, waarom is deze keuze dan gemaakt? Zo ja,is de minister bereid de capaciteit op dit terrein uit te breiden en te voorkomen dat bij tekorten menskracht wordt weggehaald bij deze handhavingstaak?

55 Kan de minister aangeven hoe de opsporing en handhaving van CITES-regelgeving op dit moment is vormgegeven op de luchthaven?

56 Kan de minister aangeven welke contractuele voorwaarden Dienst Regelingen verbindt aan de opvang van inbeslaggenomen dieren en hoe het toezicht op de naleving hiervan is vormgegeven?

57 Kan de minister aangeven of er nog steeds sprake is van samenwerking tussen Dienst Regelingen en de Stichting Nederlandse Opvang voor Pagegaaien? Zo ja, op welke wijze wordt het welzijn van de daar opgevangen dieren gegarandeerd, gezien de twijfel die bestaat over de kwaliteit van dit opvangcentrum?

58 Wat is het oordeel van de minister over het bezoekersaantal van de website van het LICG? Hoe verhoudt dit aantal zich volgens de minister tot het totale aantal eigenaren van gezelschapsdieren in Nederland?

59 Kan de minister aangeven wanneer een slachtapparaat daadwerkelijk beschikbaar is voor viskwekers en verwerkingsbedrijven, en waarom dit niet al op een eerder moment is gezien een uitspraak van een woordvoerder van het Productschap Vis in het programma Netwerk in augustus 2008 dat het apparaat binnen enkele maanden gebruiksklaar zou zijn?

60 Dodingmethode: Kan de minister aangeven of er reeds publicaties zijn verschenen over het project, de uitgevoerde proeven en waar deze publicaties te vinden zijn?

61 Kan de minister toezeggen dat ze, gezien de grote welzijnsproblemen die de vissen ondervinden die onbedwelmd worden gedood, snel overgaat op de verplichting van het gebruik van het slachtapparaat wanneer deze beschikbaar is?

62 Kan de minister toezeggen dat het slachtapparaat ook toepasbaar is voor tilapia, zodat ook deze vissoort bedwelmd kan worden gedood?

63 Kan de minister aangeven welke definitie zij hanteert voor duurzame kweek van vissen? Kan zij aangeven of, en zo ja op welke wijze dierenwelzijn daar ook een onderdeel van uitmaakt?

64 Zijn de duurzaamheidaspecten in de maatlat gekwantificeerd, bijvoorbeeld de score van een viskwekerij op duurzaamheid wanneer het energie- en waterverbruik onder een bepaald niveau blijft, en zo ja, wat is het ambitieniveau?

65 Is de minister bereid de maatlat dwingend voor te schrijven? Zo ja, op welke manier? Zo neen, welke stokken heeft zij dan achter de deur om uitvoering wel gerealiseerd te krijgen?

66 Is bij het onderzoek naar vissenwelzijn in kweekomstandigheden steeds de vijf vrijheden van Brambell, waaronder het recht van een dier op het vertonen van natuurlijk gedrag, uitgangspunt geweest? Zo ja, kan de minister aangeven hoe dit uitgangspunt vervolgens is vormgegeven en wordt gemeten in onderzoek?

67 kan de minister aangeven of er reeds publicaties zijn verschenen over het onderzoek naar dierenwelzijn in kweekomstandigheden, onderscheiden naar verschillende soorten vis, de uitgevoerde proeven en waar deze publicaties te vinden zijn?

68 Worden er, totdat er meer onderzoeksresultaten over vissenwelzijn zijn, beperkingen en voorwaarden opgelegd aan de kweekvissector waarin het waarschijnlijk wordt geacht dat deze het dierenwelzijn aantasten? Zo ja, op welke manier? Zo neen, waarom niet?

69 Wat zijn de plannen van de minister ten aanzien van de controle en handhaving van de eisen die gesteld worden aan de houderijcondities?

70 Wat zijn de ambities van de minister ten aanzien van het transport van levende vissen? Kan zij dit concreet maken: welk ongerief acht zij nog acceptabel – in bijvoorbeeld tijdsduur van het transport, haak nog in de bek, zoutbad -?

71 Kan de minister concreet aangeven welke selectieve visserijmethoden zij voorstaat bij haar ambitie om bijvangsten te verminderen als vervanging van de huidige visserijmethoden in de boomkorvisserij, garnalenvisserij, staand want visserij, pelagische vriestrawler visserij etc.? Welk percentage van vermindering van bijvangsten stelt zij als doel, en binnen welke termijn?

72 Kan de minister aangeven wat de vervolgstap is geweest op het rapport ‘Discards in de Nederlandse visserij’ dat naar aanleiding van Kamervragen in 2007 is opgesteld? Welke concrete stappen en resultaten heeft dit opgeleverd, bijv. ten aanzien van het verminderen van de bruinvis als bijvangst?

73 Op welke wijze is er de afgelopen jaren toegezien op de naleving van de gedragscode voor sportvisserij? Zijn hiervoor onafhankelijke experts ingeschakeld? Zo neen, waarom niet en wie hebben dan wel de controles uitgevoerd?

74 Staat het verbod op rallyvissen nog steeds op 2010 of wordt dit inmiddels vervroegd?

75 Kan de minister inzicht geven in het preventief en repressief medicijngebruik in de kweekvissector, bij de verschillende vissoorten en huisvestingsystemen?

76 Kan de minister inzicht geven in hoe vaak dierziekten uitbreken in kweekvisserijen, en welk percentage ‘uitval’ dit jaarlijks oplevert?

77 Wanneer wordt het actieplan visgezondheid aan de Kamer gestuurd?

78 Kan de minister een specificatie geven van de 200.000 bezoekers van de website van het LICG? Om hoeveel professionals, inhoudelijk betrokkenen en om hoeveel potentiële huisdierbezitters gaat het hierbij?

79 Is dit bezoekersaantal hoger of lager dan vooraf werd beoogd voor het eerste jaar?

80 Hoe is de minister voornemens de organisatiegraad van de dierenopvang, houders, verkopers en fokkers van gezelschapsdieren te bevorderen en de continuïteit en aanspreekbaarheid te waarborgen? Kan de minister bevestigen dat toezicht op dierenwelzijn onder deze omstandigheden vrijwel onmogelijk is? Zo neen, kan de minister dit toelichten?

81 Kan de minister aangeven wat de totale bijdrage van haar ministerie aan de Stichting Platform Verantwoord Huisdierbezit in de periode2006-2008 is geweest? Wat waren hierbij de gemaakte afspraken en zijn hierbij concrete doelen gesteld?

82 Op welke wijze zal het welzijn van dieren worden gegarandeerd bij vrijwillige certificering van fokkers, kennels, dierenwinkels, trimsalons en pensions? Hoe komt de minister aan zoveel vertrouwen in de goede bedoelingen van fokkers en in de helderheid en eenduidigheid naar mensen die een dier willen aanschaffen over het hebben van een certificaat en de meerwaarde hiervan?

83 Kan de minister aangeven waarom alleen voor honden een DNA-databank en een registratiesysteem voor erfelijke aandoeningen en gedragsafwijkingen wordt ingesteld en niet voor katten? Kan de minister een overzicht geven van de meest voorkomende erfelijke afwijkingen ten gevolge van de rasfokkerij bij katten?

84 Kan de minister aangeven op welke wijze de aangenomen motie Ouwehand c.s. (31700, nr. 108) over het inperken van de import van uitheemse diersoorten zal worden betrokken bij de besluitvorming over de positieflijst?

85 Is de minister bereid identificatie en registratie ook voor katten verplicht te stellen? Zo neen, waarom niet?

86 Op welke wijze zullen keurmeesters welzijnschadelijke raskenmerken als te korte neuzen, open oogleden en knikstaarten bestraffen?

87 Acht de minister het plan van aanpak van de Raad van Beheer en bijbehorende gedragscode voor keurmeesters voldoende in staat om de ernstige en dringende welzijnsproblemen bij rashonden aan te pakken? Zo ja, waar is dit op gebaseerd?

88 Hoeveel honden bevinden zich op dit moment nog bij een opslaghouder in het kader van de Regeling Agressieve Dieren?

89 Is het waar dat de honden die niet getest hoefden te worden, maar voor herplaatsing in aanmerking kwamen, niet gelijk in een dierenasiel zijn geplaatst voor herplaatsing? Zo ja, waarom? Zo neen, hoe wordt de plaatsing van deze honden dan vormgegeven? Wil de minster dit alsnog doen om deze honden die al maandenlang vast zitten een reële kans te geven op resocialisatie?

90 Hoeveel honden -uit de groep honden die voor mei 2008 in beslag is genomen- hebben na de risico-assessment een euthanasie-advies gekregen? Is het waar dat drie honden uit deze groep die een euthanasieadvies hebben gekregen na een risico-assessment inmiddels mogen herstellen bij Martin Gaus van de opgelopen trauma's door de lange inbeslagname en daarna nogmaals de test mogen doen? Is de minister bereid de andere honden dezelfde kans te geven? Zo neen waarom niet?

91 Klopt het dat de honden niet samen met de eigenaar zijn getest, waardoor de honden in een niet realistische setting zijn getest en de kans groot dat hun oordeel is geveld op basis van een verkeerd beeld dat is ontstaan van de honden? Kan de minister aangeven waarom niet is getracht de eigenaren bij de test te betrekken en hen commando's te laten geven en de hond te confronteren met alledaagse situaties?

92 Klopt het dat de honden in de test uitgelokt worden tot agressie door mensen vlak voor hun neus te laten vechten? Kan de minister aangeven waarom de honden in een dergelijke situatie geplaatst worden die voor iedere hond bedreigend is en door de baas makkelijk vermeden kan worden door er met de hond om heen te lopen?

93 Hoe wordt de 3 fte ingezet die bij de AID beschikbaar is gesteld voor de handhaving op het gebied van gezelschapsdieren? Is dit het gevolg van een uitbreiding, of een verschuiving binnen de AID?

94 Kan de minister toelichting geven op de vraagstelling op basis waarvan de RDA een advies gaat formuleren inzake de verantwoordelijkheid en rollen van de houder, de overheid en overige partijen ten aanzien van dierenwelzijn en diergezondheid?

95 Wat is de aanleiding geweest voor het vragen van dit advies aan de RDA?

96 Zal dit RDA-advies tevens de problematiek rondom verwilderde zwerfkatten beslaan?

97 Is de minister bereid ook voor vrijwillige medewerkers van dierenasielen een basiscursus te faciliteren? Zo neen, waarom niet?

98 Wanneer stuurt de minister het rapport naar aanleiding van de evaluatie van het dierentuinenbesluit naar de Kamer? Wat is de oorzaak van deze vertraging?

99 Welke definitie hanteert de minister van het begrip ‘performance dieren’? Druist het hanteren van deze benaming niet per definitie in tegen de intrinsieke waarden van deze dieren?

100 Kan de minister een nadere toelichting geven op het onderzoek dat is uitgezet om haar standpunt ten aanzien van de Europese Richtlijn nader te bepalen? Door wie wordt dit uitgevoerd, wat is de vraagstelling en welke stakeholders zijn en worden hier bij betrokken?
Is de minister bereid dit onderzoek aan de Kamer te sturen, tezamen met het uitgewerkte Nederlandse standpunt?

101 Kan de minister aangeven op welke wijze de hondenhandel via internet aangepakt wordt? Vindt de opsporing uitsluitend achter de computer plaats, of doen inspecteurs zich voor als potentiële kopers om de situatie bij de handelaren te controleren?

102 Zijn in de afgelopen vijf jaar handelaren vervolgd voor malafide hondenhandel via internet? Zo ja, hoeveel? Zo neen, waar komt dit door?

103 Acht de minister een vergroting van de handhavingscapaciteit op het gebied van handel in dieren, waaronder hondenhandel noodzakelijk? Zo neen, graag een toelichting.