Bijdrage Partij voor de Dieren debat Wets­voorstel ‘maat­re­gelen bestrijding voet­bal­van­da­lisme en ernstige overlast’


10 maart 2009

11 maart 2009

Mevrouw Ouwehand (PvdD):

Voorzitter. Bij verschillende collega's was er wat verbazing over de spreektijd die ik heb aangevraagd. Daarvan gingen mijn wenkbrauwen dan weer omhoog, want ik kan mij niet voorstellen dat je hiervan binnen tien minuten van af zou willen zijn.

Wederom schrijft een kabinet-Balkenende een beschamende bladzijde in de geschiedenis van onze rechtstaat. Wij bespreken vandaag het zoveelste pakket aan maatregelen die de grondrechten van burgers verder inperken ten gunste van het algemene veiligheidsgevoel. De laatste jaren, sinds 9-11, zijn vele nieuwe bevoegdheden in het leven geroepen waarmee de overheid overlastgevende groepen kan aanpakken en terroristische dreigingen kan bezweren. Ben je 14 jaar of ouder, dan moet je je in alle omstandigheden kunnen identificeren. Wij worden inmiddels overal gefilmd door bewakingscamera's. Er kunnen samenscholings- en verbiedsverboden worden opgelegd. Er wordt preventief gefouilleerd. Een recordaantal telefoontjes tussen burgers wordt afgetapt. In verschillende steden worden bovendien al "weekendarrangementen" aangeboden: drie nachten in de cel zodat je tijdens het uitgaan geen kwaad kunt uithalen.
Steeds vaker wordt de rechter in dit proces buitenspel gezet. Gemeenten mogen steeds meer om hun burgers in bedwang te houden, of zij zich nu schuldig hebben gemaakt aan strafbaar gedrag of niet. Het bezwaar daarvan is dat zorgvuldige en scherpe formuleringen van de criteria op basis waarvan een gemeente mag optreden en mag treden in de grondrechten van haar burgers, achterwege blijven. Daardoor is het nog maar de vraag of Nederland het Europees Verdrag voor de bescherming van de Rechten van de Mens niet overtreedt.

Staats- en bestuursrechtjuristen waarschuwden ons al: ongebreidelde uitbreiding van verschillende ordehandhavings- en veiligheidsbevoegdheden is een zichzelf versterkend proces. Toen het kabinet in 2006 zijn antiterreurwetgeving presenteerde, voorspelden kritische juristen dat het daar niet bij zou blijven. Naarmate er meer en ruimere bevoegdheden in het leven zijn geroepen, wordt de drempel steeds lager om nog meer bevoegdheden in het leven te roepen. De grens van wat rechtstatelijk aanvaardbaar is, wordt hoe dan ook genaderd. Dat wisten wij natuurlijk al: is dit niet het kabinet van de CDA'ers die menen dat het beter is om tien onschuldigen op te sluiten dan één schuldige vrijuit te laten gaan? Dit wordt de laatste tijd volop gesteund door PvdA'ers die menen dat zij hun spierballen moeten laten zien in de kennelijke behoefte om kiezers terug te winnen op rechts.

De voorspelling kwam uit. De Wet bestuurlijke maatregelen nationale veiligheid -- een nogal braaf naampje voor een ingrijpende wet die vergaande schendingen van burgerrechten mogelijk maakt -- is begin 2007 aangenomen door de Kamer. Direct klonk de roep om meer. Hoe ging dat ook alweer?

Jarenlang hebben de boerenbelangenpartijen in deze Kamer zich alle mogelijke middelen getroost om de mensen die opkomen voor dieren, in een kwaad daglicht te stellen. Dierenrechtenactivisten -- mensen die hun vrijheid van meningsuiting gebruiken om de samenleving iets te vertellen over de manier waarop zij omgaat met haar dieren -- zijn structureel afgeschilderd als staatsgevaarlijke terroristen. Ik zie de heer Çörüz instemmend knikken. Het waren allemaal voorbereidende handelingen voor het grotere plan. De inkt van de vers ingevoerde antiterreurwetgeving was nog niet droog, of er lag al een motie waarin de regering werd verzocht om voorstellen te doen om de mogelijkheden van die wet in te zetten tegen radicale dierenrechtenactivisten; ingediend door de fractie van het CDA, warm gesteund door de fracties van de SGP, de ChristenUnie, de VVD, de PVV en zelfs de SP.

Laat er geen misverstand over bestaan: de Partij voor de Dieren wijst illegale acties categorisch af. Het verzet tegen de massale uitbuiting en mishandeling van dieren in Nederland moet zich afspelen binnen de grenzen van onze democratische rechtstaat. Wie die grenzen niet respecteert, moet worden vervolgd. Daarvoor hebben wij het Wetboek van Strafrecht. Bedreiging en brandstichting zijn verboden in Nederland. Daar staan terecht gevangenisstraffen op. Wat de Partij voor de Dieren te ver gaat, is het steeds verder inperken van burgerrechten onder het mom van allerlei angstscenario's. Wie in een dieselauto rijdt, drager is van de naam Mohammed, een zakje kunstmest wil kopen en op internet opzoekt waar je in de omgeving van Den Haag een beetje leuk kunt wandelen, moet zich tegenwoordig ernstig afvragen of dat nog wel zo'n goed idee is.

De heer Çörüz (CDA):

Laten wij nog even teruggaan naar die lieve dierenrechtenactivisten van de PvdD. In mijn eerste termijn confronteerde mevrouw Ouwehand mij met het AIVD-rapport. Ik heb het er maar even bij gepakt. Volgens haar zouden er heel romantische bewoordingen in staan, maar ik zal haar even uit de droom helpen. Met permissie, voorzitter, wil ik drie regels voorlezen uit het rapport Dierenactivisme in Nederland, springplank voor Europa van 15 juni 2007, opdat mevrouw Ouwehand het even kan lezen.

"Een klein deel van de dierenactivisten tracht op heimelijke wijze en met gewelddadige middelen het beleid en de praktijk op het terrein van dierenwelzijn te veranderen. Analoog aan en onder invloed van de situatie in het Verenigd Koninkrijk schuift deze kleine kern van radicale dierenactivisten met tegen mensen gericht geweld gevaarlijk op naar de grens van wat beschouwd moet worden als terrorisme." Dit kan mevrouw Ouwehand toch in haar zak steken, in die zin dat zij net het beeld schetste van een beetje dierenactivisme, een beetje romantisch. Dat is dus absoluut niet de realiteit. Mensen mogen demonstreren conform de regels en de spelregels die wij hebben. Wat ik mevrouw Ouwehand in eerste termijn probeerde voor te houden, wuifde zij toch een beetje weg met het argument van de AIVD, maar laatstgenoemde zegt toch echt iets anders over die dierenactivisten.

Mevrouw Ouwehand (PvdD):

Ik ben blij dat de heer de heer Çörüz de rapporten van de AIVD bij nader inzien toch serieus neemt. Ik heb niet gesproken over de constatering van de AIVD dat individuen die opkomen voor de rechten van dieren, in zekere gevallen over de grenzen van de wet gaan. Dat keuren wij structureel af. Die mensen moeten worden opgespoord, opgepakt en vervolgd. Ik heb gevraagd naar de aanbevelingen van de AIVD. In het rapport waarvan de heer Çörüz kennelijk alleen de pagina's heeft geprint waarin staat hoe erg het allemaal is, staat ook dat, als de aanbevelingen in het evaluatierapport van de Wet op de dierproeven, waarin de beslotenheid is vastgelegd waar ik de heer Çörüz op heb gewezen, niet worden geïmplementeerd, dit naar de mening van de AIVD kan leiden tot verdere verharding van de standpunten en tot radicalisering van het vigerende dierenrechtenactivisme. Op welke wijze neemt de heer Çörüz die constatering van de AIVD serieus en op welke manier werken wij ook eens aan de voedingsbodem?

De heer Çörüz (CDA):

Wat wil mevrouw Ouwehand eigenlijk duidelijk maken? Mensen, dus ook dierenrechtenactivisten, kunnen in Nederland gewoon vrij demonstreren. Dat recht heeft eenieder, ook dierenrechtenactivisten. In mijn optiek maakt mevrouw Ouwehand er een heel romantisch beeld van. Daarvan is absoluut geen sprake. Dat blijkt uit de tekst die ik zojuist citeerde. Wat is het probleem van mevrouw Ouwehand? Zij houdt een tirade tegenover het kabinet, de CDA-fractie en anderen over het inperken van allerlei grondrechten en dat soort zaken. Dan moet zij ook stoer zijn. Ik zou zeggen: "Stap naar het EHRM, of naar een andere rechtbank." Mevrouw Ouwehand zegt immers dat haar rechten worden ingeperkt. Dan moet zij ook stoer en stevig zijn en een rechte rug hebben. Dan moet zij man en paard noemen. Als het EVRM wordt geschonden, kan zij naar het EHRM. De stap naar Luxemburg is niet zo ver.

Mevrouw Ouwehand (PvdD):

Dat is erg flauw van de CDA-fractie, maar ik ben het wel van haar gewend. Ik heb aangegeven dat de vraag is of Nederland het EVRM niet overtreedt. Dat zijn niet mijn eigen bedenksels. Dat zijn die van hooggeleerde bestuurs- en strafrechters. De CDA-fractie wil kennelijk niet horen dat de PvdD-fractie vindt dat dierenrechtenactivisten die de grenzen van de wet overtreden, moeten kunnen worden aangepakt. Mijn geklaag heeft betrekking op het feit dat de hele beweging die opkomt voor dieren, op deze manier monddood wordt gemaakt. De heer Çörüz zegt wel dat je gewoon kunt demonstreren, maar met vage definities en omschrijvingen maakt het kabinet niet duidelijk wanneer sprake is van overlast en wanneer niet. Zodoende bestaat het gevaar dat iemand die gebruik wil maken van zijn recht op vrijheid van meningsuiting, helemaal niet mag demonstreren, maar dat hij zich gewoon moet melden op het politiebureau. Dan moet hij daar een middagje gaan zitten, omdat het in de handen drukken van folders over waar bijvoorbeeld bont vandaan komt, als intimiderend gedrag kan worden ervaren. Ik hoorde de heer Çörüz daarover geen enkele waarborg uiten in zijn bijdrage. Dat zag ik ook niet in zijn optreden voor de Kamer. Hij kan wel doen alsof die gevaren niet bestaan, maar dan kijkt hij echt de andere kant op.

De heer Çörüz (CDA):

Wat is de realiteit? Elk individu of groepering in vereniging die wil demonstreren, moet zich aan de regels houden. Daarvoor bestaan lokale regels. Als een verzoek om te demonstreren wordt afgewezen, kan betrokkene daartegen bezwaar maken of in beroep gaan. Wat is het probleem waar mevrouw Ouwehand tegenaan loopt? Ik ben echt blij dat zij afstand neemt van dierenextremisme, maar wat is het probleem waartegen zij aanloopt?

Mevrouw Ouwehand (PvdD):

Het probleem is dat er een klimaat is geschapen waarin dierenrechtenactivisten op voorhand als gevaarlijke mensen worden gezien. Als zij demonstreren en daarbij hun stem gebruiken -- die is misschien harder dan gebruikelijk -- kan dat als overlastveroorzakend gedrag worden gezien. Er zijn geen waarborgen om ervoor te zorgen dat gedrag dat in feite geen overlast is, maar dat wel als zodanig wordt gezien en ervaren, in Nederland volop de ruimte krijgt. Die ruimte wordt juist beperkt.

De oorzaak daarvan is onder andere het feit dat dierenrechtenactivisme structureel als staatsgevaarlijk wordt bestempeld, volledig ten onrechte. Het kabinet heeft dat laatste gelukkig sinds kort toegegeven.

Ik heb gewezen op de toch al discutabele terrorismewetgeving. Niet alleen de Partij voor de Dieren maakt zich daar zorgen over, maar verschillende staatsrechtgeleerden ook. Wanneer die wordt ingezet tegen mensen die formeel niet eens als potentiële terroristen worden gedefinieerd, is het hek letterlijk van de dam.

Als het aan de coalitie ligt, gesteund door de usual suspects op rechts en de SP op links, kan iemand die folders wil uitdelen met informatie over de herkomst van bontkraagjes straks wellicht zijn vrije tijd doorbrengen op het politiebureau. Dat gebeurt alleen doordat zijn actie, zonder toetsing door de rechter, kan worden aangemerkt als overlastgevend of ordeverstorend gedrag. Op welke gronden gebeurt dat dan en op basis van welke criteria?
Natuurlijk, bontliefhebbers kunnen zich ergeren aan een demonstratie of een flyeractie op straat en de winkeliers zullen die zeker als overlast bestempelen, maar is zo'n actie dat ook? Is het ongenoegen van winkeliers basis voor het inperken van burgerrechten als het recht op demonstratie en het recht op vrijheid van meningsuiting?

Onze rechtsstaat kent reeds ruime bevoegdheden, zowel straf- als bestuursrechterlijk, om wetsovertreders aan te pakken. Of die bevoegdheden goed zijn benut en wat de effecten daarvan zijn geweest, is niet goed in kaart gebracht. Het kabinet heeft ook niet onderzocht wat het gevolg is van de stapeling van bevoegdheden voor de rechtsbescherming van de burger. Toch wordt nu alweer een verdere oprekking van ons staatsrecht voorgesteld.

De fundamenten van onze rechtsstaat worden uitgehold. De beginselen zijn helder: in een rechtsstaat ben je onschuldig totdat het tegendeel bewezen is. Ik mag toch hopen dat iedereen weet waarom dat het geval is en dat ik die beginselen hier niet hoef te verdedigen. Als ik kijk naar de stelselmatige stigmatisering van mensen die vreedzaam opkomen voor dieren, fel verwoord door verschillende van mijn collega-volksvertegenwoordigers en ook door het kabinet, bekruipt mij het gevoel dat wij de bescherming van onschuldige burgers tegen de macht van de staat niet meer zo belangrijk achten. Dierenrechtenactivisten zijn zonder pardon in de verdachtenbank gezet, met zijn allen, en op een eerlijk proces hoeven zij niet te rekenen.

Ik noem een voorbeeld, mijnheer Çörüz. Nederland tegen terrorisme, dat was zo'n fijne multimediacampagne van de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding onder de verantwoordelijkheid van dit kabinet. In deze campagne worden mensen met extreme ideeën over dierenrechten in verband gebracht met terrorisme, terwijl het kabinet op het formele standpunt staat dat dierenrechtenactivisme geen terrorisme is. De campagne op de televisie en de radio is inmiddels afgelopen, maar loopt nog wel op internet. Zelfs in lespakketten voor scholieren wordt welbewust de suggestie gewekt dat iemand die nogal radicale opvattingen heeft over de rechten van het dier wel eens een terrorist zou kunnen zijn.

Wat zijn extreme ideeën over dierenrechten en wat is een radicale dierenrechtenactivist? Mijn eigen opvattingen over de positie van dieren worden door mijn collega's in de commissie voor LNV doorgaans niet als erg gematigd beschouwd. De volksvertegenwoordigers van de Partij voor de Dieren pleiten voor niets minder dan afschaffing van de bio-industrie. Wij willen de geperfectioneerde vermeerderingsindustrie die wij de intensieve veehouderij noemen op een zo kort mogelijke termijn vervangen door een op duurzaamheid en draagkracht gebaseerde landbouw waarin dieren als levende wezens worden behandeld in plaats van als machines waarin je naar hartenlust kunt prikken en snijden om de productie tegen zo laag mogelijke kosten op te voeren.

Voorzitter, dat klinkt u vast alleszins redelijk in de oren, maar ik kan u vertellen dat binnen het CDA onze opvattingen als buitengewoon radicaal worden beschouwd. Men hapt soms naar adem als wij aan het woord zijn, wat ik wel weer grappig vind. De vraag is of wij met onze opvattingen potentiële terroristen zijn. Hoe zit het met de activisten buiten het parlement? In de ogen van de gemiddelde vleeseter is een veganist -- dat is iemand die zich afzijdig houdt van alle dierlijke producten -- al snel extreem in zijn opvattingen over de rechten van dieren. Is iemand die om principiële redenen geen wollen truien koopt een bedreiging voor onze samenleving?

Wij hebben het kabinet meermalen gevraagd een einde te maken aan de onnodige demonisering van de dierenrechtenbeweging. De spotjes zijn niet teruggetrokken, maar het kabinet heeft wel toegegeven dat het overgrote deel van de legale acties van dierenrechtenactivisten ten onrechte op een hoop is gegooid met illegale acties en dat dit stigmatiserend kan werken. Ik ben bang dat ik moet concluderen dat de regering het nog steeds niet snapt. Op onze vraag welke definities het kabinet hanteert, is het antwoord dat de term "dierenrechtenactivisme" legale acties betreft en de term "dierenrechtenextremisme" de illegale acties betreft waarbij bewust de grenzen van de wet worden overtreden.

Ik vind dat onderscheid ongepast. Extremisme is namelijk net zomin strafbaar als activisme. Of iemand extreme gedachten heeft of zich extreem gedraagt, is niet objectief af te meten. Dat is afhankelijk van de positie van de ander die het oordeel moet vellen. Veel mensen zijn bang, of bang gemaakt, voor extremisme. Daarvoor hebben de conservatieven in onze Kamer keurig gezorgd. Er is echter niets kwalijks aan extreme of radicale opvattingen op zichzelf. Het onderscheid zou, naar het oordeel van mijn fractie, moeten liggen bij het veel beter meetbare verschil tussen legaal en illegaal activisme. Wordt de wet overtreden of niet? "Gewelddadig activisme", "illegaal activisme" desnoods, zijn de juiste termen waarmee je de goeden van de kwaden kunt onderscheiden. Graag krijg ik hierop een reactie van het kabinet. Wij hebben naar deze definitiekwestie gevraagd om het debat van vandaag ordentelijk te kunnen voeren.

Het kabinet slaat niet alleen de plank mis bij de definitiekwestie. Minstens zo wanstaltig vond mijn fractie het voornemen van minister Ter Horst om dierenbeschermingsorganisaties een contract voor te leggen waarin ze afstand nemen van geweld en wetsovertreding. Dat gebeurt nota bene onder het dreigement dat wie het contract niet ondertekent, extra scherp in de gaten wordt gehouden. Aan welke staatsvorm denkt het kabinet zijn mandaat om ons land te besturen eigenlijk te danken te hebben? Wat bedoelt de minister met "extra scherp in de gaten houden"? Moeten we uitzien naar miljoenen telefoontaps bij al die mensen die het werk van de Dierenbescherming, Wakker Dier of Stichting AAP een warm hart toedragen? De laatste maal dat er sprake was van een verplicht ondertekenen van een contract om bepaalde bezigheden te mogen uitoefenen, was onder de Duitse bezetter, zo mag ik misschien in de herinnering roepen. In dit bedenksel van Joseph Goebbels konden kunstenaars en schrijvers hun beroep niet meer uitoefenen als zij dat contract niet ondertekenden.

Minister Ter Horst lijkt te kiezen voor een omkering van de bewijslast, en daar maken wij grote bezwaren tegen. Omdat er enkele dierenrechtenactivisten zijn die de wet overtreden en van wie de identiteit en achtergrond misschien niet altijd helder zijn, wil de minister iedere dierenbeschermer die geen plechtige beloftes aan haar wil doen, in de gaten houden. Dat doet sterk denken aan een politiestaat, en geeft blijk van een wel zeer selectieve verontwaardiging.

De heer De Wit (SP):

Ik ben hier niet om het kabinet te verdedigen, maar vergelijkt mevrouw Ouwehand de voorstellen van de minister van BZK over het ondertekenen van die contracten of verklaringen nu met de praktijken van Goebbels? Dat gaat mij in ieder geval te ver.

Mevrouw Ouwehand (PvdD):

Het is een vergelijking die inderdaad wel wat ver gaat, dat geef ik meteen toe. Maar ik moet zeggen dat me een erg onaangenaam gevoel bekroop toen ik de minister hoorde zeggen dat de dierenbeschermingsorganisaties die het contract niet zouden ondertekenen, extra scherp in de gaten zouden worden gehouden. Ik vraag me af welke richting we inslaan, laat ik het dan maar zo zeggen. Ik denk niet dat dit kabinet afstevent op een koers die onder de Duitse bezetter is gevaren, maar erg vervelend vind ik de koers wel.

De heer De Wit (SP):

Dan zou het u sieren als u dat zou terugnemen. Mij gaat het in ieder geval te ver.

Mevrouw Ouwehand (PvdD):

Ik denk dat het goed is als ik dat doe, want de suggestie die gewekt wordt, is wat sterk. Ik wil dat graag terugnemen omdat dat mijn bedoeling niet is geweest.

De heer De Wit (SP):

Daarnaast zou ik van de gelegenheid gebruik willen maken om even terug te gaan in het verhaal van mevrouw Ouwehand, namelijk naar het punt waar zij de SP verwijt dat het uitdelen van een folder naar de mening van de SP gelijk zou staan met het veroorzaken van overlast. Zij suggereerde dat wij zo'n gelijkstelling zouden bepleiten. Het tegendeel is echter het geval. Van deze uitspraak neem ik eveneens afstand. Ik heb afgelopen zaterdag nog in het centrum van mijn woonplaats handtekeningen opgehaald tegen de verkoop van Essent, een heel ander onderwerp, en de mensen hebben dat geenszins als overlast ervaren. Sterker nog, men staat te dringen om de handtekening te zetten. Laat staan dat ik het uitdelen van een folder zou beschouwen als het veroorzaken van overlast en zou bepleiten dat dat verboden zou moeten worden. Dat kan mevrouw Ouwehand niet volhouden. Zo is de SP niet.

Mevrouw Ouwehand (PvdD):

Dat begrijp ik. Ik heb gezegd dat de SP de motie heeft gesteund waarin gevraagd werd om de antiterreurwet in te zetten tegen dierenrechtenactivisme. Ik denk ook niet dat we vandaag in de Kamer mensen kunnen aanwijzen die vinden dat een demonstratie op voorhand onschadelijk moet worden gemaakt. Wel wijs ik op de gevaren. We creëren nu die bevoegdheden. We zien in de samenleving een steeds verdere afname van de tolerantie voor mensen die er een andere gedachtegang op na houden. We zien dat grote groepen mensen als staatsgevaarlijk worden aangemerkt en dat mensen bang worden gemaakt voor dierenrechtenactivisme. Het gevolg daarvan zou gemakkelijk kunnen zijn dat in een nogal conservatieve gemeente -- ik ben in zo'n gemeente opgegroeid; ik weet dus best hoe dat werkt -- zo'n demonstratie al snel als overlast wordt bestempeld en dat mensen gewoon niet toekomen aan het uitdelen van folders op die plek.

De heer De Wit (SP):
Voorzitter. Ik zou dan dus vervolgens afstand willen nemen van wat mevrouw Ouwehand nu ook weer herhaalt en wat zij heel lang geleden al gezegd heeft, namelijk dat de SP-fractie, door te stemmen voor die motie waarover mevrouw Ouwehand spreekt, zou bepleiten dat het inzetten van terrorismemaatregelen ten aanzien van dierenrechtenactivisten. Door het ondersteunen van die motie heeft de SP-fractie dat niet gedaan, want de motie vroeg alleen te onderzoeken of de gebruikte methode, bijvoorbeeld het hanteren van de aanwijzing of van andere mogelijkheden, zou kunnen worden gebruikt bij het aanpakken van dierenrechtenactivisten. Dat is echter niet het bepleiten van een één-op-één toepassing van terrorismemaatregelen ten aanzien van dierenrechtenactivisme. Mevrouw Ouwehand kan dat niet uit die motie afleiden -- het staat er niet in -- maar daarom hebben wij wel die motie ondersteund.

Mevrouw Ouwehand (PvdD):

Er zitten wellicht wat gradaties in de toepassing, maar de motie vroeg toch echt om de toepassing van de mogelijkheden van de antiterreurwetgeving. Het was een onderzoek, maar u bent vandaag wel voor de uitkomst daarvan. Ik moet zeggen dat me dat van de SP-fractie wel tegenvalt.

De heer De Wit (SP):

Ik snap het niet. In dit wetsvoorstel worden twee plannen gemaakt: ten eerste een bevel van de burgemeester en ten tweede een gedragsaanwijzing door de officier van justitie. Die zaken staan helemaal niet in de terrorismewetgeving. Die zijn daar helemaal niet in terug te vinden. Die wetgeving gaat over heel andere dingen.

Het gaat vandaag om ordemaatregelen voor, wat de officier van justitie betreft, het ene strafbare feit en de beoordeling door de rechter en, wat de burgemeester betreft, om in te kunnen grijpen in een situatie van ernstige verstoring van de openbare orde. Dat heeft in eerste instantie niets te maken met terrorisme, maar gaat gewoon om het kunnen optreden teneinde in het belang van de openbare orde een aantal zaken te kunnen regelen. Daar gaat het om.

Mevrouw Ouwehand (PvdD):
Voorzitter. Ik ben bang dat wij hierover van mening blijven verschillen. De strekking van mijn verhaal -- ik ben daar ook mee begonnen -- was dat staats- en bestuursrechtjuristen mijn fractie hebben gewezen op het punt dat als wij eenmaal over die drempel zijn, wat wij destijds hebben gedaan met de antiterreurwetgeving, de roep om verruiming en toevoeging van nog meer bevoegdheden steeds groter wordt. Ik ben het met de heer De Wit eens dat het nu voorliggende wetsvoorstel is geen één-op-één vertaling van die antiterreurwetgeving is. Het ligt echter wel degelijk in diezelfde lijn. Zo heb ik mijn kritiek bedoeld.

Heeft het kabinet wel voldoende kunnen aantonen dat deze maatregelen nu noodzakelijk zijn? De Raad van State wijst ook op dit punt. Er liggen nog vragen voor over de openbareordeportefeuille van de burgemeester. Die belangrijke vragen liggen nog voor en ik vind het jammer dat de SP-fractie die kennelijk dan toch niet belangrijk genoeg acht om zich tegen dit wetsvoorstel te keren. Dus voor de volledigheid: zo beoordeel ik de inzet van de heer De Wit hier.

De heer De Wit (SP):
Voorzitter. Mijn fractie heeft in de schriftelijke ronde, en ook vandaag, die vraag zelf expliciet aan de orde gesteld. Mevrouw Ouwehand moet er dus nu niet mee aankomen dat mijn fractie niet onderzoekt of de bestaande wetgeving voldoende is. Mijn eerste interruptie ging daar al over. De SP-fractie onderzoekt dus inderdaad bestaande maatregelen; deze moeten veel meer worden toegepast dan meteen maar zoeken naar iets nieuws, terwijl het oude niet wordt toegepast. Mevrouw Ouwehand kan mijn fractie dat verwijt dus ook niet maken. Wij beoordelen de inhoud van dit wetsvoorstel nadat wij hebben gehoord wat de bewindslieden zeggen. Wij hebben op voorhand nog niet voor- of tegengestemd.

Mevrouw Ouwehand (PvdD):

Dat is waar. Dat moet ik de heer De Wit nageven. Ik kreeg sterk de indruk dat de SP-fractie geneigd was om voor het wetsvoorstel te stemmen, maar dat kan ik inderdaad nog niet weten. Het debat is nog niet klaar en de stemmingen zijn ook nog niet aan de orde. Op het moment van de stemmingen zal ik dus hoopvol ter rechterzijde van mij kijken hoe de handjes zullen gaan.

De voorzitter:

En ik kijk een beetje hoopvol naar u. Hoe ver bent u?

Mevrouw Ouwehand (PvdD):

Ik ga al wel een beetje opschieten, geloof ik.

De voorzitter:

Zo te zien, is er nog geen sprake van afronden.

Mevrouw Ouwehand (PvdD):

Ik heb nog wel het een ander te zeggen, dus dat doe ik dan maar.

De voorzitter:

Ga uw gang.

Mevrouw Ouwehand (PvdD):

Ik heb al stilgestaan bij de manier waarop het werkt: eenmaal die drempel over om die maatregelen af te kondigen, wordt het steeds makkelijker om die bevoegdheden te verruimen en er nieuwe bovenop te zetten. Het wordt extra makkelijk gemaakt als er een sfeertje wordt gecreëerd waarin mensen worden bang gemaakt voor dierenrechtenactivisten, maar ook voor jongeren die zich op straat in groepjes ophouden. Nogmaals, er zitten mensen tussen die zowel willen opkomen voor de rechten van dieren als die de wet overtreden. De PvdD-fractie vindt dat wij moeten daartegen optreden, maar het gaat ons echt veel en veel te ver om categorisch hele groepen mensen aan te duiden als gevaarlijk, waar je bang voor moet zijn en waar je generieke maatregelen op zou moeten loslaten, omdat je vreest dat ze anders weleens de openbare orde zouden kunnen gaan verstoren.

De vraag die voorligt, is of het kabinet de noodzaak heeft kunnen aantonen om nieuwe bevoegdheden toe te voegen voor de handhaving van de openbare orde. De Raad van State heeft het al gezegd, het is nogal kort door de bocht. Uit het onderzoek dat het kabinet zelf heeft laten uitvoeren in het kader van dit wetsvoorstel, blijken duidelijke conclusies die kennelijk door het kabinet anders worden gelezen. Ik heb gezien dat er heel duidelijk een beeld naar voren komt van grote onduidelijkheid bij burgemeesters over de mogelijkheden en reikwijdte van de reeds bestaande maatregelen. Zelfs juristen en handhavers zien door de bomen het bos niet meer. Het kabinet heeft gezegd dat het daaraan tegemoetkomt, maar intussen wordt dit wetsvoorstel wel door de Kamer geloodst als wij niet opletten. Is het niet veel beter om dat onderzoek af te wachten, om te kijken wat de bestaande mogelijkheden zijn, of die voldoende benut worden en of er efficiënt gebruik van wordt gemaakt?

De visie van de VNG op de openbare-ordeportefeuille zou wat mijn fractie betreft ook zeker moeten worden afgewacht voordat wij de voorstellen die nu op tafel liggen in ijzer en beton gieten. Om even te reageren op de manier waarop het kabinet het onderzoek leest: er is een duidelijk aanwijsbare trend dat bij acute veiligheidsproblemen snel de roep om nieuwe bevoegdheden ontstaat, in plaats van een gedegen gebruik van bestaande bevoegdheden. Angst, indrukken en veronderstellingen dreigen de uitgangspunten te vormen van beleid, met repressie als gevolg. Dit is een vicieus cirkeltje waar mijn fractie afstand van neemt. Wij willen dat doorbreken. Eerst analyses, eerst kijken wat de bevoegdheden zijn, of deze goed worden toegepast, waar onduidelijkheid over bestaat, hoe die opgelost kan worden. Eerst de effecten in kaart brengen, en dan pas nadenken over een eventuele verruiming, stap voor stap.

Ook voor hangjongeren lijkt alle tolerantie verdwenen. Ik hecht eraan, professor Micha de Winter te citeren: de hangjeugd lijkt de vijand te zijn geworden. Micha de Winter zegt dat in reactie op een RMO-rapport waarin het beeld wordt geschetst dat jongeren in de publieke ruimte zijn in te delen in drie categorieën: hinderlijke jeugdgroepen, overlastgevende jeugdgroepen en criminele jeugdgroepen. Hij zegt dit interessant te vinden, omdat het basisniveau voor jongeren dus kennelijk "hinderlijk" is en het daarna alleen maar erger wordt. Voor gewone jongeren, die met elkaar kletsen op de straat of het plein, die veel lol met elkaar hebben, lekker aan het flirten zijn, tegen een bal trappen of stoer doen met hun scooters hebben wij geen begrip, of nee, geen categorie, zegt Micha de Winter.

Kijk eerst eens goed naar wat al mogelijk is. Nieuwe bevoegdheden zijn niet altijd een panacee, luidde een van de opmerkingen in het onderzoeksrapport Bestuur, recht en veiligheid. Het kabinet geeft aan, tegemoet te willen komen aan die wens, maar zet tegelijkertijd onverminderd in op het verruimen van de bevoegdheden. Ook acht het kabinet het niet nodig om te wachten op het uitbrengen van de kabinetsvisie op de openbare-ordeportefeuille van de burgemeester. Kortom, ik krijg graag een nadere onderbouwing van de noodzaak die in de ogen van mijn fractie onvoldoende is aangetoond.

Dan kom ik op de steeds verdergaande inbreuk op de grondrechten. Als je maatregelen neemt op dit gebied, moet er een zeer zorgvuldige analyse worden gemaakt van de impact van die inbreuk op iemands persoonlijke vrijheden. Hier is iedereen het wel over eens, ook het kabinet. Daarbij wordt echter geen rekening gehouden met de cumulatieve effecten van het combineren van vrijheidsbeperkende maatregelen. Het kabinet zegt dat het dat wil overlaten aan het bevoegd gezag, het bevoegd bestuursorgaan. Decentralisatie, dus. Mijn fractie maakt zich daar ernstig zorgen over. In een eerder interruptiedebat met de heer de Wit werd al duidelijk dat veel gemeenten behoorlijk onder druk staan van mensen die de overlast als ernstig ervaren. Repressie ligt dan eerder voor de hand dan een zorgvuldige afweging van de cumulatieve effecten van vrijheidsbeperkende maatregelen. Aangezien het om de bewaking van fundamentele mensenrechten gaat, wil ik meer waarborgen zien. Ik ben benieuwd hoe het kabinet daarop reageert.

Wanneer iemand namelijk te maken krijgt met een verbod om bepaalde favoriete plekken te bezoeken, niet met meer dan twee vrienden tegelijk kan afspreken in het openbaar, zich dagelijks moet melden bij het lokale politiebureau en zich daarnaast preventief moet laten fouilleren iedere keer dat hij zich in zijn eigen woonwijk begeeft, wordt het verschil met een gevangenisstraf steeds kleiner, behalve dan het feit dat er in het eerste geval geen veroordeling of vervolging heeft plaatsgevonden. Er bestaat slechts de verdenking of het gevoel dat deze persoon hinderlijk aanwezig is. Is de minister bereid om een analyse te laten uitvoeren naar de impact en proportionaliteit van gecombineerde vrijheidsbeperkende maatregelen? Kunnen wij zo'n onderzoek op korte termijn terugzien?

Hetzelfde probleem zien wij bij de willekeur die wordt gecreëerd met verschillende APV's. Er lijkt meer ruimte te komen en het gevaar van rechtsongelijkheid ligt steeds meer op de loer. Hoe weet een burger die geacht wordt de wet te kennen, wat wel en niet is toegestaan bij bezoek aan vrienden in een andere stad? Hoe wordt voorkomen dat een stad verandert in een politiestaat en de ervaren problemen doorschuift naar een aangrenzende gemeente met een tolerantere houding? Ook hierbij maakt het kabinet zich er wel gemakkelijk vanaf. Gemeenten hebben te kampen met verschillende situaties. Dat vergt maatwerk, maar ik krijg op dit punt graag een aanvullende reactie van het kabinet.

Voorzitter:
Boelhouwer

Mevrouw Ouwehand (PvdD):

Voorzitter. Wat mij verbaast, ook in de brief die wij voorafgaand aan dit debat van het kabinet hebben ontvangen, is hoe het kabinet aankijkt tegen de aanbevelingen van de AIVD. De bijzondere situatie bestaat dat ten aanzien van dierproeven, waaraan het grootste deel van het illegale dierenrechtenactivisme gelinkt kan worden -- zo blijkt uit rapporten -- de wet niet door de rechter kan worden getoetst. Als de AIVD keer op keer zegt "dat komt het klimaat niet ten goede", dan vraag ik mij echt af waarom het kabinet die aanbeveling niet oppakt.

Voorzitter, omwille van de tijd sla ik een aantal dingen over.

Ten aanzien van de hangjongeren stel ik een vraag over de conclusie van de politiechef in het Amsterdamse stadsdeel Slotervaart dat de aanpak daar te rigide is. De hanggroep wordt daar scherp in de gaten gehouden, maar de politiechef zegt nu toch ook dat er onschuldige jongens worden geslachtofferd. Wat kunnen wij verwachten als dit wetsvoorstel wordt aangenomen, in het licht van de signalen die nu uit de praktijk komen dat wij eigenlijk al te veel hebben, te hard optreden en dat averechtse effecten te verwachten zijn?

Mijn laatste opmerking betreft de brief die het kabinet voorafgaand aan het debat heeft gestuurd over de manier waarop het denkt de voedingsbodem voor gewelddadig dierenrechtenactivisme weg te nemen. Daaruit spreekt een erg voldane houding. Het kabinet is van mening dat het voldoende doet om de discussie over dierproeven vlot te trekken. Ik heb daarover een structureel andere mening. Ik wil dat het kabinet mijn opmerkingen over de AIVD en over openheid serieus neemt. Als het kabinet verwijst naar maatregelen die in Engeland getroffen worden tegen het dierenrechtenactivisme, dan zou het het kabinet ook sieren om eens te kijken naar de budgetten die in Engeland beschikbaar worden gesteld voor de ontwikkeling van alternatieven. Dan kan het kabinet de stelling niet volhouden dat in Nederland veel wordt gedaan op dat gebied.

Voorzitter, ik hoop dat ik u een beetje tegemoet ben gekomen in de tijd. Oh, ik zie dat inmiddels een andere voorzitter heeft plaatsgenomen. In dat geval had ik nog wel even door kunnen gaan. Ik wil het hier dan toch maar bij laten!

De voorzitter:

Dank u wel, mevrouw Ouwehand.

Voorzitter:
Verbeet