Bijdrage Wassenberg aan begroting Landbouw, Natuur en Voed­sel­kwa­liteit


6 december 2022

Dank, voorzitter. Mevrouw Vestering eindigde met de jacht. Ik ga het ook over de jacht hebben. Dat is een cliffhanger. Het is nu 23.00 uur, dus ik moet het wel een beetje spannend houden. De jacht komt dus ook in mijn verhaal voor, maar dan gaat het over de Koninklijke jacht, met een hoofdletter K. Dus het wordt spannend.

Voorzitter, ik ga het hebben over de dieren buiten de veehouderij. Ik begin met proefdieren. Ruim een halfjaar geleden sprak de Kamer met de voorganger van deze minister over dierproeven. Dat was een heel goed debat. De Kamer trok echt één lijn: we moeten nu stappen zetten om dierproeven te verminderen. De minister ging daar ook in mee. Ik ga dat debat niet overdoen, maar omdat de minister nieuw is op dit onderwerp, wil ik er toch iets over zeggen, ook om te voorkomen dat we elk debat weer bij af moeten beginnen. Dat is iets wat eigenlijk veel te vaak gebeurt. Te vaak zagen we dat een debat over dierproeven een herhaling was van het vorige debat. Alle woordvoerders zeiden dan hoe belangrijk het was om het aantal dierproeven te verminderen. Alle woordvoerders constateerden vervolgens dat het aantal dierproeven niet of nauwelijks was gedaald en soms zelfs was gestegen. Alle woordvoerders verzuchtten dan dat het heel spijtig was en dat er echt iets moest gebeuren; punt. Een jaar later gebeurde dan precies hetzelfde. Het was echt om wanhopig van de woorden. De heer Graus — hij zit er nu niet — zei bij het laatste debat hierover dat de standpunten al vijftien jaar herhaald worden en dat er verder helemaal niks gebeurt. Ik deel zijn frustratie, maar bij het laatste debat ging het wel anders. De Kamer was eensgezinder dan ooit in de wil om deze kabinetsperiode echt een verandering in gang te zetten om ervoor te zorgen dat wij, Kamer en kabinet samen, de komende jaren flinke stappen kunnen zetten. Na afloop van het debat werden maar liefst acht moties aangenomen. Collega Graus noemde het ook al. Onder een flink aantal daarvan staan onze namen. Anderhalve week geleden werd mijn motie om ook na 2025 verder te gaan met de afbouw van het apenproefdierencentrum BPRC unaniem ondertekend door alle twintig fracties en groepen in de Kamer. Maar aangenomen moties alleen helpen niet. Het gaat om de uitvoering. Daarom heb ik een aantal vragen aan de minister.

Bij het laatste debat noemde ik de dierproevenwet uit 1977. Artikel 1d is de kern van die wet en stelt dat een dierproef verboden is als daar een alternatief voor bestaat. In de praktijk is het zoeken naar alternatieven zeer tijdrovend. Het gebeurt daarom onvoldoende, met hele vervelende gevolgen, want heel veel uitgevoerde dierproeven hadden niet hoeven te gebeuren. Uit Nederlands en Brits onderzoek blijkt dat 90% van de geslaagde dierproeven niet vertaald kan worden naar de mens en daarmee nutteloos is. Dat betekent ook dat de wet wordt overtreden, want artikel 1d is geen advies, maar een plicht. Als er niet goed is gekeken naar alternatieven voor een dierproef of als zo'n dierproef al eens eerder is gedaan, dan voldoet een onderzoeker niet aan de wet.

Voorzitter. Voor het einde van het jaar moet de Kamer hierover verder worden geïnformeerd, maar het jaar loopt nu echt heel snel ten einde. Ik wil de minister vragen wat er nu gebeurt. Hoe worden moties uitgevoerd? Welke gesprekken zijn er gevoerd? Welke gesprekken moeten nog worden gevoerd? De voorganger van de minister heeft daarover van alles gezegd. Ik hoop dat de minister mijn ongeduld begrijpt. Het onderwerp is echt te belangrijk om er maar één keer per jaar iets over te kunnen zeggen bij een commissiedebat.

Voorzitter. Ik wil het hebben over doorgefokte huisdieren. Het is in Nederland verboden om te fokken met dieren met schadelijke kenmerken. Dat staat in artikel 3.4 van het Besluit houders van dieren. Vorig jaar diende ik samen met de collega's Van Campen van de VVD en Boswijk van het CDA een motie in om ook de import en de verkoop van doorgefokte huisdieren te verbieden. Het zijn dieren die vaak ziek worden door hun uiterlijk. Het is echt niet uit te leggen dat die nog steeds verkocht en geïmporteerd kunnen worden. De voorganger van deze minister zei: moeilijk, moeilijk, moeilijk; een importverbod mag allemaal niet van Europa. Maar in april, tijdens het commissiedebat over dierenwelzijn, bood ik de minister een position paper aan van Soeverein Advocaten, die betogen dat zo'n import- en handelsverbod wel degelijk past binnen de EU-regels en dat het ook wordt toegepast, bijvoorbeeld door België. In zijn brief van 6 juli gaf de minister aan dat dit inderdaad geldt voor een aantal diersoorten, waaronder kortsnuitige honden. De minister schreef ook dat hij de Kamer na het zomerreces zou informeren. Voor mij is het zomerreces intussen zo lang geleden dat er nog slechts vage herinneringen resten, maar we hebben nog steeds helemaal niks gehoord. Ik vraag de minister hoe het ermee staat. De motie van VVD, CDA en Partij voor de Dieren werd destijds met 145 stemmen voor aangenomen. De wens om hier iets aan te doen wordt dus echt heel breed gedeeld. Ik zie collega Van Campen ook knikken.

Voorzitter. Dan wil ik het hebben over de broodfok. Een tijd geleden waren er choquerende undercoverbeelden van een gruwelfokker in het Brabantse Eersel, gemaakt door House of Animals: 400 honden, ook pups, in hun eigen uitwerpselen, niet gesocialiseerd, zonder adequate medische verzorging, zonder bewegingsruimte. Gelukkig heeft de rechter inmiddels besloten dat die fokker moet stoppen en dat de honden daar weg moeten, maar dat is niet vanwege dierenwelzijn, maar omdat het in strijd was met het bestemmingsplan. Maar goed, het belangrijkste is dat die 400 honden worden herplaatst. Nu blijkt dat de NVWA al jaren op de hoogte was van de misstanden bij die fokker. Twee maanden voordat de undercoverbeelden werden opgenomen, heeft de NVWA een inspectie gedaan bij die fokker, maar er werd niet ingegrepen. Geen enkele hond werd bevrijd uit deze hel. Ik vraag de minister hoe het mogelijk is dat de NVWA dergelijke dierenmishandeling en -verwaarlozing ziet, maar niet ingrijpt en die dieren in die gevaarlijke situatie laat? "De NVWA is een dossier aan het opbouwen", las ik in de krant. Dat zal wel, maar als je honderden dieren in erbarmelijke omstandigheden ziet lijden, dan laat je de boel toch niet maandenlang de boel? Dan grijp je toch in? Heeft de minister er zicht op hoe vaak dit soort horrorfokkers bekend zijn bij de NVWA terwijl er niet wordt ingegrepen? Zijn ook bij die fokkers eerst undercoverbeelden nodig voordat er wordt ingegrepen, voordat er actie wordt ondernomen?

Dan wil ik het ook nog even hebben over een ander probleem rond huisdieren, namelijk het doden van gezelschapsdieren. Op dit moment geldt er een verbod voor het doden van dieren buiten de veehouderij. Dat geldt alleen voor honden, katten en ganzen. Dat laatste werd in de wet opgenomen om de barbaarse traditie van het verschrikkelijke ganstrekken, nota bene in mijn eigen Limburg, te verbieden. Andere dieren, zoals konijnen, vogels, hamsters en cavia's, mogen door particulieren zelf worden gedood. Er bestaat zelfs een woord voor, namelijk "culling". In de praktijk betekent dat dat veel fokkers gezonde dieren doden als ze bijvoorbeeld niet de juiste kleur hebben. Pas als bewezen is dat de dieren geleden hebben, is het strafbaar.

Ik heb een aantal jaar geleden eens rondgekeken op allemaal forums voor dierenliefhebbers. "Liefhebbers" plaats ik tussen aanhalingstekens. Daarop worden tips uitgewisseld. Wat werkt het beste? Hoe kun je het beste een dier doden, door een klap met een stoeptegel of pak je de ouderwetse moker? Dien je, gewoon als particulier, een injectie toe met een mengsel van water en aspirine — dat wordt dus ook gedaan — of stop je ze in een zak, doe je daar een baksteen bij en gooi je ze in de sloot? Serieus, dit soort tips worden uitgewisseld. Anderhalf jaar geleden heb ik een amendement ingediend om daar een einde aan te maken en om het gemakkelijker te maken om dierenbeulen aan te pakken. De ambtsvoorganger van deze minister zegde toe dat ze hierover in gesprek zou gaan met de dierenpolitie. Mijn vraag aan de minister is: heeft dit gesprek nu, anderhalf jaar later, inmiddels plaatsgevonden? Zo ja, wat was de reactie van de dierenpolitie? Graag een reactie van de minister.

Voorzitter. Dan reptielenbeurzen. Je moet het gezien hebben om het te kunnen geloven: slangen, salamanders, gekko's, gifkikkers, schildpadden, kameleons, meestal allemaal in bamibakjes gestopt. Een medewerker van ons maakte vorige week op de reptielenbeurs in Houten foto's. Graag geef ik die via de bode aan de minister. Zoals je kunt zien, hebben de dieren geen enkele ruimte om te bewegen. De dieren proberen tevergeefs uit hun bakjes te ontsnappen. Tegelijk met die reptielenbeurs werd in dezelfde ruimte een knaagdierenbeurs gehouden. Reptielen en exotische knaagdieren, ook muizen en ratten, bevonden zich allemaal naast elkaar, zonder deuren en zonder muren ertussen, gewoon in één overdekte ruimte. Op zo'n beurs zitten een heleboel verschillende exotische diersoorten bij elkaar. Handelaren reizen heel Europa door, wat de mogelijke verspreiding van infectieziekten vergroot. Dit soort reptielenbeurzen is echt niet meer te verantwoorden, niet alleen vanwege dierenwelzijn — zie de foto's — maar ook vanwege de risico's op zoönosen.

Voorzitter. We hebben net een zoönosepandemie achter de rug, met lockdowns en grote beperkingen van de burgerrechten. Dit gebeurde allemaal vanwege een virus dat van dier op mens oversprong. Dit soort risico's zijn echt het aller-, allerlaatste waarop we zitten te wachten. Dit soort beurzen betekenen toch elke keer weer een risico. Daarom vraag ik de minister hoe het staat met het aangekondigde onderzoek naar zoönosen en de risico's voor dierenwelzijn. Daarmee geeft de minister invulling aan de motie-Beckerman/Wassenberg. De resultaten zouden er na de zomer zijn. Ik noem opnieuw de zomer, maar het is intussen echt wel na de zomer, kan ik de minister garanderen.

Voorzitter. Ik wil het hebben over wildopvangcentra. In Nederland heeft iedereen volgens de wet een zorgplicht voor in het wild levende dieren. Daarmee zou het toch logisch zijn dat de overheid dit ook faciliteert. Toch kampen veel wildopvangcentra met zeer ernstige financiële problemen, omdat ze moeten rondkomen van donaties. Wildopvangcentrum Zuid-Holland sluit omdat het niet rondkomt. Andere wildopvangcentra schatten in nog één tot drie jaar te kunnen bestaan als er niks verandert. Ondertussen weigert de minister om ook maar één euro uit te geven om deze opvangen te helpen, zelfs nadat de Raad voor Dierenaangelegenheden heeft geconcludeerd dat structurele financiering vanuit de overheid nodig is. Sommige provincies en gemeenten springen inderdaad incidenteel bij, maar vanuit het ministerie ontvangen ze geen enkele steun.

Voorzitter. Het is onverantwoord om deze rol volledig bij lokale overheden neer te leggen. Dat heeft geleid tot de huidige situatie, waarbij alle overheden naar elkaar verwijzen, terwijl wildopvangcentra omvallen en de dieren daarmee de dupe zijn. Het zijn vaak dieren die het slachtoffer zijn van menselijk handelen: aangereden dieren, vogels die besmeurd zijn met bijvoorbeeld olie, dieren die het slachtoffer zijn van vergiftiging van hun leefmilieu, en dieren die zijn aangeschoten door jagers — daar heb je ze weer — en die door andere mensen worden gevonden. Een wildopvangcentrum dat omvalt, verhoogt de druk op omliggende wildopvangcentra. Die dieren moeten steeds verder weg worden gebracht om de nodige hulp te kunnen krijgen. Hun overlevingskans wordt daardoor steeds kleiner. Ook de vogelgriep verhoogt de kosten voor de opvangcentra, maar ook daar wil de minister ze niet opnieuw voor compenseren.

Gedeputeerde Ilse Zaal van de provincie Noord-Holland zei tijdens een webinar van de Raad voor Dierenaangelegenheden: "Ik ben best wel een beetje teleurgesteld over de bescheiden rol die het ministerie zichzelf toebedeelt." Voorzitter, ik ben meer dan een beetje teleurgesteld. Collega Graus memoreerde het ook al: afgelopen week zei de minister-president dat hij zijn €190 energiecompensatie aan de egelopvang in Den Haag doneert. Kennelijk is de minister-president dus zelf op de hoogte van de nood in de wildopvang; heel goed. Ik vond het ook een prima doel, moet ik zeggen. Daar ga ik niet vervelend over doen. Maar waar ik wel kritiek op heb, is dat het kabinet, waar de minister-president leiding aan geeft, de hulp aan de dierenopvang overlaat aan toevallige giften van particulieren. In artikel 2.1, lid 6, van de Wet dieren staat een zorgplicht. Iedereen is wettelijk verplicht om een hulpbehoevend dier de benodigde zorg te bieden, ook dieren in het wild; dat zegt lid 7 van hetzelfde artikel. Maar wildopvangcentra, die zorgen dat aan die wettelijke taak kan worden voldaan, mogen het uitzoeken. Dan zegt de minister: smeek maar bij de provincie, smeek maar bij de gemeente. Maar die wet is niet geschreven door de provincies. Die wet is ook niet geschreven door gemeenten. Die wet is geschreven door het ministerie. Je kunt de financiering niet over de schutting smijten van provincies of gemeenten. Om die wettelijke zorgplicht van wilde dieren te faciliteren, moet de overheid echt ingrijpen, om te voorkomen dat nog meer wildopvangcentra noodgedwongen moeten sluiten. Graag zou ik daar een reactie op horen van de minister.

Voorzitter. Dan kom ik op — ik had het al beloofd; de spanning was te snijden — het Kroondomein. Bij het laatste debat over de begroting van de Koning heb ik het daar met de minister-president over gehad. Zoals elk jaar, deed de minister-president niet veel meer dan twijfel zaaien, mist creëren en de Kamer het moeras insturen. Sowieso is het een juridische bende rond het Kroondomein. De subsidieverlening klopt bijvoorbeeld niet. Maar die zaak is onder de rechter, dus daar zal ik verder over zwijgen.

Maar de sluiting van het Kroondomein klopt ook niet. En daarover wil ik niet zwijgen. Bij de behandeling van de begroting van de Koning in 2020 vroeg ik de minister-president naar de onderliggende stukken bij de subsidiebeschikking voor die sluiting. De minister-president wilde die niet geven. Ik diende toen een motie in die Kamerbreed werd aangenomen. In de stukken die we ontvingen, staat waarom de Koning het Kroondomein sluit tijdens het jachtseizoen. Ik citeer uit de nota Subsidiebesluiten voor Kroondomein van 9 maart 2016, pagina 4, voor wie het nog na wil lezen. "Daarnaast is er sprake van afwijkende regelgeving met betrekking tot de openstelling van het domein. Dit vanwege de Koninklijke jacht." Koninklijke staat er met een hoofdletter. Maar vanwege die regels mocht het Kroondomein helemaal niet dicht. Dat mag helemaal niet vanwege de jacht. "O, nee, nee, nee, wacht, wacht, sorry, het is toch anders, het is anders", zei de toenmalige minister van Landbouw op 20 april van het vorige jaar. Dat was minister Schouten: "De sluiting van het Kroondomein houdt verband met de bescherming van de persoonlijke levenssfeer van de Koning." Maar ook dat klopte niet, want voor de bescherming van die persoonlijke levenssfeer had de Koning één hectare mogen sluiten, geen duizenden.

Dan is er nu dus het vruchtgebruik. Ook daarover heb ik de minister-president en de toenmalige minister verschillende keren bevraagd en ook daarop kreeg ik ontwijkende antwoorden op zelfs onwaarheden terug. "Het vruchtgebruik is vastgelegd in de schenkingsakte en in de Wet op het Kroondomein" schreef de toenmalige minister van Landbouw vorig jaar aan de Kamer. Maar dat is óók niet waar! Het BNNVARA-programma Zembla volgt dit dossier op de voet en heeft deskundigen gevraagd naar het vermeende vruchtgebruik door de Koning. Het is een juridische bende, concludeerden die eensgezind. De Koning ís helemaal geen vruchtgebruiker. Dat moet de minister nu ook toegeven. "De Koning is inderdaad geen vruchtgebruiker," scheef ze vorige week, "maar het lijkt er wel op, dus dat hebben we maar zo genoemd, maar we zullen het niet meer doen, beloofd." Het wordt steeds onduidelijker. Het wordt tijd dat het kabinet ophoudt met het spelen van allerlei woordspelletjes en met het telkens op een dwaalspoor zetten van de Kamer.

Het wordt er niet fraaier op, niet voor het kabinet, niet voor de Koning en niet voor het instituut koningshuis. Hoe kan een miljoenensubsidie voor het Kroondomein worden verleend aan iemand die geen eigenaar is en ook geen vruchtgebruiker? Hoe kan het dat de Koning een groot deel van het Kroondomein opnieuw tijdens het jachtseizoen kan sluiten — het is nu nog dicht — zonder dat hij eigenaar is of vruchtgebruiker? Hoe kan het dat de Koning als journalisten hem vragen naar het Kroondomein, antwoordt "dat is aan de Kamer", maar dat een Kameruitspraak over het jaarrond openstellen van het Kroondomein botweg niet wordt uitgevoerd?

Ten slotte — ik noemde het al — werd in de ambtelijke noot uit 2016 de koninklijke jacht als reden genoemd voor het sluiten van het Kroondomein tijdens het jachtseizoen. De Koning zou één dagdeel jagen, meldde de Rijksvoorlichtingsdienst vorig jaar. Mijn vraag aan de minister is: hoe vaak jagen de overige leden van de koninklijke familie daar in het Kroondomein?

Voorzitter. Mijn volgende onderwerp is het Dolfinarium. Met de voorgangers van deze minister heb ik het daar vaker over gehad. Het afgelopen jaar ging het vaak over de verkoop van acht dolfijnen, twee walrussen en twee zeeleeuwen aan Hainan Ocean Paradise in China. "Hainan Ocean Paradise", dat klinkt als een pretpark, en dat is het ook. Filmpjes en foto's zeggen genoeg. De dolfijnen moeten daar shows doen met kunstjes die in Nederland verboden zijn. Dat erkent de minister zelf ook in antwoord op mijn eerdere Kamervragen. Zo surfen de trainers daar op de snuiten van dolfijnen en moeten dolfijnen door hoepels springen.

Voorzitter. Maar in het Besluit houders van dieren staat dat de vergunninghouder, in dit geval het Dolfinarium, zich bij de verkoop van het dier ervan moet verzekeren dat de ontvangende partij, in dit geval het pretpark, de dieren houdt, huisvest en verzorgt op een manier die overeenkomt met de Nederlandse wet. Dat betekent natuurlijk ook het respecteren van het soorteigen gedrag van de dieren. In een reactie op Kamervragen antwoordde de minister dat shows niet onder de reikwijdte van dit artikel vallen.

Voorzitter. Met alle respect: dit is echt totale onzin. Wanneer dolfijnen door hoepels moeten springen en kunstjes moeten doen voor een schreeuwend en joelend publiek, betekent dat een ernstige schending van hun welzijn. Dat is uiteraard volstrekt in strijd met het soorteigen gedrag van dolfijnen. Dat vindt niet alleen de Partij voor de Dieren. Dat vinden ook de rechtsgeleerden die door De Stentor om een reactie zijn gevraagd. De eerste rechtszaak tegen de verkoop van dolfijnen is overigens al door de voorganger van de minister verloren. Ik vraag deze minister: hou u gewoon aan de eigen wet- en regelgeving; verbied de verkoop van dolfijnen en walrussen aan dat Chinese pretpark; hou je gewoon aan de Nederlandse wet. Graag een bevestiging van de minister van Landbouw — dat vind ik heel belangrijk — dat het Besluit houders van dieren hierin leidend is voor hem.

Voorzitter. De tijd schrijdt voort — mijn klokje staat intussen al in het rood — maar ik ben gelukkig toe aan mijn laatste onderwerp. Dat is de visserij. Daarbij wil ik het hebben over de hoofdrolspelers, tegen wil en dank: de vissen. Ooit was er sprake van een rijke Noordzee, met een buitengewoon grote biodiversiteit. Er waren volop roggen, hagen, oesterbanken, riffen en ga zo maar door. Daar is echter weinig van over. Toch wordt elke licht positieve trend van de vispopulatie, hoe klein ook, gezien als een bevestiging dat het huidige visserijbeleid werkt.

Voorzitter. We weten gewoon niet meer wat we missen. Ik weet echter wel dat dit systeem onhoudbaar is. De minister weet dat ook, want hij schrijft dat het anders moet in de sector. Als we willen dat de biodiversiteit in de zee geholpen is met een warme sanering van de visserijsector, dan moet de minister er wel voor zorgen dat de vangstmogelijkheden ingeperkt worden. Dan moet hij ze niet gratis beschikbaar stellen aan andere vissers. Dat is de wereld op z'n kop. Zo blijft de situatie in feite onveranderd. Dan krijg je alleen maar een schaalvergroting. Dan krijg je minder bedrijven, maar dan vangen grote bedrijven alle vis. Dat betekent dus minder vissers, maar ook minder vissen. Graag een reactie van de minister. Graag de toezegging om de vangstmogelijkheden direct in te perken bij de sanering in plaats van pas rond 2025.

Dan heb ik het nog niet eens gehad over de vaststelling van deze vangstmogelijkheden. Structureel worden de vangstmogelijkheden te hoog vastgesteld. Daarna kunnen lidstaten er ook nog eens meer vangstmogelijkheden bij onderhandelen. Niet de toekomst van de zee staat dan centraal, maar de belangen van de visserijsector. Op deze manier vis je de zee leeg.

Voorzitter. Terug naar de vissen, en dan naar een soort waar het zeer slecht mee gaat: de paling. Hoe gaat de minister ervoor zorgen dat die ernstig bedreigde paling van de ondergang wordt gered? Wetenschappers stellen dat palingsterfte door visserij en migratiebarrières naar nul moet om de soort erbovenop te helpen. Ook de minister vindt dat er verdergaande maatregelen nodig zijn. Maar wat doet hij? Hij wil het verbod op palingvangst in kustwateren niet eens uitbreiden van drie naar zes maanden, zoals de Europese Commissie heeft voorgesteld op basis van wetenschappelijke adviezen. Ik snap dat werkelijk niet. Is de minister het met mij eens dat een uitbreiding van die stop op de vangst in kustwateren naar zes maanden een positieve impact zal hebben op de palingstand en dat alles op alles gezet moet worden om dit ernstig bedreigde dier voor uitsterven te behoeden? Zo ja, waarom stelt hij dan niet op z'n minst een tijdelijke verlenging van het vangstverbod in?

Wat betreft de migratiebarrières zie ik wel een kans voor de minister. De huidige gemaalpomp van de zeesluis in IJmuiden is een gehaktmolen voor vissen. Dat is niet in lijn met het beleid van de minister. Erger nog, bij de renovatie van de sluis komt een exacte kopie van deze pomp terug. De nieuwe pomp blijft dus een gehaktmolen. Graag zou ik als laatste de toezegging willen hebben van de minister dat hij ervoor gaat zorgen dat die nieuwe pomp vismigratie toelaat, zoals die van de paling.