Bijdrage Partij voor de Dieren aan het Schrif­telijk Overleg over de evaluatie van het Dieren­tui­nen­be­sluit en de Stichting NOP


9 juni 2009

De leden van de fractie van de Partij voor de Dieren hebben met grote verbazing en teleurstelling kennisgenomen van de reactie van de minister op de evaluatie van het Dierentuinenbesluit. De minister gaat enerzijds niet in op belangrijke resultaten uit het evaluatieonderzoek en trekt anderzijds conclusies over zaken die helemaal niet zijn onderzocht. Bovenal constateren de leden dat de minister wederom weigert haar eigen verantwoordelijkheden te nemen en dierentuinen in hoge mate zelf laat bepalen hoe ze wettelijk vastgestelde regels en voorschriften wil toepassen. De leden zijn van mening dat dit geen recht doet aan de doelen van het besluit. De vrijheid die dierentuinen hierdoor wordt geboden zorgt voor onduidelijkheid voor de dierentuinen zelf en belangrijker nog, maakt het onmogelijk om minimale garanties voor het welzijn van dieren te bieden.

De aangenomen motie Ouwehand vroeg om een evaluatie van het Dierentuinenbesluit met daarbij aandacht voor de functie, de huisvestingseisen en het fok- en transactiebeleid van dierentuinen. Het voorliggende rapport geeft in grote mate inzicht in het functioneren van het besluit in de praktijk. Er is echter niet, zoals de minister concludeert, onderzocht in hoeverre het Dierentuinenbesluit het welzijn van de dieren bevordert of waarborgt. De leden vernemen dan ook graag op welke bron de minister deze conclusie baseert. Het evaluatierapport legt wel enkele belangrijke knelpunten en principiële vraagstukken bloot, waarvan de leden van de fractie van de Partij voor de Dieren het onbegrijpelijk vinden dat de minister hier overheen stapt.

De educatieve functie bijvoorbeeld, door velen het bestaansrecht van dierentuinen genoemd, wordt door iedere dierentuin verschillend ingevuld blijkens dit onderzoek. Voorschriften hiervoor ontbreken of zijn te summier en kunnen niet inhoudelijk worden getoetst. De minister reageert op deze constatering met de aankondiging dat dierentuinen hun beleidsprotocollen zullen uitbreiden met het doel van het educatieve programma. De leden nemen aan dat de minister een eigen visie heeft op de educatieve functie van dierentuinen en vernemen deze dan ook graag. De aanwezigheid van een educatief programma is nota bene een wettelijk vereiste en de leden verwachtten dan ook dat de minister hier meer waarde aan zou hechten. Tevens vragen de leden een reactie van de minister op het feit dat bezoekers van dierentuinen in de eerste plaats komen voor recreatie en niet op zoek zijn naar educatie. Acht de minister louter recreatie voldoende rechtvaardiging voor het tentoonstellen van wilde dieren en zo ja, kan de minister dit toelichten? Is de minister voornemens de beleidsprotocollen na uitbreiding met het doel van de educatie te toetsen? Zo ja, waaraan zal er worden getoetst, wat zijn de criteria en zullen sanctiemogelijkheden worden gecreëerd indien niet wordt voldaan aan de doelstellingen? De minister heeft Artis onlangs zelfs een substantiële bijdrage geleverd voor het ontwikkelen van educatie. Heeft de minister hier voorwaarden aan verbonden? Is de minister voornemens ook andere dierentuinen een financiële bijdrage te geven voor de invulling van dit wettelijk vereiste?

Een ander opmerkelijk punt dat naar voren komt uit deze evaluatie is het doel van fokprogramma’s. Terugplaatsing van dieren in de natuur gebeurt in de praktijk slechts sporadisch, concluderen de onderzoekers en de fok is gericht op het in stand houden van populaties in dierentuinen. Er ontstaat zo een dierentuinpopulatie van wilde dieren die na verloop van tijd mogelijk gaat afwijken van het wild. Deelt de minister de mening van de leden van de fractie van de Partij voor de Dieren dat dit een zeer onwenselijke situatie is? De leden achten op dit punt een bredere, ethische discussie op zijn plaats en horen graag of de minister bereid is het debat hierover te voeren. Hoe ziet de minister in dit licht de doelstelling van Europese Dierentuinenrichtlijn, te weten de bescherming van wilde dieren en de instandhouding van de biodiversiteit?
De leden achten het fokken met wilde dieren ter instandhouding van de dierentuinpopulatie niet meer van deze tijd en zien de toekomstige rol van dierentuinen vooral als opvangcentra voor dieren die zich in het wild niet kunnen handhaven. Graag een reactie van de minister hierop.

Aan de controle en handhaving omtrent het besluit bleek tijdens de evaluatie eveneens het een en ander te schorten. Controles om na te gaan of de vergunning wordt nageleefd vinden gemiddeld veel te laat plaats, waarbij bovendien onduidelijk is hoe de huidige regelgeving moet worden geïnterpreteerd. De (welzijns)normen zijn zo open dat inspecteurs hier in de praktijk niet of nauwelijks mee uit de voeten kunnen. Hierdoor ontstaan onduidelijkheden en dreigen willekeur en rechtsongelijkheid. De leden achten dit een serieuze tekortkoming. Hoe kan het Besluit het welzijn van dieren waarborgen als hier geen toetsbare normen voor bestaan en de invulling wordt overgelaten aan een ieders interpretatie en goede wil? Kan de minister toelichten op welke manier zij verandering zal gaan brengen in deze situatie? Verbindt de minister aan dit onderzoek conclusies voor de voorgestelde wijziging van het Honden- en kattenbesluit, waarbij middelvoorschriften zullen worden vervangen door doelvoorschriften? Hoe wil de minister voorkomen dat bij het opvangen en huisvesten van gezelschapsdieren eenzelfde situatie ontstaat als beschreven in dit onderzoek? Hoe zal controle en handhaving op dat punt worden vormgegeven?

De Partij voor de Dieren is van mening dat doelvoorschriften een goed instrument kunnen zijn voor het garanderen van dierenwelzijn. Voorwaarde is echter wel dat de doelen scherp, helder en verplichtend worden geformuleerd. Een formulering als “Bij de inrichting van de dierenverblijven wordt rekening gehouden met het soorteigen bewegingsgedrag” is te vrijblijvend voor een doelvoorschrift. Het voorschrift zou natuurlijk moeten luiden dat wordt voorzien in het soorteigen bewegingsgedrag van het betreffende dier. Regelmatige en strenge controles, continue monitoring en toetsbare normen, gebaseerd op de laatste inzichten op het gebied van dierenwelzijn moeten de naleving van deze verplichting garanderen. De minister voorziet in geen van deze voorwaarden. Onder het huidige handhavingsregime wijst de Partij voor de Dieren doelvoorschriften voor huisvestingssystemen voor dieren dan ook resoluut af. Zolang de minister blijft weigeren de doelvoorschriften in te richten naar daadwerkelijke garanties voor het welzijn van gehouden dieren, hebben de leden van de fractie van de Partij voor de Dieren geen vertrouwen in het gebruik van dit instrument.

Daarnaast ontbraken tot begin dit jaar bruikbare sanctiemogelijkheden, vermeldt het evaluatierapport. Aangezien het intrekken van de vergunning lange tijd de enige sanctiemogelijkheid was, is minder opgetreden dan wenselijk was, aldus de onderzoekers. De leden van de fractie van de Partij voor de Dieren vragen de minister hoe vaak dit het geval is geweest en ontvangen hiervan graag een voorbeeld.

De leden van de fractie van de Partij voor de Dieren ontvangen graag een toelichting van de minister op de vrijstellingsregeling. Welke voorwaarden zijn hieraan verbonden? Welk doel dient een vrijstelling te dienen? Wat is bijvoorbeeld het doel van het houden van wilde dieren in horecagelegenheden? Kan de minister een overzicht geven van de vrijstellingen die zijn uitgegeven in Nederland, hoeveel vrijstellingen betreft het, aan welk soort instellingen zijn deze uitgegeven en voor welke duur? Hoe is de controle op deze instellingen vormgegeven en wat is daarbij de frequentie?

De leden van de fractie van de Partij voor de Dieren lazen met verbazing dat toezicht op organisaties die niet onder het besluit vallen, maar die wel wilde dieren houdn, feitelijk ontbreekt. Ook is het mogelijk dat er instellingen met wilde dieren zijn die geen vergunningaanvraag hebben ingediend en niet door de AID of Dienst Regelingen zijn opgemerkt. Hoe is dit mogelijk? Kan de minister hierop een toelichting geven? Is de minister bereid dit gebied tussen het Dierentuinenbesluit en de GWWD in kaart te brengen en deze instellingen actief op te sporen, conform de aanbeveling uit het evaluatierapport? Zo nee, waarom niet?

Tot slot verzoeken de leden van de fractie van de Partij voor de Dieren de minister een vervolgonderzoek uit te zetten naar het welzijn van dieren in dierentuinen en de mate waarin het Dierentuinenbesluit hier aan bijdraagt of juist niet.

Stichting NOP
De leden van de fractie van de Partij voor de Dieren vernemen graag van de minister waarom zij haar toezegging om het team dat het onderzoek uitvoerde naar het functioneren van de Stichting NOP uit te breiden met onafhankelijke deskundigen niet is nagekomen.
De conclusie van de minister dat met het welzijn van de dieren bij de stichting niets mis is, wordt niet gedeeld door de Vereniging van Opvangcentra van Niet-gedomesticeerde Dieren (VOND). De leden ontvangen graag een reactie van de minister op het feit dat het vertrouwen van de VOND in de stichting NOP zodanig is afgenomen dat zij haar banden met de stichting heeft verbroken. Verbindt de minister hier conclusies aan met betrekking tot de postitie van de stichting als opslaghouder voor Dienst Regelingen? Is de minister voornemens de controle en handhaving aan te scherpen en hier geen dieren meer onder te brengen tot de stichting wel voldoet aan de wettelijke voorschriften en gemaakte afspraken? Zo nee, waarom niet?

Tijdens het Algemeen Overleg Dienst Regelingen heeft de fractie van de Partij voor de Dieren reeds gevraagd naar de situatie rondom het eigendomsrecht van in beslag genomen dieren en diens nakomelingen. Is het wettelijk toegestaan om in de opvang geboren dieren te verkopen? En zo ja, wat betekent dit voor de onafhankelijke positie van een opslaghouder? Graag een toelichting van de minister op dit punt.