Bijdrage Partij voor de Dieren AO Nationale invulling Health Check-akkoord (tweede termijn)


9 juni 2009


Mevrouw Ouwehand (PvdD): Voorzitter. Ik ben en blijf er verbaasd over dat de landbouw, een zo belangrijk onderdeel van het kabinetsbeleid en Europees beleid, niet wordt ingezet om de duurzaamheidsdoelstellingen van het kabinet een beetje vooruit te helpen. Het blijft gerommel in de marge. Wij moeten ons afvragen of wij op deze manier uiteindelijk niet van de regen in de drup komen. Ik heb de ChristenUnie al voorzichtig horen vragen of wij niet naar wat meer fundamentele dierenwelzijnsverbeteringen zoals de dubbeldoelkip zouden kunnen kijken. De heer Van der Ham zei terecht dat het bevorderen van het dierenwelzijn lastig is. Hij pleitte ervoor om daarom misschien wat minder aandacht aan het milieu te schenken. Ten aanzien van het milieubeleid is er gelukkig sprake van regelgeving waar men vroeg of laat tegen aan loopt, ook al doet men heel hard zijn best om die te omzeilen. Deze randvoorwaarden zijn redelijk hard. Dat geldt niet ten aanzien van het dierenwelzijn.

Het moet mij van het hart dat het mij altijd verbaast dat de VVD dier- en milieuvriendelijkheid als een maatschappelijke dienst ziet. Het zijn breed gedragen, alom geaccepteerde normen in onze samenleving. Daarvoor hoef je mensen niet te gaan belonen. Je betaalt ook je buurman niet als hij ophoudt zijn vuilnis over je schutting te gooien. Dat hoort hij gewoon niet te doen. Wij moeten dus op een andere manier aankijken tegen de financiering van de omslag die wij in de landbouw wenselijk achten. In dit verband breng ik de minister in herinnering dat een van de Kamerleden van het CDA nog wel eens over boeren spreekt alsof er een Peijnenburg koek voor hun mond wordt gehouden. Ik doel op de reclame. Het is nooit goed genoeg. Je investeert in een bepaald stalsysteem. Daarvoor doe je uitgaven. Een jaar later blijkt vervolgens dat de normen niet worden gehaald. Dan wordt er weer over de sector geklaagd. Dat klopt wel, maar de minister moet dan ook wel vooruitzien. Zij moet niet investeren in stalsystemen die de maatschappelijke toets niet kunnen doorstaan. Waaraan moeten wij denken bij de besteding van de gelden voor wat de minister dier- en milieuvriendelijke stallen noemt? Dat is mijn concrete vraag. Betreft het stimulering van de Kleingruppenhaltung? Betreft het luchtwassers? Betreft het systemen die de toets der maatschappij kunnen doorstaan, ook als er over een jaar of drie een ander kabinet zit? Kijkt de minister dus vooruit? Of houdt zij vast aan investeringsmaatregelen waarmee de boeren uiteindelijk niets opschieten omdat wij het milieu er niet mee gaan redden en de diervriendelijkheid nog ver onder de maat blijft? Ik krijg op deze vragen graag een concreet antwoord van de minister. In dit verband refereer ik aan de discussies over de verrijkte kooi en Kleingruppenhatung en de nertsenwelzijnsverbeteringen. De minister kan weten dat kleine lapmiddelen uiteindelijk meer slecht dan goed doen.

Mevrouw Snijder-Hazelhoff (VVD): Ik wil hierop graag even reageren. Hier blijkt opnieuw dat de Partij voor de Dieren erg kort door de bocht redeneert en zich helemaal geen rekenschap geeft van de economische aspecten. De Nederlandse ondernemers en de Nederlandse veehouderij worden geconfronteerd met een aantal standaarden die hoger zijn dan die welke in de rest van de wereld gelden. Daarop doel ik in het bijzonder. Wij zijn van mening dat je ondernemers daarvoor zou moeten belonen. In een economische wereld moet je wel kunnen concurreren. Wij spreken over een eerlijk speelveld. Ik heb altijd gehoopt dat ook de Partij voor de Dieren daar voor is. Dat hoop ik nog steeds. Dan moet je daar wel middelen tegenover zetten.

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Dat is een interessante kwestie. Ik heb vandaag niet het hele pleidooi kunnen houden. Mevrouw Snijder weet dat wij van mening zijn dat het kabinet, ook in WTO-verband, meer werk moet en kan maken van de inzet van middelen en instrumenten om ervoor te zorgen dat beschermingsmaatregelen kunnen worden getroffen voor de kwalitatief hoogwaardige productie die wij in ons land willen hebben. In dit verband noem ik de border tax adjustments. Het kabinet wil gewoon niet uitzoeken wat de mogelijkheden hiervan zijn voor een diervriendelijke en milieuvriendelijke productie in Nederland. Dat vind ik een gemiste kans. Ik ben het met mevrouw Snijder eens dat bescherming nodig is. Ik ben het niet met haar eens dat dit met subsidies zou moeten gebeuren.

Minister Verburg: Voorzitter. Ik dank de Kamer voor haar inbreng in tweede termijn. Omdat ik bij de beantwoording in eerste termijn al wat inleidende opmerkingen heb gemaakt, laat ik die vandaag achterwege.

Mevrouw Ouwehand heeft opnieuw gezegd dat zij vindt dat dit rommelen in de marge is. Zij heeft daarbij haar betoog uit de eerste termijn eigenlijk herhaald. Ik ben dit niet met haar eens. Ik vind dat we bezig zijn met het zorgvuldig ontwikkelen van de agrarische sector in de richting van duurzame en diervriendelijke productie, met een in toenemende mate belangrijke rol voor de agrarische sector bij het onderhoud en de ontwikkeling van het landschap. Dit zijn buitengewoon waardevolle elementen, waar de samenleving op zit te wachten. Ik ken de fractie van mevrouw Ouwehand als een fractie die dit allemaal veel radicaler wil aanpakken. Ik kies voor de lijn van de effectiviteit. Dit betekent dat je stap voor stap moet werken. In deze buitengewoon moeilijke tijd voor boeren moet je zeker niet radicaal te werk gaan. De doelen zijn voor mij helder. De maatschappelijke wensen van innovatie en duurzaamheid bepalen de toekomst van de Nederlandse agrarische sector. Dit is belangrijk voor de samenleving, voor het landschap en dus ook voor de natuur.

De voorzitter: Ik geef de Kamerleden de gelegenheid om de vragen die zijn blijven liggen nog even aan de minister te stellen.

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Voorzitter. Ik vond de beantwoording van de minister ronduit flauw. Zij draait eromheen dat er discussies spelen over de investeringen die je van boeren moet vragen. Ik stap even af van het plaatje dat ik graag zou zien en kijk heel concreet even naar de ondernemerszekerheid. De minister kan wel zeggen dat zij iets goed genoeg vindt en daarvoor een zakje geld geven, maar als de maatschappij het niet pikt, en dat zien we bij de Kleingruppenhaltung, welke toekomstperspectieven heeft de minister dan voor de landbouw? Ik heb haar concreet gevraagd om daarop in te gaan, maar dit doet ze niet. Ze zet alleen maar het ideaalplaatje van de Partij voor de Dieren tegenover haar eigen beleid, in wat wollige termen. Ik denk dat de minister daarmee onvoldoende recht doet aan de gestelde vragen en aan de vraag van de boeren over het pad waarop zij door de minister worden gestuurd met deze financieringsmiddelen.

Minister Verburg: Voorzitter. Mevrouw Ouwehand zegt dat de maatschappij het niet pikt. Ik geloof dat ik alweer moet constateren dat zij en ik daar verschillend in staan. Voordat ik de houtskoolschets ging schrijven, heb ik een internetconsultatie gedaan, waar iedereen aan mee kon doen. Boeren, burgers en buitenlui konden daaraan meedoen. Ik heb aan hen toen gevraagd wat zij vinden van de boeren en welke rol en taak boeren volgens hen hebben. Ik moet zeggen dat daar voor boeren een buitengewoon positief beeld uit kwam.

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Daar gaat het niet om.

Minister Verburg: Menig politicus kan jaloers zijn op het maatschappelijk aanzien en de maatschappelijke waardering die boeren hebben. Mensen geven daarbij aan dat zij boeren belangrijk vinden in het kader van de voedselproductie van kwalitatief goed voedsel tegen een redelijke prijs. Er kwam nog iets opmerkelijks uit de internetenquĂȘte. Ik zeg het nu even uit mijn hoofd. Heel veel mensen zeggen dat boeren belangrijke landschapsbeheerders zijn. De boeren staan dichtbij Staatsbosbeheer wat betreft het vertrouwen dat men in hen stelt voor het beheer van het landschap. Dit betekent dat er maatschappelijke waardering is voor boeren. Waar dit het geval is, is er ook maatschappelijk draagvlak voor wat boeren doen. Aan publieke opinies en aan maatschappelijk draagvlak moet je echter altijd blijven werken. Dat is wat ik doe.

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Ik wil iets rechtzetten. De minister heeft mij woorden in de mond gelegd en dingen gesuggereerd die absoluut niet aan de orde waren. Ik vind daar van alles van, maar ik vind vooral dat de minister zichzelf hiermee degradeert.

De voorzitter: Goed, mevrouw Ouwehand heeft dit punt nog gemaakt.