Bijdrage Partij voor de Dieren aan debat over Evaluatie natuur­wet­geving


5 november 2008

Voorzitter. De natuurwetgeving gaat over het meest kostbare dat we bezitten: de natuur in al zijn verscheidenheid, de planten en de dieren die in het wild leven. Hiervoor hebben wij een grote verantwoordelijkheid die we helaas keer op keer negeren.

Oók bij de uitvoering van de Flora- en Fauna wet. De wet spreekt uit dat de wens om de fauna in stand te houden stoelt op de ethische erkenning van het autonome bestaansrecht van in het wild levende dieren. Vanuit het besef dat zij een onvervangbaar onderdeel zijn van het ecosysteem. Dieren hebben een intrinsieke waarde en dienen op grond daarvan beschermd te worden.

In de dagelijkse praktijk blijkt de bescherming van het individuele wilde dier echter niet zo vanzelfsprekend. Dieren als hazen, fazanten en konijnen worden in het jachtseizoen vogelvrij verklaard; verwilderde katten worden zonder pardon afgeschoten zonder dat hoeft te worden aangetoond dat zij schade zouden veroorzaken. Een ontheffing van deze bescherming lijkt inmiddels bijna meer regel dan uitzondering als je kijkt naar de flora- en faunawet.

De Partij voor de Dieren vindt dit onacceptabel. Ik wil de minister wijzen op de wettelijke verantwoordelijkheid die zij heeft voor het waarborgen van de bescherming van het individuele dier. Dit is vooral relevant voor de plannen die zij heeft om tot een integrale natuurwet te komen. De intrinsieke waarde van het dier mag daarbij niet ter discussie staan. Graag een reactie.

Voorzitter. De evaluatie van de natuurwetgeving zoals die nu voorligt heeft mij zowel verbaasd als teleurgesteld. Nergens wordt ingegaan op de vraag of de natuur op effectieve wijze is beschermd door deze wetgeving en op welke wijze dat te meten is. Ook de realiteit van de voortgaande bedreiging van de natuur in Nederland door bijvoorbeeld jacht en ammoniakuitstoot uit de veehouderij komt niet aan de orde.

Nee. De evaluatie blijkt eigenlijk beschamend weinig te maken te hebben met hoe de natuur er nu voorstaat in Nederland. De minister heeft de evaluatie zo ingericht om te lijken wat de mogelijkheden voor deregulering zijn en om te bezien op welke wijze zij belanghebbenden zoals boeren en recreatieondernemers ter wille kan zijn om al die lastige natuurregeltjes wat draaglijker te maken. Dat vind ik onacceptabel in een debat dat gaat over de wetten die ervoor moeten zorgen dat onze natuur adequaat wordt beschermd.

En ondanks dat cijfers over de effectiviteit van de natuurwetgeving nog ontbreken, heeft de minister al wel een voorzet gevonden om het dereguleringsproces verder door te drukken. Terwijl Nederland volgens onderzoek van Alterra nu al achterloopt bij andere Europese landen in de uitvoering van de Vogel- en Habitatrichtlijn. Hoe beoordeelt de minister deze conclusies?

Regels worden ruim uitgelegd, voorschriften opgerekt. Dat het pijn doet als een elastiek niet langer mee rekt, weet de minister inmiddels ook. Samen met het CDA en de VVD lapt zij de regels aan haar laars waar het gaat om natuurbescherming tegen gigantische ammoniakuitstoot uit de bio-industrie en het leegvissen van het wad door de mosselvissers. Als ze dan wordt teruggefloten door de Raad van State voor het overtreden van wetgeving, krijgen de kritische burgers die het overheidsbeleid laten toetsen op legaliteit de schuld. En wordt bovendien alles in het werk gesteld om hun de gang naar de rechter te verhinderen. Zou het niet veel zinniger zijn wanneer de overheid haar werk in één keer goed zou doen door de bescherming van natuur en de wetten gewoon te respecteren?

Voorzitter. De minister stelt voor om een enkele tientallen soorten van de lijst van beschermde soorten te schrappen in het kader van deregulering. (je moet eerst bijna uitgestorven zijn om nog bescherming te genieten). Maar de Flora- en faunawet is juist bedoeld om alle in het wild levende dieren bescherming te bieden. Hoe kan dat?

Ook wil de minister het verbod op jacht in natuurgebieden opheffen, want het kan volgens haar wel geregeld worden in de beheerplannen en in vergunningen.

Dat roept bij mij toch wel een paar heel prangende vragen op:
- Hoe wordt in een beheerplan - dat in mijn verwachting vooral zal uitdraaien op een poldercompromis – eigenlijk gegarandeerd dat de bescherming van de intrinsieke waarde van het dier en de soort conform de vogel- en habitatrichtlijn zal plaatsvinden?
- En wat gebeurt er in gebieden die niet zijn aangewezen in het kader van Natura 2000? Wordt daar elk dier vogelvrij verklaard en bejaagd?

Voorzitter. Hoewel de jachtsector misschien al reikhalzend uitkijkt naar de uitvoering van de motie van het CDA om het jachtverbod in natuurgebieden op te heffen, moet ik de minister teleurstellen. Het politieke landschap is inmiddels veranderd en er is geen meerderheid meer. Ik hoor daarom graag van de minister dat zij deze motie niet zal uitvoeren.

Voorzitter. De meeste dereguleringswinst is op zeer eenvoudige wijze te realiseren, kan ik u vertellen. U plaatst gewoon alle dieren op de lijst met beschermde soorten en heft alle uitzonderingsbepalingen op.

Voorzitter. Helemaal verbaasd was ik bij het voornemen van de minister om oude tradities weer uitgebreider toe te laten, zoals het vangen van eenden in een eendenkooi en de uitbreiding van het gebruik van roofvogels om mee te jagen. Jagers worden zo op hun wenken bediend met middeleeuwse barbaarse praktijken. Deze vormen van jacht zijn in strijd met het ‘nee, tenzij’ principe en ik wil graag van de minister weten waarom zij hier ineens vanaf wil wijken.

Voorzitter. Met deze plannen en zogenaamde verbeterpunten ben ik er niet gerust op dat de nieuwe integrale natuurwet die de minister voor ogen heeft voor de natuur een verbeterde bescherming op zal leveren.

Of er nu één wet komt of dat er drie afzonderlijke wetten blijven, maakt mij niet zoveel uit. Wat mij wel uitmaakt is dat effectieve natuurbescherming hierin centraal zal staan. Daar zijn deze wetten immers voor bedoeld, en niet voor het zoveel mogelijk ruimte laten aan andere activiteiten zoals jagen, bouwen en boeren. Daar hebben we genoeg andere wetten voor…

Ik heb al betoogd dat natuurwetgeving de intrinsieke waarde van het dier hoort te waarborgen en dat de huidige flora- en faunawet daarin voorziet. Hoe zit dat met een eventuele nieuwe integrale wet?

Natuurwetgeving kan wat ons betreft, consistenter en eenvoudiger kan zijn, maar niet ten koste van de bescherming van individuele dieren, soorten en het ecosysteem als geheel. Hoe ziet de minister dat?

Voorzitter. Elke vorm van plannenmakerij en elk proces van wetswijziging dient vooraf te zijn gegaan door een evaluatie van de bestaande wetgeving. Om zo te kijken of de huidige wetten ook datgene hebben gedaan waarvoor ze zijn gemaakt. Of de beoogde effecten zijn bereikt en wat kan worden verbeterd. Op deze wijze leren we van fouten uit het verleden.

Het verder uithollen van de huidige bescherming van de natuur in Nederland via nieuwe natuurwetgeving, op basis van een evaluatie waarin deze aspecten niet zijn meegenomen, is op zijn zachtst gezegd een farce.

We zullen daarom eerst de huidige wetten zoals de natuurbeschermingswet, de Flora- en faunawet en de Boswet moeten evalueren op de mate waarin zij geslaagd zijn de natuur in Nederland te beschermen. Ik roep de minister op deze slag alsnog te maken. Ik overweeg hierover een motie in te dienen.

Dit zelfde manco schuilt helaas ook in de plannen voor de handhaving van de natuurwetgeving. Concrete en meetbare doelstellingen en bijbehorende nulmetingen lijken deze minister vreemd.

Om te voorkomen dat we over een paar jaar wederom een vernietigend rapport toegezonden krijgen van de Algemene Rekenkamer, zou ik de minister op het hart willen drukken hier bij dit onderwerp wel goed bij stil te staan. Zonder doelstellingen geen resultaat, zonder nulmeting geen effect.

Ook in het convenant nalevingstrategie natuurwetgeving wordt niet gerept van enige ambitie of resultaatverplichting. Er zijn geen harde gegevens waaruit je zou kunnen concluderen dat het programmatisch handhaven effectiever zal blijken.

Typerend zijn in ieder geval de uitspraken van scheidend hoofdofficier van het Functioneel Parket, die nog geen drie maanden na de ondertekening van het convenant, wees op de tekortkomingen in de handhaving. Grote milieucriminelen ontspringen de dans. Laat dit nou juist die doelgroep zijn die niet makkelijk met risicoanalyses op te sporen is. De systematiek van programmatisch handhaven is primair gericht op bovengrondse sectoren. Op handel via bekende kanalen. De capaciteit ontbreekt om voldoende grote opsporingsonderzoeken in te stellen. Wij maken ons hier zorgen over. En wij zijn niet de enigen.
Er zouden minimaal honderd opsporingsambtenaren meer nodig zijn volgens de heer Craemer. Eerder al gaf de directeur van de IUCN aan dat Nederland in Europa het centrum is van de handel in bedreigde dieren en planten.
Ik heb de minister al ruim een maand geleden gevraagd om een reactie. Ik begrijp dat dergelijke kritiek pijn doet, maar ik hoop dat die reactie vanmiddag alsnog komt.