Bijdrage Partij voor de Dieren aan debat VWS begroting - tweede termijn (2009)


4 november 2008

Voorzitter, ik dank de minister voor de beantwoording. En ik onderstreep de waardering die ik in mijn eerste termijn heb verwoord. Sinds de invoering van de Wet op de Dierproeven, 31 jaar geleden, hebben we ons verplicht tot het streven het aantal dierproeven terug te dringen.

De weerstand tegen dierproeven is groot. Al jarenlang. Maar dat heeft zich niet vertaald in serieuze politieke aandacht voor de ontwikkeling van alternatieven. Daar is nu verandering in aangebracht. Er komen dingen los, er wordt structuur aangebracht, initiatieven komen van de grond. Ik dank de minister voor zijn inzet op dit gebied. En ik hoop zeer op continuering, en, nogmaals, een toekomstig budget dat aansluit bij het onderzoekspotentieel.

Ik hoorde de staatssecretaris een toekomstbeeld schetsen. Nederland zou in 2028 natuurlijk de Olympische Spelen hebben binnengehaald. Voorzitter, de investeringen die gemoeid zijn met de ratrace om de gunst van het Olympisch Comité lopen in de miljarden. Stelt u zich eens voor hoeveel proefdiervrije innovatiekracht we zouden kunnen ontwikkelen als we de komende 10 jaar ook maar 1/10 van die budgetten zouden aanwenden voor alternatieven voor dierproeven!

Voorzitter, de verse aandacht van het kabinet voor proefdieren is hoopvol. Maar we zijn er nog lang niet. Ik merkte het in mijn eerste termijn al op: dierproeven vinden nog altijd plaats achter gesloten deuren. Geen openbaarheid, geen controle. Zelfs op het ministerie weten ze niet of de wet wel wordt uitgevoerd zoals we ‘m bedoeld hebben. De minister kan wel stellen dat hij vindt dat de ethische afweging in het kader van de Wet op de dierproeven zorgvuldig gebeurt, maar dat kan hij helemaal niet weten. Want die afwegingen zijn geheim.

Een stapel proefschriften en onderzoeks- en evaluatierapporten wijst uit dat de minister waarschijnlijk ongelijk heeft. De Dierexperimentencommissies komen niet toe aan de verplichte ethische toetsing. Ze vinden het lastig het maatschappelijk belang te bepalen, zijn niet onafhankelijk en hebben van de wetgever geen afwegingskaders meegekregen waarbinnen ze de hen opgedragen taak –het toetsen van de toelaatbaarheid van dierproeven- naar behoren kunnen uitvoeren. Daarom heb ik een aantal moties.

Ik vraag de regering een ethisch afwegingskader te ontwikkelen voor het beoordelen van de toelaatbaarheid van dierexperimenten. Er moet afstand komen tussen een dierexperimentencommissie en de vergunninghouder aan wie advies wordt uitgebracht. De wet regelt dat slechts drie van de zeven (of meer) leden van dierexperimentencommissies niet in arbeidsrelatie tot de vergunninghouder mogen staan. Wie een beetje kan tellen, ziet dat dit een minderheid betreft, waarmee de onafhankelijkheid onvoldoende is gewaarborgd. Ik vraag de regering met voorstellen te komen om dit te regelen. En tot slot nodig ik de regering uit na te denken over de structuur waarin we de toetsing van de aanvaardbaarheid van proefdieronderzoek hebben geregeld. Een landelijke structuur met themacommissies, ondersteund door een centraal secretariaat, kan het begin van een totaaloplossing zijn voor de problemen op het gebied van de expertise, uniformering en onafhankelijkheid.

Voorzitter, de problemen op het dierproevendossier zijn in belangrijke mate terug te voeren op het feit dat de wetenschap meer dan 30 jaar geleden een flinke vinger in de pap heeft gehad toen besloten werd het gebruik van proefdieren bij wet te regelen. Nederland liep daarbij achter, en ook de wetenschap realiseerde zich dat ze niet meer uitkon onder regels voor de bescherming van de levende wezens die zij tot dan toe vrijelijk kon gebruiken voor haar experimenten. Haar lobby heeft zijn uitwerking destijds niet gemist. De vraag is of we ons daar tot in lengte van dagen bij moeten blijven neerleggen.

Want de geschiedenis herhaalt zich. De Wet op de dierproeven is geëvalueerd, er zijn waardevolle aanbevelingen gedaan. Drie jaar geleden al. Het kabinet schuift de terechte kritiek van de evaluatiecommissie echter van tafel omdat er ‘geen draagvlak’ zou bestaan voor de aanbevelingen.

Geen draagvlak? Nee natuurlijk niet. Wetenschappers en industrie hebben nog nooit vooraan gestaan om om wetgeving te vragen die hun vrijheid inperkt om te doen en laten wat zij willen. Maar wetenschap en industrie zijn geen onaantastbare grootheden die buiten de samenleving staan. Zij hebben te opereren binnen de kaders die de samenleving wenselijk, en moreel aanvaardbaar acht. Het is aan ons, voorzitter, de vertegenwoordigers van die samenleving, om die kaders vast te stellen en te bewaken.

De Wet op de dierproeven dateert uit de hoogtij dagen van het poldermodel, en uit de prehistorie van het algemene bestuursrecht. Dat zijn niet mijn eigen woorden, maar die van de juristen (staats- en bestuursrecht) die de wet in 2005 hebben geëvalueerd.

In het bestuursrecht van de 21ste eeuw staat het ‘besluit-begrip’ centraal. Bestuurlijke besluitvorming vindt plaats in de volle openbaarheid, en het besluit vormt het aanknopingspunt voor rechtsbescherming. Voor de Wet op de dierproeven geldt dit allemaal niet, en dat is vreemd, vond de evaluatiecommissie. Zij hebben zichzelf de vraag gesteld of er draagkrachtige redenen bestaan om deze afwijkingen van het bestuursrechtelijke stelsel te handhaven. Nee, was het antwoord. Bestuurlijke beslissingen zijn openbaar en moeten door de rechter kunnen worden getoetst. Juist op een terrein als dat van de dierproeven moet verantwoording kunnen worden afgelegd. Het kabinet weet dat de rechter intussen meermalen heeft geoordeeld dat Dierexperimentencommissies kunnen worden aangemerkt als bestuursorganen in de zin van de Wet openbaarheid van bestuur. Het weet ook wat de evaluatiecommissie heeft aanbevolen. Maar ze laat haar oren hangen naar wetenschap en industrie, die de hakken in het zand zetten toen het er even op leek dat de wetgever het daglicht wilde laten schijnen over de dierproeven die zij verrichten.
De evaluatiecommissie merkte nog –terecht- op dat de Wet openbaarheid van bestuur de benodigde bescherming geeft van bedrijfsvertrouwelijke gegevens, en dat bovendien overwogen kan worden nadere bepalingen op te nemen in de Wet op de dierproeven zelf, bijvoorbeeld met betrekking tot de bescherming van gegevens over de locatie van de uitvoering van dierproeven en de bescherming van persoonlijke gegevens.

Het kabinet kan geen enkele houdbare reden aanvoeren om vast te blijven houden aan verouderde wetgeving die bedoeld was om proefdieren de bescherming te geven die zij verdienen. Het zijn immers de dieren die de experimenten in de laboratoria van wetenschap en industrie met hun leven moeten bekopen. Mogen daar misschien deugdelijke regels tegenover staan? En mogen we misschien een keer controleren of de wet wel wordt uitgevoerd zoals we ‘m bedoeld hebben? Ik dien een motie in die de regering oproept de Wet op de dierproeven te laten aansluiten bij de algemene systematiek van het bestuursrecht.

Voorzitter, ik wees er al eerder op: we weten bar weinig over de dierproeven die in ons land worden uitgevoerd. Worden beschikbare alternatieven wel toegepast, zoals de wet voorschrijft, ook als het alternatief een model is dat door een cosmeticaconcern is ontwikkeld en commercieel wordt geëxploiteerd? Ik heb die vraag wel gesteld, maar ik verwacht niet dat de minister hierop kan antwoorden. Want hij kan het niet controleren.

Ook de verslaglegging is bedroevend. De dierproeven die plaatsvinden in het kader van de farmaceutische strategie om ongemakken tot ziekte te promoveren, vallen in het jaarlijkse cijferoverzicht onder het niet-verdachte kopje “ontwikkeling en controle van geneesmiddelen”. En universiteiten moeten meer gegevens aanleveren dan de farmaceutische industrie. Voorzitter, dat moet echt beter en ik dien daarover een motie in.

Ik maak meteen gebruik van de gelegenheid om aan de minister te vragen waar de rapportage over 2007 blijft. 2008 is inmiddels bijna om.

We zien het aantal voedingsmiddelen met een gezondheidsclaim de ‘gewone’ producten verdringen op de schappen in de supermarkt. Tegelijkertijd zien we dat het aantal dierproeven in de categorie “Voedseladditieven voor menselijke consumptie” met 250% stijgen. Zou het een iets met het ander te maken hebben? De minister zegt: nou… ik denk het niet hoor. Ik vermoed iets anders. Hoe het ook zij, ik wil het weten. Dat lijkt me niet teveel gevraagd. De volgende motie vraagt de regering dan ook inzicht te verschaffen in de stijging van het aantal dierproeven voor voedingsadditieven.

Voorzitter. Dan mijn vragen over de relatie tussen leefstijl, overgewicht en het eten van dierlijke eiwitten. Ik heb aangegeven dat het minderen van de overmatige vleesconsumptie in Nederland niet alleen bijdraagt aan een betere volksgezondheid, maar ook een belangrijke winst kan opleveren voor het klimaat, de biodiversiteit en de honger elders in de wereld. Dat wordt gelukkig ook door het Kabinet erkend.

Ik heb verder gepleit voor integraal en consistent kabinetsbeleid om de ambitie van vleesvermindering verder gestalte te geven. Het is jammer dat de minister niet heeft willen kiezen voor die integrale benadering in zijn Voedingsnota. Hij legt de bal nu bij landbouwminister Verburg, zo lees ik uit zijn schriftelijke antwoorden… Jammer, want deze minister jongleert ook al met de belangen van de landbouwsector. En ik kan u verzekeren dat die belangen vaak tegenstrijdig zijn aan de belangen van een gezonde voeding en leefstijl.

Ik vermoed dan ook dat de toezegging van de heer Klink om bij zijn landbouwcollega te suggereren een nulmeting uit te voeren naar de huidige eiwitconsumptie aan dovemansoren gericht zal zijn. Voor de zekerheid dus alvast een motie.

En dan, tot slot, voorzitter, een motie over de promotie van de visconsumptie in tijden van uitstervingscrises in onze zeeën en oceanen. Het kabinet zou er goed aan doen een einde maken aan promotie van visconsumptie en in plaats daarvan de consumptie van plantaardige bronnen van omega 3-vetzuren stimuleren.
Dank u wel.