Bijdrage Partij voor de Dieren aan crisis- en herstelwet tweede termijn


18 november 2009

--

De heer Koopmans (CDA): (..)
Net als mevrouw Ouwehand zijn wij benieuwd naar wat
de minister van LNV ons gaat vertellen over het
amendement op stuk nr. 55.

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Ik heb inderdaad nog wel
wat vragen over het amendement op stuk nr. 55, maar
vooral ook aan de heer Koopmans. Ik vraag mij af
waarom er geen concrete termijnen zijn opgenomen en
waarom er wordt gesproken over een ambitieuze en
realistische daling, naast een weging van haalbaarheid
en betaalbaarheid. Bedoelt de heer Koopmans met dit
amendement een programmatische aanpak te regelen
via de beheerplannen, waarin op termijn wordt gekeken
wat de haalbare daling van de stikstofdepositie is? En als
dat zo is, wat is dan in de optiek van de heer Koopmans
met het voorliggende wetsvoorstel en aanvullend zijn
amendement de precieze rechtspositie van de ondernemer?
De minister zegt namelijk in haar antwoorden dat
zij uitgaat van de programmatische aanpak. Dat biedt
volgens haar rechtszekerheid. Kunnen ondernemers er
dan op basis van een beheerplan, met aanvullend die
programmatische aanpak, van uitgaan dat zij zes jaar
lang de handelingen mogen uitvoeren die in dat
beheerplan zijn opgenomen? De volgende vraag dringt
zich namelijk op. Als blijkt dat de aanpak van de minister
niet werkt – en daarop wijzen alle signalen – en er
tussendoor een procedure komt van Europa, voor wie is
dan de rekening? Wordt het beheerplan aangepast en
blijkt de worst die de minister voor de neus van de
ondernemer heeft gehouden, toch niet te kunnen worden
opgegeten? Ik ben vegetariër, dus dat spreekt mij op zich
aan, maar het lijkt mij toch niet dat wij dat zouden
moeten willen. Met andere woorden: moet de ondernemer
tussentijds toch bloeden, of gaat het om een
keiharde rechtspositie en moet de staatskas open?

De heer Koopmans (CDA): Deze lange vraag bevatte
volgens mij minstens veertien vragen, maar hij is vrij
simpel te beantwoorden. Met dit amendement kiest mijn
fractie voor een ambitieus plan. Een programmatische
aanpak van stikstof is ambitieus. Het amendement is ook
in die zin geformuleerd. Maar het is ook flexibel. Ten
gevolge van jurisprudentie zitten de Natura 2000-
gebieden nu op slot. In het plenaire debat gaf ik al het
voorbeeld van ondernemers die willen investeren in
minder stikstofuitstoot. Zij worden geremd; zij mogen dat
niet eens, omdat dat minderen alsnog een significantie
aantasting zou kunnen zijn. Dat is een bizarre situatie.

Wij krijgen dus een ambitieus verhaal dat flexibel
toepasbaar is. In de komende jaren gaan wij dus naar
minder uitstoot toe. De flexibiliteit zorgt ervoor dat de
rechtszekerheid van de ondernemers geweldig verbetert.
De rechtszekerheid die zij nu hebben, is namelijk vrij
simpel: zij weten niet wat zij mogen doen en als zij wat
vragen krijgen zij meestal een ’’nee’’, na een lange zit bij
de Raad van State. Dat werkt natuurlijk niet. Dat is niet
omdat zij geen goede ideeën hebben, maar omdat wij de
regelgeving niet goed hebben geregeld. Dat is niet
omdat zij het milieu slechter maken, maar omdat wij de
regelgeving niet goed hebben geregeld. Dat gaan wij
met dit amendement, in combinatie met de tweede nota
van wijziging en de rest van de inhoud van het wetsvoorstel,
beter doen. Daarvoor hoeft dus niemand te betalen.
Het is dus ook nog gratis!

Mevrouw Ouwehand (PvdD): De heer Koopmans
onderbouwt niet waarop hij de stelling baseert dat
niemand hoeft te betalen. Ik ben het met hem eens dat
ondernemers nu niet weten waaraan zij toe zijn. Dat is
bestuurlijk een heel groot politiek onvermogen op dit
dossier. Maar ik denk niet dat dit het gaat oplossen.
Daarin ben ik niet de enige: ook de Raad van State
spreekt daarover. Dus nogmaals de vraag: hoe gaat dat
straks lopen? Ik zou graag zien dat de heer Koopmans
daarover gewoon een beetje eerlijk is.

De heer Koopmans (CDA): Het moet niet gekker worden,
dat hier aan mijn eerlijkheid wordt getwijfeld. Waarom
zou de Staat moeten gaan betalen? Ik kan er sowieso
geen rechtsgrond voor bedenken. Als gevolg van dit
amendement hoeft men niet te betalen.

--
De heer Van der Ham (D66): Ik ga verder met de
stikstofdeposities. Het amendement-Samsom/Koopmans
is interessant, omdat het een heel praktische oplossing
wil bieden voor een groot probleem tussen boeren en
natuurbeschermers. Ik heb daarop een aanvullend
amendement ingediend, om het gaatje dat toch nog in
het amendement zit, te dichten. De regering zegt dat dit
niet nodig is. Dat vind ik een beetje flauw. Een aantal
milieuorganisaties zegt dat dit de kern van het probleem
is. Door dit gaatje kan nog heel veel misgaan. Zij
verwijzen daarbij ook naar de commissie-Huys, die heeft
gezegd dat het voor het slagen van de constructie
essentieel is dat alle activiteiten dwingend zijn ondergebracht
in een programma. Daarom is het amendement
dat ik daarop heb ingediend zo belangrijk. Als de heer
Samsom dit niet nodig vindt, kan hij er ook niet per
definitie tegen zijn. De heer Samsom heeft in eerste
termijn gezegd dat het hooguit een bezwaar kan
opleveren als de procedure gecompliceerd wordt. Dat
heb ik de minister niet horen zeggen. Het kan hooguit
niet nodig zijn. Laat hij dit dan in het amendement
opnemen. Leg er in ieder geval geen taboe op in de
richting van de coalitiefracties.

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Ik begrijp de opmerkingen
van de heer Van der Ham, maar het vervelende aan de
Natuurbeschermingswet is dat de Raad van State heeft
gezegd dat er hiaten zijn met betrekking tot de Vogel- en
Habitatrichtlijn en dat er dus heel stevige discussies over
moeten worden gevoerd. Wat mij betreft is het totaal
onverantwoord om dat er nu doorheen te jassen. Ik heb
een vraag aan de heer Van der Ham over zijn amendement.
Ik begrijp wel dat hij dit wat wil aanscherpen,
maar het probleem met de beheerplannen blijft dat het
bestaand gebruik dat daarin wordt opgenomen, niet
onderworpen wordt aan de Habitattoets en daaraan ook
nooit onderworpen is. Ik heb de minister gevraagd of zij
wil laten zien hoe zij met de verplichtingen van de
Habitatrichtlijn is omgegaan. Zij wil dat niet. Het
vermoeden dat er nooit getoetst is op de effecten is dus
buitengewoon sterk. Als we het gaan opnemen in het
beheerplan, zou zomaar de situatie kunnen ontstaan dat
er significant schadelijke effecten optreden die we niet
kunnen terugdraaien. Heeft de heer Van der Ham het
idee dat we Europaproof zijn als zijn amendement wordt
aangenomen in aanvulling op dat van de heren
Koopmans en Samsom? Ik denk namelijk van niet.

De heer Van der Ham (D66): Dat weet ik ook niet voor
de volle honderd procent. Het amendement-Samsom/
Koopmans wordt echter niet per definitie door het
kabinet afgewezen. Ik ga er daarom van uit dat het de
verantwoordelijkheid op zich durft te nemen om de
maatregelen te verdedigen in Europa. Ik vind het van
groot belang dat mijn amendement eraan wordt
toegevoegd om het gaatje dat er nu nog in zit, af te
dichten. Ik sta sympathiek tegenover het amendement-
Samsom/Koopmans omdat ik, zoals de heer Samsom in
de toelichting op het amendement stelt, zie dat er een
enorme standstill is. Iedereen houdt elkaar in de
houdgreep, zowel de landbouw- als de milieuorganisaties.
Dan moet de politiek een knoop durven doorhakken.
Ik ben bereid om daar steun aan te geven, mits mijn
amendement daarbij, als afhechting, wordt aangenomen.

--

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Voorzitter ...

De heer Koopmans (CDA): Voorzitter. Mag ik een punt
van orde maken? Bij een wetgevingsoverleg is het
natuurlijk mogelijk dat iemand in tweede termijn een
derde van zijn spreektijd van de eerste termijn gebruikt.
Ik zou het echter een bijzonder gebruik van dat recht
vinden als mevrouw Ouwehand hier nu 20 minuten het
woord gaat voeren terwijl wij allemaal zes, zeven of acht
minuten hebben gehad.

De voorzitter: Mevrouw Ouwehand heeft aangegeven
tussen de 10 en 15 minuten nodig te hebben.

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Voorzitter. Het is typerend
dat de woordvoerder intensieve veehouderij van het
CDA, wiens persoonlijke verlangen het is om alle
natuurbeschermingsregels zoveel mogelijk onder het
tapijt te schoffelen ten gunste van de intensieve
veehouderij ...

De heer Aptroot (VVD): Voorzitter. Een punt van orde. Ik
vind dat mevrouw Ouwehand niet op deze manier over
de integriteit van een collega kan spreken. Ik neem het
voor de heer Koopmans op want het is altijd beter dat
een ander dat doet dan dat je het zelf moet doen. Het
werd misschien uitgelokt door de opmerking van de heer
Koopmans, maar ook ik heb mij in eerste termijn
geërgerd aan het feit dat alles zo traag, uitvoerig, dubbel,
drie-, vier- en vijfvoudig aan de orde werd gesteld. Ik
roep iedereen op om met elkaar zorgvuldig de tweede
termijn te doen en de regering te kunnen horen en nog
nader te kunnen bevragen. Ik zou mevrouw Ouwehand
willen vragen, het een beetje beknopt te doen.

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Voorzitter. Het is sympathiek
van de VVD-collega om het op dit punt op te
nemen voor de woordvoerder van het CDA. De feiten
staan wel hard op papier, mijnheer Aptroot, en die kent u
vast ook. Het lijkt mij stug dat het het best bewaarde
geheim van Den Haag zou zijn dat het CDA uit is op het
beschermen van de natuur. Dat is niet het geval.
Het handhaven en het naleven van de Europeesrechtelijke
verplichting tot bescherming van natuur is hét
dossier waarover de commissie-Elverding had moeten
spreken. Als de minister-president zegt dat daarmee aan
de slag wordt gegaan, vraag ik mij af wat er bij LNV en
bij de provincies gebeurt om ervoor te zorgen dat de
afgesproken natuurwetgeving ook daadwerkelijk wordt
uitgevoerd.
Ik zeg niet zomaar dat de heer Koopmans altijd enthousiast
is over voorstellen die de bescherming van de natuur
afzwakken en de intensieve veehouderij meer ruimte
geven. Wij hebben dit kunnen zien bij de Interimwet
ammoniak en veehouderij en bij de continue verslechtering
van het ammoniakbeleid via het milieuspoor. Als de
hele milieuwetgeving genoeg is uitgehold, wordt er
vervolgens gegild dat er een crisis is ontstaan. Dat is
logisch omdat je diezelfde wetgeving terugkrijgt via de
natuurbeschermingsdoelen. Iedereen had dat kunnen
zien aankomen. Ik kan mij niet voorstellen dat de zittende
partijen geen juristen in huis hebben die dit hadden
voorspellen. Ik vermoed hier méér dan alleen politieke
onwil; het riekt naar een bewuste politieke strategie om
zoveel mogelijk regels die het natuur en het milieu
moeten beschermen, uit te gummen en daarmee flexibel
om te gaan. Zelfs met de voorgestelde wetgeving
moeten wij concluderen dat sprake is van een oneigenlijke
legalisatieslag.

De heer Koopmans (CDA): Kan mevrouw Ouwehand
antwoord geven op de vraag hoeveel de ammoniakuitstoot
sinds 1990 is gedaald?

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Ja hoor, dat kan ik best.
Dat is gedaald van rond de 3000 naar 2200 in 2002.
Sindsdien is het gelijk gebleven. Dat is al acht jaar lang,
meneer Koopmans.

De heer Koopmans (CDA): Ik zou het nog wat specifieker
willen horen. Hoe is de nationale uitstoot in megatonnen
gedaald sinds 1990?

Mevrouw Ouwehand (PvdD): De nationale uitstoot heb
ik niet op mijn netvlies. Ik heb de 3000 mol per hectare
van de jaren negentig op mijn netvlies, en de 2200 mol
sinds 2002. De heer Koopmans weet heel goed dat de
nationale uitstoot zich niet leent voor het sturen op
natuurdoelen, en hij leent zich ook niet voor de verzuringsgevoelige
gebieden in de Peel. De heer Koopmans
moet dus niet aankomen met nationale plafonds, hij
weet net zo goed als ik dat de natuur daar helemaal niet
mee gediend is, tenzij we onder de 1400 terechtkomen,
misschien. Dan nog is een gebied als de Peel, dat maar
400 mol kan hebben, er niet bij gebaat als we op dat
instrument inzetten.

Ik begrijp het spelletje wel, maar de lijn is duidelijk. Alles
riekt naar politieke strategie om hier zo veel mogelijk
onderuit te kunnen komen. Als ik de minister dan vraag
om te laten zien aan de Kamer hoe er met de verplichtingen
vanuit de Vogel- en Habitatrichtlijn is omgegaan, wil
ze die informatie niet geven. Hoe is die verplichting
gehandhaafd, al dan niet neergelegd in de Natuurbeschermingswet?
Ik vind het ongehoord dat ze die informatie
niet wil geven. De Kamer heeft die informatie in
mijn optiek nodig om een passende beoordeling te
kunnen maken van dit wetsvoorstel. Waarom is gekozen
voor 7 december 2004? Ik begrijp de datum wel. Dat is
de datum waarop de gebieden zijn aangewezen, maar
het is natuurlijk relevant of de toenmalige depositie ooit
aan een Habitattoets is onderworpen. Ik heb de stellige
indruk dat dit niet is gebeurd. Ik wil er zekerheid over
krijgen van de minister, maar ze geeft geen antwoord.
Dan vraag ik haar voor de laatste keer – ik heb er zo een
motie over – om een evaluatie te laten uitvoeren en een
onderzoek in te stellen. Ik vind het ongehoord dat de
Kamer geen antwoord krijgt. Ik vraag haar aan te geven
wat zij heeft overgedragen aan de provincies toen zij zich
moesten gaan bezighouden met het verlenen van de
vergunning op basis van de Natuurbeschermingswet. Het
kan niet zo zijn dat de minister daar geen briefje bij heeft
gestuurd over welke beleidsregels gehandhaafd moesten
blijven en welke handhavingsactiviteiten zij zelf al had
ondernomen. Met andere woorden: waar moeten we nog
gaan toetsen en waar niet? Ik vind het onvoorstelbaar
dat de minister deze gegevens niet kan leveren. Ik hoor
de VVD opzichtig zuchten, maar het is niet anders.

Dan even terug naar 7 december 2004. Ik heb de stellige
indruk dat de bestaande deposities niet zijn getoetst. De
minister denkt dat ze daarmee wegkomt. De Raad van
State zegt dat uit de toelichting niet blijkt dat dit gevolg
van de voorgestelde bepaling in het licht van de naleving
van de Vogel- en Habitatrichtlijn in ogenschouw is
genomen. Kortom, dit punt is vermoedelijk strijdig met
de richtlijnen. Hoe komt dat? Omdat Nederland al voor
die datum verplichtingen had ten aanzien van de Vogelen
Habitatrichtlijn. Dat Nederland heeft getreuzeld met
het aanwijzen van de gebieden, betekent nog niet dat we
daar ons voordeel mee mogen doen. Dat is overigens
een uitspraak van het Europese Hof van Justitie. Alleen
dit al lijkt me voldoende reden om de hele Natuurbeschermingswet
uit de Crisis- en herstelwet te schrappen.

Ik vraag me af welke risico’s de minister ziet als ze deze
peildatum hanteert, terwijl ze de Habitattoets achterwege
heeft gelaten en ook niet gaat toepassen voor bestaand
gebruik, dat in beheerplannen wordt opgenomen. Dan
kom ik weer terug bij de vraag die ik aan het begin van
dit debat aan de heer Koopmans stelde: als Europa er
niet mee akkoord gaat, en die kans is groot, wat is dan
de status van die beheerplannen? Is het voor de rekening
van de ondernemer of is het voor de rekening van de
minister?

Over de zogenaamde dalende lijn van de stikstofdefinitie
heb ik al iets gezegd in een interruptiedebatje met de
heer Koopmans. De minister zegt dat sprake is van een
dalende lijn, maar sinds 2002 is de stikstofdepositie gelijk
gebleven. Waar zien we die daling in? Ik wil meer horen
van de minister dan: generieke aanschrijvingsbevoegdheid
en programmatische aanpak, als we geen concrete
cijfers zien. We weten al dat we het doel dat de regering
zich ooit heeft gesteld, maximaal 1400 mol in 2010, niet
gaan halen, aangezien we nu op 2200 mol zitten. Het
andere doel, 1650 mol, gaan we ook niet halen. Naar
welke daling gaan we toe? Hoe verhoudt deze wazige
aanpak, zonder concrete deadlines en zonder concrete
doelstellingen voor een specifieke daling, zich tot het
verslechteringsverbod uit de Habitatrichtlijn?

De heer Koopmans (CDA): Weet mevrouw Ouwehand
van de afspraak met Brussel over de totale emissie van
128 megaton? Weet zij dat we nu al op 119 zitten?

Mevrouw Ouwehand (PvdD): De heer Koopmans doet
iedere keer alsof er geen habitattypen te beschermen
zijn. Dat zegt nog niks over wat een natuurgebied kan
hebben. Daar hebben wij ons aan te houden. We hebben
de plicht om natuurgebieden te beschermen en ervoor te
zorgen dat ze niet achteruit gaan. Ik confronteer hem met
het volgende voorbeeld. Als zijn buurman iedere dag zijn
vuilnis bij hem in de tuin gooit, gaat zijn tuin er toch op
achteruit? Als die buurman dan zegt: vooruit, voortaan
gooi ik de melkpakken niet meer in de tuin, dan heeft de
Koopmans nog steeds troep. Ja, minder, en hij definieert
die situatie als een verbetering, maar dat kan natuurlijk
helemaal niet. Het kan zijn dat hij zo tolerant is dat hij
dat zo opvat, maar dat is het waarmee de heer Koopmans,
de minister, en ook Partij van de Arbeid en
ChristenUnie dit wetsvoorstel proberen te verdedigen.
Zolang sprake is van een grotere depositie op een
natuurgebied dan het natuurgebied kan hebben – ik doel
op de kritische depositiewaarde – is sprake van een
verslechtering, en dat is in strijd met de Habitatrichtlijn.

De heer Koopmans (CDA): Veel woorden om aan te
tonen dat u niet begrijpt wat er op het platteland aan het
gebeuren is. Daar wordt fors geïnvesteerd in minder
uitstoot, daar wordt de uitstoot gehalveerd in bijna
twintig jaar tijd, wat toch een heel knappe prestatie is. U
begint elke keer over die 1400 mol, de uitstoot van het
buitenland en andere sectoren die niet hebben geleverd,
en hetzelfde geldt voor het verkeer, dat niet volledig
heeft geleverd. Dát is de fout die u maakt. U wijst elke
keer naar de veehouderij en zegt dat die niet levert,
terwijl die als enige heeft geleverd. Bent u dat met mij
eens?

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Misschien kan de heer
Koopmans de onterechte indruk hebben dat ik niet ben
geïnteresseerd in het aandeel van het buitenland en de
wegen. Dat ben ik wel. Maar als hij wil bewijzen dat de
veehouderij zo goed zijn best heeft gedaan, waarom
deelt hij dan niet mijn oproep aan de minister om
duidelijkheid te geven over de mate waarin de Habitattoets
is uitgevoerd voor activiteiten die schadelijke
effecten hebben op een natuurgebied? Dan weten we
meteen waaraan we toe zijn. Maar dat is natuurlijk het
plan niet. Het plan is het in stappen omlaag brengen van
de depositiewaarden. Als iemand troep over je schutting
gooit, ben je daar ook niet gelukkig en tevreden mee.

De heer Koopmans en anderen reageren nogal fel op de
uitgebreide aandacht voor de natuurbeschermingscomponent
in dit wetsvoorstel, maar dit is de belangrijkste
component waarop de Raad van State ernstige kritiek
heeft gehad. Waarom wil de regering vasthouden aan
deze wijziging in de wet? Wat zijn daarvan de Europeesrechtelijke
risico’s?

Ik heb de legalisatieslag al aangestipt: onacceptabel,
gezien ook eerdere uitspraken van het Europese Hof van
Justitie. Ik vraag de minister om de stikstofdepositie en
de peildatum te herzien. Dan concreet over de programmatische
aanpak. Mij is niet duidelijk hoe het zit met die
aanschrijvingsbevoegdheid. De minister heeft die naar de
provincies geschoven. Ik heb in de eerste termijn al
gezegd dat ik de provincies heb gevraagd hoe zij dit
gaan aanpakken, en zij hebben nog geen idee. Het
belangrijkste is natuurlijk wat de minister gaat doen,
mocht blijken dat de beheerplannen onvoldoende
tegemoetkomen aan de natuurdoelstellingen. Blijft dit bij
de provincies liggen of gaat de minister zelf handelen?
En als er moet worden opgetreden, kunnen wij dan
verwachten dat beheerplannen moeten worden gewijzigd
en hoe ziet de minister dat gebeuren?

Tot slot wil ik het amendement van de heren Samsom en
Koopmans doornemen. Het is eigenlijk hetzelfde laken
een pak. Er worden geen concretiseringen gemaakt. Ik
vraag mij af waarom er niet met concrete begrippen en
deadlines wordt gewerkt. Die vraag stel ik aan de heer
Samsom van de PvdA-fractie, omdat daarmee misschien
makkelijker zaken zijn te doen, al heb ik daarin ook niet
zoveel vertrouwen meer. Ik lees dat is bedoeld: de
realisatie van de instandhoudingsdoelen. En ik lees: een
ambitieuze en realistische daling. Ik lees: generieke
maatregelen en gebiedsgerichte, op effect gerichte
maatregelen; maar ik zie nergens de kritische grenswaarden,
ik zie nergens het verslechteringsgebod terugkomen
en ik zie nergens binnen welke termijn wij die doelen
dan gerealiseerd zouden moeten hebben.
Mijn stellige indruk, mijnheer Samsom, is dat dit
amendement nog steeds de hele wijziging in de Nb-wet
niet Europaproof maakt. Ik vraag mij af welke verantwoordelijkheid
u daarvoor wilt nemen. U kunt toch niet
menen wat u in eerste termijn tijdens een interruptiedebatje
tegen mij zei: als u gelijk hebt, mevrouw Ouwehand,
dan horen wij dit vanzelf wel van Europa? Dat
heeft toch grote gevolgen voor de natuur, voor de
rechtspositie van ondernemers en, naar ik mag hopen,
voor uw eigen politieke positie?

Gezien het gezucht en gesteun ben ik nu toegekomen
aan de twee moties die ik wil indienen. Ik sluit af met de
woorden die wij tijdens het rondetafelgesprek mochten
horen van verschillende deskundigen: zeg niet dat u niet
gewaarschuwd bent. De eerste motie luidt als volgt.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat vergunningen in het kader van de
Natuurbeschermingswet 1998 de toets van de rechter
dikwijls niet kunnen doorstaan;

constaterende dat er al geruime tijd onduidelijkheid
bestaat over de toetsing van activiteiten aan de Vogel- en
Habitatrichtlijn;

verzoekt de regering, een onafhankelijk onderzoek uit te
laten voeren naar de uitvoeringspraktijk van het
natuurbeschermingsbeleid, uitgaande van de verplichtingen
voortkomend uit de Vogel- en Habitatrichtlijn,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter: Deze motie is voorgesteld door het lid
Ouwehand. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan
voldoende ondersteund.
Zij krijgt nr. 94 (32127).

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Voorzitter. Ik licht op de
motie toe dat ik expres spreek over het brede begrip
’’natuurbeschermingsbeleid’’ omdat ik niet alleen maar
de handhaving van de daadwerkelijke Nb-wet onderzocht
wil hebben, maar ook de verplichtingen waarover
discussie bestaat tussen mij en de minister, de verplichtingen
die vanuit de Vogel- en Habitatrichtlijn door
Nederland hadden moeten worden ingevuld. Dit betreft
bijvoorbeeld gebieden die al eerder in aanmerking
kwamen voor bescherming, maar door Nederland nog
niet op tijd waren aangewezen. Uitspraken van het
Europese Hof van Justitie wijzen erop dat Nederland in
een eerder stadium dan de minister nu denkt, al een
beschermingsverplichting had. Ik wil graag duidelijkheid
over hoe die beschermingsverplichting is nagekomen.
Eventueel kan in het onderzoek dan ook aan de orde
komen waar die grens precies had moeten liggen.
Ik kom aan mijn tweede en laatste motie.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

ervan overtuigd dat de voorliggende crisiswet niet zal
bijdragen tot een duurzaam herstel van de economie en
per saldo niet bijdraagt aan duurzaamheid;

overwegende dat het wetsvoorstel onaanvaardbare
gevolgen heeft voor natuur, milieu, biodiversiteit, de
rechtsbescherming en de democratische rechtsstaat;
overwegende dat het wetsvoorstel op diverse punten
strijdig is met Europees recht;

verzoekt de regering, de Crisis- en herstelwet in te
trekken,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter: Deze motie is voorgesteld door het lid
Ouwehand. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan
voldoende ondersteund.
Zij krijgt nr. 95 (32127).

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Voorzitter. Ik maak een
laatste opmerking. Ik ben van mening dat het onverantwoord
is om een zo belangrijke wet als de Natuurbeschermingswet,
waarover door de jaren heen zo
ontzettend veel juridische discussie heeft plaatsgevonden,
op dit moment in de Crisis- en herstelwet te
wijzigen. Ik ben van oordeel dat het, ondanks alle
afspraken die in de Kamer zijn gemaakt en waarvoor een
meerderheid bestond, onverantwoord is om dat in deze
tijdspanne te doen. De heer Koopmans heeft gelijk:
daaraan heeft de regering niet zo veel schuld, behalve
dan dat zij dit had voorgesteld. Ik wil dat in het kader van
dit debat graag hebben gezegd. Ik denk dat wij onvoldoende
met de minister van LNV van gedachten hebben
kunnen wisselen over de precieze implicaties. Er heeft
onvoldoende juridische toetsing van de doorgevoerde
wijzigingen heeft plaatsgevonden. Met andere woorden:
ik ga hiervoor geen verantwoordelijkheid dragen en roep
de andere fracties op dat ook zeker niet te doen.

--

Mevrouw Wiegman-van Meppelen Scheppink
(ChristenUnie): Sorry, die heb ik nog niet op mijn lijstje
staan. Het is onvoldoende bijgewerkt.

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Ik wil even terug naar de
eerste termijn, waarin mevrouw Wiegman nogal
aangedaan leek, omdat ik haar verweet, de natuur aan de
kant te schuiven. Ik wil een vraag stellen over de
evaluatie waarover zij zonet heeft gesproken. Mevrouw
Wiegman, het zou niet voor de eerste keer zijn dat de
ChristenUnie steun verleent aan een wetsvoorstel of aan
een beleidslijn waarvan juristen van tevoren zeggen dat
ze de natuurdoelen ernstige schade berokkenen en
waarvoor milieuorganisaties hebben gewaarschuwd.
Hierbij dreigt hetzelfde te gebeuren. Als mevrouw
Wiegman zegt dat zij wel wil evalueren, klinkt dat
natuurlijk allemaal heel redelijk. Onderschrijft zij echter
ten minste de stelling van ecologen dat, zolang die
kritische depositiewaarde wordt overschreden, het risico
in bepaalde natuurgebieden levensgroot is dat de
instandhoudingsdoelen nooit meer zullen worden
gehaald, omdat de schade zo groot is dat dingen
definitief verdwijnen? Als zij die stelling onderschrijft,
wat betekent dat dan voor het tempo dat wij aan den
dag moeten leggen en de concrete ambities waarop wij
elkaar zouden moeten afrekenen op dit dossier?

Mevrouw Wiegman-van Meppelen Scheppink
(ChristenUnie): Ik was vorige week wat aangedaan.
Gelukkig heb ik een weekend gehad om enigszins te
herstellen. Ik moet zeggen dat deze vraagstelling in ieder
geval wat constructiever van aard is. Mijn fractie is
positief over hetgeen geregeld gaat worden in de Crisisen
herstelwet op het gebied van natuurbescherming,
maar wel met het oog op de natuurwet die wel moet
gaan komen en waarin wij echt definitief en integraal een
en ander gaan regelen. Wij hebben er op dit moment
grote moeite mee dat rondom die beheerplannen
ontwikkelingen op slot zitten. Daar is de agrariër niet bij
gebaat, maar de natuur ook niet. Ik vind dat mevrouw
Ouwehand zich dat meer zou moeten aantrekken.
Niemand is er op dit moment mee geholpen. Wij vinden
het een goede zaak als je het proces kunt lostrekken,
waarmee je én de natuur én de ondernemer recht kunt
doen. Dat is namelijk altijd de inzet geweest van de
ChristenUnie, maar niet die van de Partij voor de Dieren.
Wij verschillen er nadrukkelijk in dat wij steeds zeggen:
natuur en de agrariër moet je niet tegenover elkaar
zetten, maar hand in hand laten gaan. Daar zien wij
mogelijkheden voor en die moeten wij grijpen.

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Ik krijg eigenlijk geen
concreet antwoord op mijn vraag. Het valt mij van een
partij als de ChristenUnie echt tegen dat ook zij
meewerkt aan het definiëren van het probleem van het
op de lange baan schuiven en het steeds maar tegenover
elkaar zetten van de natuurbelangen en de agrarische
belangen. Als je weet welke natuurdoelen je hebt te
beschermen, zou je immers ook kunnen kiezen voor de
stelling dat de agrariër erbij gebaat is dat daar zo snel
mogelijk duidelijkheid over wordt verschaft. De Christen-
Unie doet mee aan het spelletje van steeds maar
vooruitschuiven en steeds maar weer op een later
moment die botsing te laten ontstaan. Nogmaals, wij
hebben dat gezien bij het Toetsingskader ammoniak.
Daarvan had de ChristenUnie kunnen weten dat het zou
stranden bij de Raad van State. Als je daar als politieke
partij verantwoordelijkheid voor hebt genomen, moet je
dit ook zo durven benoemen. Je moet dan niet, zoals de
heren Samsom of Koopmans – de heer Koopmans is er
vooral heel erg sterk in – zeggen dat het om een crisis
gaat en ...

De voorzitter: Uw vraag, mevrouw Ouwehand.

Mevrouw Ouwehand (PvdD): ... dat het zo vervelend is
en dat bedrijven op slot zitten, zonder daarbij te benoemen
wat het eigen aandeel daarin is geweest. Kortom, ik
kan mij niet vinden in de manier waarop de ChristenUnie
meegaat in het definiëren van het probleem dat er steeds
maar weer toe leidt dat wij de natuurbelangen uiteindelijk
op de lange baan schuiven en zelfs helemaal niet
gaan halen.

De voorzitter: Mevrouw Ouwehand, u deed in feite een
feitelijke constatering en stelt geen vraag meer.
Mevrouw Ouwehand (PvdD): Ik begon mijn betoog dat
ik geen ...

De voorzitter: Ik wil toch graag dat u een vraag stelt. U
doet nu een constatering. Die is nu gedaan; dat lijkt mij
helder. Mevrouw Wiegman kan er nog op reageren, dat
laat ik graag aan haar over.

--

De heer Samsom (PvdA): (…)
Mevrouw Ouwehand stelde mij nog wat prangende
vragen over de invulling van het amendement. Waarom
staan er geen generieke getallen in dat amendement? Zij
heeft veel meer verstand van natuur dan ik, dus zij weet
dat dat juist bij natuurgebieden niet werkt. Per natuurgebied
zijn de depositiewaarden die maximaal kunnen
worden geaccepteerd anders, dus die willen we juist niet
generiek vastleggen in het amendement. Het grote
verschil in algemene zin tussen mevrouw Ouwehand en
mij is misschien wel het volgende. Wij hebben samen
waarschijnlijk jarenlang verlekkerd staan kijken naar de
manier waarop alles rond natuurgebieden op slot ging.
Die vermaledijde varkenshouders mochten vooral niet
verder uitbreiden. Daarmee waren wij samen waarschijnlijk
gelukkig. Totdat ik achterom keek en zag dat het
natuurgebied dat ik probeerde te beschermen ondertussen
alleen maar verder naar de gallemiezen ging. Dus
mijn blijdschap is daarmee wat bekoeld, want dat was
uiteindelijk het doel waarvoor ik het allemaal deed. Ik
neem aan dat dit ook voor mevrouw Ouwehand geldt.

Wat wij met dit amendement proberen te bereiken, is
precies dat laatste, namelijk dat ik niet meer alleen
verlekkerd zit te kijken naar die varkenshouders die
helemaal op slot worden gezet, maar vooral dat ik
achterom kan kijken en dat die natuur er een keer beter
bij gaat liggen. Dat is het belangrijkste verschil.

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Ik heb nog wat vragen
over dit amendement, maar eerst dit. Ik heb grote
waardering voor de heer Samsom als milieuman, maar
van natuur heeft hij inderdaad niet zoveel verstand. Dus
dank voor die erkenning. De feiten kloppen niet. Als hij al
persoonlijk verlekkerd heeft staan kijken naar die
varkenshouderijen die niet meer konden uitbreiden, dan
was dat in elk geval niet het beleid van zijn fractie. Zijn
fractie heeft in de loop der jaren steeds voorstellen
gesteund om de ammoniakdepositie verder toe te staan.
Ik noem twee zaken. Ten eerste de Wet ammoniak en
veehouderij, die het beschermingsregime terugbracht tot
bedrijven binnen een cirkel van 250 meter rond
natuurgebieden. Dat was 3000 meter. Ik noem maar even
iets. Ten tweede noem ik het Toetsingskader ammoniak,
waarover de Raad van State en alle natuurorganisaties
tevoren zeiden: dat gaat hem niet worden. Dus dat klopt
niet.

Het klopt ook niet dat de heer Samsom nu dat natuurgebied
gaat redden. Dat natuurgebied zal er alleen maar
mee gediend zijn als wij die kritische depositiewaarde
gaan respecteren. Dat heb ik gevraagd. Hij hoeft dan
geen getallen te noemen. Hij hoeft alleen maar in zijn
amendement te zeggen: dat is het streven, en wel
binnen, zeg, één jaar of vijf jaar. Dat heb ik hem
gevraagd. Blijft over de vraag die ik over zijn amendement
heb gesteld: waar blijven de concretisering en zijn
eigen inhoudelijke weging over de strijdigheid met
Europese regelgeving, waarop de Raad van State heeft
gewezen?

De heer Samsom (PvdA): De Raad van State wees op
een wetsvoorstel dat er na aanname van dit amendement
geheel anders uitziet. Laten wij daarmee beginnen.
Verder kijk ik liever even niet terug. Het was donderdagavond
ook zo gezellig.

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Nu niet natuurlijk.

De heer Samsom (PvdA): Toen hebben wij er al de hele
tijd over gesproken. Het kan wel, maar ook in het belang
van de tijd moeten wij maar eens een AO wijden aan de
geschiedenis van de natuurbeschermingswetgeving. Dat
lijkt mij heel interessant. Dat zal overigens een andere
woordvoerder doen dan ik.

Ik ga naar de toekomst, want dat is belangrijker. In ons
amendement staat nu juist dat de instandhoudingsdoelen
leidend zijn en dat wij daar met een ’’ambitieuze’’ –
dat woord staat er expliciet in omdat ik dat zelf heb
opgeschreven – dalende lijn heen gaan. Exacte termijnen
zijn daarvoor niet te geven. De verschillen tussen
natuurgebieden zijn daarvoor te groot. Als je twaalf jaar
of zo’n vijftien jaar neemt, dan mis je de ambitie bij
natuurgebieden waarbij het veel sneller kan. Als je één
jaar neemt, dan mis je de realiteit bij heel veel andere
gebieden, een realiteit die zelfs mevrouw Ouwehand zal
moeten erkennen. Ik ga verder.

De voorzitter: Mevrouw Ouwehand heeft nog een korte
vervolgvraag. Kort graag.

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Het is mij toch niet
duidelijk. Naast ’’ambitieus’’ zie ik ’’en realistisch’’ staan.
Wat betekent dat nou? In het natuurbeleid hebben wij
gezien dat ’’ambitieus’’ en ’’realistisch’’ precies de
woorden zijn waarmee die verplichte Habitattoets wordt
uitgesteld. De heer Samsom komt zelf met zo’n
amendement. Hij had ook kunnen zeggen: ik doe daar
niet aan mee, ik heb een hekel aan luchtwassers, die
gaan gepaard met veel CO2-uitstoot, daarvan heb ik dan
weer verstand. Dat had ik nu verwacht van de PvdAfractie.
Ik bedoel met ’’ik’’ dat de heer Samsom daarvan
verstand zou hebben. Dus ik snap het gewoon niet. Als
hij wil breken met het verleden of niet wil kijken naar het
verleden, prima, maar hij verleent nu zijn medewerking
aan verslechtering van natuurbeleid waarvoor de Raad
van State heeft gewaarschuwd. Doe dat nu niet, ga nu
niet mee met de CDA-fractie!

De heer Samsom (PvdA): Gesteld voor het enorm
ingewikkelde dilemma van het opschrijven van ’’een
ambitieuze en onrealistisch dalende lijn’’ of een
’’ambitieuze en realistische dalende lijn’’, kozen wij toch
voor het laatste. Bij wetgeving lijkt mij dat een verstandige
keuze.

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Wat betekent het?

De heer Samsom (PvdA): Het betekent de snelst
mogelijke lijn naar beneden. Zo simpel is het.

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Voor wie?

De heer Samsom (PvdA): De snelst mogelijke lijn naar
beneden, voor het natuurgebied uiteraard, richting de
instandhoudingsdoelen. Daarover kan toch niet zo gek
veel misverstand bestaan? Wij hebben die beheerplannen
al een tijdje liggen. Wij zien hoe die invulling vorm
krijgt. Wij willen dat alleen wettelijk verankeren om twee
redenen. Daarom vinden de fracties van CDA en PvdA
elkaar hier, omdat wij zekerheid willen bieden aan de
ondernemers en omdat wij de zekerheid willen hebben
dat de natuurbescherming uiteindelijk op orde komt. Dat
is ons gezamenlijke doel. Het is toch aardig dat dit ook
een keer lukt rond natuurgebieden.

--

Mevrouw Ouwehand (PvdD): De commissie-Elverding
spreekt over het bestuurlijke en vooral ook over het
politieke onvermogen. Ik heb al betoogd dat dit zich
vooral voordoet bij de Nb-wet. Dat is een simpele
constatering op basis van de vele besluiten die door de
Raad van State zijn geschorst. Mijn vraag is: beoogt de
heer Samsom met zijn motie ook die kwestie aan te
pakken? Ik vraag hem dat nader toe te lichten, omdat het
bestuurlijk inderdaad erg ingewikkeld is. Mijn analyse is
echter dat het ingewikkeld is gemaakt door de politiek,
die de boel maar niet vlot wil trekken. Is het de bedoeling
van de heer Samsom om ook de Nb-wet eronder te
scharen en hoe ziet hij dat voor zich?

De heer Samsom (PvdA): Ik weet niet of de aanpak van
de commissie-Elverding precies in de Nb-wet zelf terecht
kan komen. Wij dachten meer aan de Wro, de Wbr en
nog een paar andere wetten. De aanpak van de
commissie-Elverding kan echter wel degelijk ook voor
structuurvisies waarin Natura 2000-gebieden zitten, een
heel goede benadering zijn. Ik weet alleen niet of u
daarmee dan heel tevreden bent, want dat zou leiden tot
een politieke besluitvorming, vooral op regionaal niveau
over de vraag wat wij nog wel en wat wij nog niet willen.
U kent de gemeenteraden een beetje: daarbij zullen ook
economische activiteiten horen. Ik ben er blij mee als
dergelijke voorkeursvarianten, want daarover spreekt de
commissie-Elverding, snel naar voren komen in een
structuurvisie. Ik vraag mij af of dat ook voor u geldt,
maar dat is wel precies wat ik beoog met deze motie.

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Ik doel op het wegwerken
van het bestuurlijke onvermogen. Dat is niet te vangen in
wetgeving, maar dat zou een ’’reinigingsproces’’ moeten
zijn of noem maar iets. Daarnaar ben ik op zoek, maar ik
begrijp al uit uw non-verbale reactie dat dit niet de
bedoeling van uw motie was.

De heer Samsom (PvdA): Wij pakken hier elke dag
bestuurlijk onvermogen aan. Ook vandaag probeer ik dat
te doen en als dat niet lukt, dan spijt mij dat ontzettend.

--

Minister Verburg: Wij kunnen een open deur nog verder
openzetten, maar dat is vanzelfsprekend. Zo zijn de
spelregels en zo gaan wij het, wat mij betreft, doen.
Ik kom bij de vragen die zijn gesteld door mevrouw
Ouwehand van de Partij voor de Dieren. Zij vroeg hoe de
programmatische aanpak stikstof zich verhoudt tot de
Vogel- en Habitatrichtlijn. De eisen van de Vogel- en
Habitatrichtlijn zijn en blijven onverkort. Er is dus een
verslechteringsverbod, in tegenstelling tot wat mevrouw
Ouwehand suggereert. De programmatische aanpak is er
juist op gericht om afspraken te maken over de daling
van de stikstofdepositie, wat zorgt voor behoud waar het
goede niveau is en voor herstel waar het goede niveau
nog niet is. Het gaat dus om behoud en herstel van
natuurdoelen. De programmatische aanpak gaat over een
verstandige en gefaseerde doelrealisatie. Dat past
volledig binnen de richtlijn.

Dan heeft mevrouw Ouwehand nog gevraagd naar de
peildatum van 7 december 2004. Heeft het niet toetsen
gevolgen voor het bestaand gebruik? Nee. Vanaf
7 december 2004 moet ingevolge de Vogel- en Habitatrichtlijn
verslechtering worden tegengegaan. Wij hebben
ook in het kader van de Crisis- en herstelwet de aanpak
op voorhand getoetst bij de diensten van de Europese
Commissie. Het bestaand gebruik van bedrijven wordt
wel getoetst als onderdeel, samenhangend met
beheerplannen en de programmatische aanpak.
Ook vroeg mevrouw Ouwehand hoe het staat met de
verplichtingen van de Nb-wet. Zij heeft ook een motie
ingediend over een onafhankelijk onderzoek. Die
depositie is op 7 december 2004 niet getoetst voor de
Natura 2000-gebieden via de vergunningen van de
Natuurbeschermingswet, tenzij sprake was van een
beschermd natuurmonument dat met het Natura
2000-gebied samenvalt. Ik heb net gerefereerd aan de
natuurmonumenten bij de regimes. In andere gevallen
moet bij vergunningen, bijvoorbeeld de milieuvergunning,
ook de Habitattoets worden meegenomen. Dat
moet op grond van de rechtstreekse werking van artikel
6, lid 2, en artikel 6, lid 3, van de Habitatrichtlijn.

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Hoor ik de minister goed
zeggen dat bestaand gebruik wordt getoetst bij opname
in de beheerplannen? Dat heeft zij tot nu toe altijd
tegengesproken.

Minister Verburg: Nee, dat heb ik nooit tegengesproken.
In de beheerplannen wordt alles onderbouwd en
getoetst. Gekeken wordt waar wij staan, wat de doelen
zijn en hoe wij die doelen gaan bereiken. Dat is de basis
van de beheerplanontwikkeling. Dat zal ook de basis zijn
van de programmatische aanpak bij stikstof.

Mevrouw Ouwehand (PvdD): De minister heeft tot nu
toe volgehouden dat de passende beoordeling en de
Habitattoets niet uitgevoerd worden en dat de ermee
samenhangende vergunningsplicht is komen te vervallen
voor bestaand gebruik tot aan de beheerplannen. Nu
vervalt dat in de beheerplannen.

Minister Verburg: Er is een speciale wet voor bestaand
gebruik. Over die wet is vorig jaar in de Kamers een
besluit genomen. Die geeft helderheid aan de bedrijven
in de gebieden over de periode tussen december 2004 en
het moment waarop het beheerplan van kracht wordt.
Wij hebben daar zekerheid willen geven. Dat lijkt mij
alleen maar verstandig, om te grote onzekerheden tegen
te gaan. De meeste activiteiten die nu onder bestaand
gebruik vallen, worden meegenomen in het beheerplan.
Onderdeel van de Crisis- en herstelwet en de maatregelen
die ik op 30 juni aan de Kamer heb gestuurd, is dat
op het moment dat een vorm van bestaand gebruik niet
is opgenomen in het beheerplan, het gewoon in de wet
blijft staan. Bestaand gebruik blijft dan gewoon van
kracht. Dat is om de zaak zorgvuldig af te hechten en af
te dichten. Voor een beheerplan wordt natuurlijk een
zorgvuldige beoordeling gemaakt. (…)

Mevrouw Ouwehand vraagt naar de daling van de
depositie sinds 2002. Ik heb geboeid en instemmend
geluisterd naar de cijfers die mevrouw Ouwehand en de
heer Koopmans uitwisselden. Ik heb daar niets aan toe te
voegen. Doel is natuurlijk dat de cijfers, waar de kritische
stikstofdepositie te hoog is, de komende jaren via
beheerplannen en een programmatische aanpak dalen.
Mevrouw Ouwehand vraagt wat ik doe als de beheerplannen
onvoldoende zijn. Dan keur ik die niet goed.
Natuurlijk toetsen wij de beheerplannen aan wat die
moeten doen, welke doelen worden gesteld, hoe het
staat met de instrumenten en met de monitoring. De
beheerplannen zijn geen bezigheidstherapie. Wij moeten
met elkaar doelen bereiken. (…)

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Ik heb een vraag om de
discussie over de beheerplannen en de toetsen maar af
te ronden, hoewel deze wat mij betreft onbevredigend is.
De minister zal de beheerplannen toetsen. De vraag blijft
dan of de passende beoordeling van individuele
activiteiten en dus de Habitattoets, zal worden uitgevoerd.
Ook de Raad van State heeft daarover opmerkingen
gemaakt. Als de minister in haar bewoordingen min
of meer wil suggereren dat die toets wel degelijk plaats
zal vinden, dan zijn er geen vragen meer over rechtszekerheid.
Daaruit komt dan wat wel en niet kan in zo’n
gebied. De grap is nu echter juist dat in een beheerplan
wordt gepolderd en gesaldeerd. Daarover heeft de Raad
van State ook opmerkingen gemaakt. Ik wil de vraag
voor wie straks de rekening is, heel duidelijk beantwoord
hebben. Hoe gaat het met die aanschrijvingsbevoegdheid?
Worden beheerplannen al dan niet gewijzigd? Wat
betekent dat voor de rechtszekerheid van de ondernemers?
Als puntje bij paaltje komt en rechten zijn vergund
of een positie is gecreëerd waarvan Europeesrechtelijk
blijkt dat dit in strijd is met de instandhoudingsdoelstellingen,
wie is er dan zuur?

Minister Verburg: Als-danvragen vind ik veel te veel
taboe op dit moment en veel te veel uitgaan van een
doemscenario. Daaraan denk ik helemaal niet. Wij zijn
bezig met het regelen van de aanschrijvingsbevoegdheid
van de provincie. In de schriftelijke antwoorden heb ik
laten weten dat ik de eerste provincie die niet weet wat
een aanschrijvingsbevoegdheid inhoudt, nog moet
tegenkomen. Ik zou dus zeggen: stuur die provincie maar
naar mij toe. Ik dacht dat ik u heb horen zeggen in uw
vrij uitvoerige betoog van afgelopen donderdagnacht dat
men in Gelderland nog niet precies weet hoe men dat
moet doen. Ik zeg u toe dat ik graag de provincies zal
helpen om die aanschrijvingsbevoegdheid in te vullen,
mochten zij daarover nog vragen hebben. Dat komt ook
bij de provincie Gelderland vast goed. (…)

--


Minister Balkenende: (…)
Mevrouw Ouwehand zegt dat de gevolgen onaanvaardbaar
zijn voor natuur enmilieu, de biodiversiteit, de rechtsbescherming
en de democratische rechtstaat, maar dat oordeel delen wij
bepaald niet. Het gaat ons om tempoversnelling en daar
is veel voor te zeggen. We zitten in een moeilijke tijd en
we moeten ons juist niet neerleggen bij zaken die te lang
gaan duren. Dat is onze overtuiging en daarom hebben
we voor deze wet gekozen. Daarom ontraad ik ook deze
motie, gegeven de aard, de inhoud en het doel van de
Crisis- en herstelwet.

--

Mevrouw Ouwehand (PvdD): De minister-president is
het niet eens met mijn inschatting dat de Crisis- en
herstelwet negatieve effecten zal hebben voor natuur en
milieu. Is de minister-president dan bereid om het
Planbureau voor de Leefomgeving in de jaarlijkse
rapportages te laten kijken naar de daadwerkelijke
effecten van deze wet?

Minister Balkenende: Nee, dat doen wij nu eens niet. Ik
heb aangegeven dat wij op goede gronden zijn gekomen
tot dit wetsvoorstel. Wij zijn ingegaan op de argumenten
die mevrouw Ouwehand naar voren heeft gebracht. Zij
weet precies wat het kader is. Wij willen komen tot
versnelling van procedures en ik vind dat wij het daarbij
moeten laten. Ik heb geen behoefte om het Planbureau,
naast de activiteiten die men toch al verricht, daarvoor
nog extra activiteiten te laten verrichten.