Bijdrage Ouwehand AO Stel­sel­wij­ziging Omge­vings­recht


26 juni 2012

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Voorzitter. Dat er in Nederland veel regels zijn, dat burgers en ondernemers daar soms de weg in kwijtraken en de bevoegde gezagen het ook niet altijd snappen, kan ik wel beamen. Ik voeg daaraan toe dat de regels in veel gevallen niet hadden gehoeven. Een van de meest befaamde voorbeelden is de optuiging van de Natuurbeschermingwet. Daardoor zitten mensen met de handen in het haar en weten ze het allemaal niet meer. Dat het zinnig kan zijn om bestaande wetten en regels tegen het licht te houden en te bekijken of ze misschien eenvoudiger zouden kunnen, steunen wij wel. Wij willen natuurlijk allemaal dat het eenvoudiger wordt voor burgers en ondernemers. De cruciale vraag is of wij burgers – daar zitten ook ondernemers bij -- beschermen tegen ontwikkelingen die niet in hun belang zijn. Beschermen we de kwetsbare waarden die zelf niet naar de rechter kunnen stappen? Gezien de insteek die het kabinet heeft gekozen met de stelselwijziging van het omgevingsrecht is de Partij voor de Dieren er helemaal niet gerust op dat het de goede kant op gaat. Nu het kabinet is gevallen, vindt mijn partij dat de nieuwe Kamer en het nieuwe kabinet verder moeten gaan met deze exercitie. Een demissionair kabinet kan deze exercitie niet voortzetten.
Toch ben ik hier vandaag. Dit is omdat intussen ook de Crisis- en herstelwet permanent wordt gemaakt. Het debat daarover loopt. Wij hebben daar veel vragen over gesteld. De minister heeft op veel van deze vragen geen antwoord gegeven, omdat deze thuis zouden horen in het debat over de Omgevingswet. Daarom stel ik de vragen nu. Ik hoop dat ik er antwoord op krijg. Ik ga verder waar we gisterenavond zijn gebleven in het debat. Er is namelijk een evaluatie gekomen van de Crisis- en herstelwet. De minister zei dat er weliswaar kritiek is geuit, maar dat deze niet gaat over de inhoud. De kritiek gaat volgens haar alleen maar over het tempo waarin we deze wet permanent willen maken. Ik ben het daar niet mee eens. Meer inhoudelijk gesproken stellen de onderzoekers: "De wettelijke eis dat de bezwaar- of beroepsgronden binnen de termijnen naar voren moeten zijn gebracht is fors, mede gelet op de consequenties en gezien het feit dat het dikwijls om complexe besluiten gaat". Kan de minister aangeven of zij het met mij eens is dat dit inhoudelijke kritiek is op de artikelen die de mogelijkheid tot pro-formaberoep en het aanvullen van de beroepsgronden afschaffen? Ik heb er nog een. De onderzoekers schrijven: "Behoorlijke geschilbeslechting kan niet zonder een gelegenheid om gronden toe te lichten". Dat lijkt mij opnieuw een inhoudelijk oordeel. En: "Een nadeel van de omstandigheid dat de aanvulling van gronden mogelijk wordt geacht, is dat discussie mogelijk is over de vraag of in een bepaald geval sprake is van een nieuwe grond dan wel van aanvulling op een reeds naar voren gebrachte grond. Naar ons oordeel is deze onzekerheid te prefereren boven de zekerheid die ontstaat als na het einde van de bezwaar- of beroepstermijn geen enkel argument meer naar voren mag worden gebracht". Dit is allemaal inhoudelijke kritiek. Ik kan het heel dikke rapport voorlezen aan de minister, maar dat ga ik natuurlijk niet doen. Het is wel tekenend voor de manier waarop de minister omgaat met vragen van mijn fractie over het doeleffect en de bijeffecten van de Crisis- en herstelwet. Die moesten maar bij het debat over de Omgevingswet besproken worden. Dat doe ik dus hier. Ik hoop dat ik alsnog een reactie krijg.
Ik wil graag weten welke conclusie de regering verbindt aan het vermoeden van de onderzoekers dat de inperking van het recht van burgers fors is. De Partij voor de Dieren heeft eerder de stelling geponeerd dat er meerdere uitspraken zullen volgen waaruit blijkt dat de Crisis- en herstelwet niet in overeenstemming is met Europees recht. De regering was het hier niet mee eens. Is zij bereid om dit standpunt te nuanceren nu uit de evaluatie wel degelijk blijkt dat dit in de lijn der verwachting ligt? Ik vraag om een goede en uitgebreide reactie op een van de stevigste conclusies uit de evaluatie van de Crisis- en herstelwet, namelijk die over de beperking van het mogen aanvoeren van gronden. De onderzoekers constateren dat dit leidt tot technisch geharrewar dat niet gaat over de kern van het geschil. Hoe beoordeelt de regering dit? Vindt de minister dit werkelijk een verbetering van de procesgang en zo ja, op welke gronden? Ook wordt in de evaluatie gesteld dat wanneer de bepalingen daadwerkelijk worden toegepast om gronden buiten de orde te verklaren, zij afbreuk doen aan het vertrouwen van de burgers in de rechtsstaat. Ook dat kan niet de bedoeling zijn. Hoe beoordeelt de regering dit en welke consequenties verbindt zij daaraan? Op welke wijze worden de belangen van nieuwe bewoners nog geborgd bij toepassing van het relativiteitsvereiste? Dat gaat namelijk breder op. Meerdere belangen zullen nu stemloos worden. De evaluatie wijst er ook op dat er een grote kans is dat er veel meer van dit soort problemen ontstaan bij bredere toepassing van het relativiteitsvereiste. Erkent de regering dit probleem? Hoe beoordeelt zij dit en vindt ze dit gerechtvaardigd? Welke consequenties verbindt zij daaraan? Ik constateer dat de evaluatie negatief is over het makkelijker laten passeren van gebreken in een besluit van de rechter. Dat lijken me niet de bedoeling. Ik krijg daar graag een duidelijke reactie op.
Ik zie dat de voorzitter en beetje zit te smoezen en dat zij een beetje in verwarring is. Ik neem aan dat dit veroorzaakt wordt door mijn bijdrage. Dit is wel de manier die de minister ons heeft aangewezen. Wij hebben in het antwoord op de inhoudelijke schriftelijke vragen die wij hebben gesteld, steeds te horen gekregen dat onze vragen betrekking hadden op de Omgevingswet. Ik vind dit ook een rare volgorde, maar de vragen komen nu alsnog. Er spelen grote belangen. We hebben veel ervaring met de wetten die er zijn om natuur en milieu te beschermen. Er is sprake van een zeer gebrekkige handhaving. Dit kun je positief benaderen. Misschien zijn we vergeten om te handhaven of was het moeilijk. Je zou het ook negatiever kunnen duiden doordat je constateert dat er nooit een wil tot handhaving is geweest. Hoe moeten wij in zo'n situatie overstappen op een systeem dat uitgaat van vertrouwen? Ik heb er geen enkel vertrouwen in dat dit goed gaat. Ik wil daarom van de minister horen dat zij het serieus neemt dat vooropstaat dat kwetsbare belangen worden beschermd en dat we vanuit die context bekijken hoe het eenvoudiger kan. Dit kan bijvoorbeeld door de natuur veel beter te beschermen. Dan neemt de juridisering à la minute af. Dat weten we als we er maar naar willen luisteren. Ik krijg graag alsnog antwoord op de vragen die zijn gesteld in het kader van het permanent maken van de Crisis- en herstelwet.

Minister Schultz van Haegen-Maas Geesteranus
[…] Gisteren merkte ik bij de behandeling van de Crisis- en herstelwet net als nu dat als procedures sneller en beter zijn, dit het gevoel geeft dat ze ten koste gaan van de zachte waarden. Maar deze wet en de daarop berustende bepalingen zijn er juist op gericht om een veilige en gezonde leefomgeving te bewerkstelligen en deze op een duurzame en doelmatige wijze te behouden, beheren, gebruiken en ontwikkelen. Dat is dus een actief beheer van de leefomgeving. Dit doe je in de cyclus normen stellen, monitoren, maatregelen treffen en weer monitoren. Voor ons is het heel belangrijk om dit hierin een expliciete plek te geven. Dit biedt een stimulans om te werken aan veiligheid, duurzaamheid en gezondheid, thema's die misschien wat minder in beeld zijn bij grote economische ontwikkelingen. Toch zijn deze thema's essentieel, omdat grote economische ontwikkelingen zonder veiligheid, duurzaamheid en gezondheid veel minder waarde hebben. Ik vind het mooi dat deze zaken in deze wet vroegtijdig aan de orde zijn. Dat onderstreept mijn visie dat overheden de leefomgeving actief moeten gaan beheren. In de gebieden staan de keuzes voorop. Het decentraal bestuur besluit wat het van belang vindt. Wij hebben een aantal nationale belangen geformuleerd. Deze belangen kent de Kamer. Ze hebben betrekking op unieke natuurwaarden of op cultuurhistorische waarden. De wet gaat in ieder geval uit van een gelijk beschermingsniveau van de veiligheid en gezondheid van de burger. Daarom worden er naast de Europese normen ook nationale normen gesteld. Het stellen van de normen doen wij in AMVB's. Die moeten wij nog ter hand nemen. Over de AMvB's komen wij nog te spreken. Ik heb al gezegd dat het niet mijn intentie is om het beschermingsniveau te verlagen.
[…]
Ik wil mevrouw Ouwehand niet teleurstellen, maar ik ga het toch doen. Ik heb gisteren nadrukkelijk aangegeven dat ik de Crisis- en herstelwet min of meer als een overgangsregeling in ga brengen in de Omgevingswet. Het deel over beroep en bezwaar gaat over in de Algemene wet bestuursrecht. Dat maakt dus geen deel uit van de Omgevingswet. Alle vragen die mevrouw Ouwehand heeft gesteld, zijn van toepassing op de Awb. Te zijner tijd zullen we bekijken wat er van de kritieken wordt overgenomen. Ik kan niet op voorhand zeggen wat mijn collega van V en J ervan meeneemt.

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Dit had ik wel een beetje verwacht, maar ik ben erover begonnen omdat ik me grote zorgen maak over de manier waarop deze minister dit soort evaluaties leest. Het gaat wel degelijk om inhoudelijke kritiek. In het kader van dit debat gaat dat over de Awb, maar de minister kan toch niet in de veronderstelling leven dat dit een vertrouwenwekkende benadering is voor de Kamer? We starten omvangrijke trajecten, zowel met de Crisis- en herstelwet als de Omgevingswet. Ik ben daar echt verbaasd over.

Minister Schultz van Haegen-Maas Geesteranus: Wij kijken altijd goed naar de kritieken en hebben geprobeerd die zo goed mogelijk mee te nemen. Toch heb ik ook begrepen dat de geleverde kritieken zeggen dat we het nog niet permanent moeten maken omdat er nog onduidelijkheden zijn. Dat is wat anders dan dat het niet mag of kan. In de evaluatie is uitgegaan van de door de Kamer gekozen wet- en regelgeving. De heer Koopmans heeft gisteren gezegd dat dit unaniem is aangenomen door de Kamer. De Partij voor de Dieren heeft daar dan toch ook deel van uitgemaakt? We kunnen het wel steeds aan de orde stellen, maar het deel in de Awb is gewoon verankerd en heeft een democratische legitimiteit.