Bijdrage Ouwehand Perma­nente Crisis- en Herstelwet


25 juni 2012

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Voorzitter. Ik begrijp dat de heer Verhoeven van D66 nog even blijft. Dat is mooi, want ik zat te denken aan de woorden van socioloog Willem Schinkel dat alle partijen min of meer D66 zijn. Ik zag eerst geen woordvoerder van D66, dus ik dacht: zouden zij er zo op vertrouwen dat hun in breng wel door anderen geleverd wordt? Maar het is toch fijn dat de heer Verhoeven zelf er ook nog is, want ik ben heel benieuwd wat D66 van deze wetsvoorstellen vindt.

De heer Verhoeven (D66): Ik ben blij dat ik even ben gebleven om dit leuke grapje in ieder geval mogelijk te maken.

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Mooi toch?
Voorzitter. Voor de Partij voor de Dieren is het allemaal wel wat bedroevend, dat heeft men al kunnen merken in het interruptiedebatje met de Partij van de Arbeid. Ik had dezelfde vragen ook aan de fractie van de ChristenUnie kunnen stellen. Als het erop aankomt, zijn er heel veel partijen in dit huis die zich gewoon in het kamp van het CDA scharen, omdat dit beter uitkomt. Laat ik daarvoor maar een compliment uitdelen aan de heer Koopmans. Het maakt niet uit wat de waarschuwingen zijn van de experts, de grote kritiek van juristen en de grote kritiek van de Raad van State; als het CDA een plannetje heeft, krijgt het daarin nog altijd mensen mee. De invoering van de tijdelijke Crisis- en herstelwet is met stoom en kokend water gebeurd. Dit had toen al het gevaar in zich dat wij zouden belanden in de situatie die wij vandaag aantreffen.
Dat is regelrechte powerplay van de coalitie, die haar kabinet kwijt is maar die voordat er een nieuwe Kamer is nog wel deze wet permanent wil maken en niet eens wil wachten totdat de minister de evaluatie een beetje goed heeft uitgevoerd en heeft meegenomen in de wijzigingen.

Mevrouw Wiegman-van Meppelen Scheppink (ChristenUnie): Ik begrijp de inleiding van mevrouw Ouwehand niet helemaal. Begrijp ik nu goed dat de ChristenUnie in een soort CDA-kamp gaat zitten? Ik heb nog eens even goed teruggelezen wat wij hebben gezegd en wat er is gebeurd bij de invoering van de Crisis- en herstelwet. Ik heb vandaag mijn betoog gehouden en ik vind dat eigenlijk wel een goed en vrij consistent verhaal. Ik begrijp daarom mevrouw Ouwehand niet helemaal. Misschien kan zij zeggen dat ik eigenlijk wel gelijk heb en dat zij haar opmerking intrekt omdat die niet terecht is jegens de ChristenUnie.

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Ik waardeer de inbreng van de ChristenUnie nu, de geleverde kritiek en de amendementen die zijn ingediend maar ik blijf erbij dat wij hadden kunnen zien dat je bij een zo controversiële wet die je tijdelijk in werking stelt in de situatie kunt komen waarin wij vandaag zitten, namelijk dat een behoorlijke Kamermeerderheid daar gebruik van maakt door te zeggen: wij maken de wet nu permanent. Ik vind het ook bij de verantwoordelijkheid horen als je regeert dat je bij een tijdelijke wet waarin 27 wetten worden aangepast vooruitdenkt en je afvraagt hoe dit straks gaat als je het zelf niet meer voor het zeggen hebt. Dat heb ik bedoeld in de richting van de PvdA. Ik vind ook dat de ChristenUnie zich daarvan meer rekenschap had kunnen geven toen zij instemde met de tijdelijke crisiswet.

Mevrouw Wiegman-van Meppelen Scheppink (ChristenUnie): Maar dan moet mevrouw Ouwehand het toch met mij eens zijn dat het vandaag echt over iets anders gaat. Ik heb begrepen dat het kabinet het niet meer heeft over een permanente Crisis- en herstelwet maar over een wet die voor onbepaalde tijd wordt verlengd. Dan is het misschien ook wel even aardig om nog precies uitleg te krijgen wat dan het verschil is. Dat is toch wel even een andere situatie. Ik ben ook met amendementen druk bezig geweest om alles wat wij destijds hadden geamendeerd in de Crisis- en herstelwet en wat er nu vakkundig door het kabinet was uitgesloopt vervolgens weer toe te voegen. Ik kan niet echt zeggen dat dit allemaal een aantal jaren geleden te voorzien was geweest. Toen hebben wij gezegd: het is tijdelijk, het is crisis en wij zouden deze wet wel eens goed kunnen gebruiken om zaken te versnellen. Maar laten wij wel gewoon eerlijk zijn met de evaluatie. Dat is vandaag aan de orde.

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Ik wil op zichzelf wel graag geloven dat het ook de ChristenUnie nogal rauw op het dak kwam vallen maar laat ik dan maar hopen op een wat argwanender houding tegenover partijen zoals het CDA en de VVD wanneer die nog eens met zulke voorstellen komen, want de pappenheimers zijn niet te vertrouwen. Laten wij dat zo maar even vaststellen.
De crisiswet die voor ons ligt, is al twee jaar lang bedoeld om te leiden tot ecologische kapitaalvernietiging ten behoeve van asfalt, vliegreisjes en karbonaadjes. Een permanente crisis lijkt het plan van CDA, VVD en PVV. Dat wordt dus ook een permanente crisis voor het milieu, voor de natuur en voor burgers die willen opkomen voor hun recht.
Ik had het zojuist in een interruptiedebatje al even over de powerplay. De wet gaat er gewoon doorkomen. Dus ik heb in het nader verslag ontzettend veel vragen gesteld. De minister ontwijkt die of antwoordt er helemaal niet op. Ik zou hier minstens twee uur kunnen spreken. Dat ga ik niet doen, want de wet gaat er gewoon doorkomen. Ik vind dat zeer bedroevend. Ik zal mijn bijdrage dan ook beperken tot de meest pijnlijke punten. Voor het CDA, de VVD en ook de PVV zijn natuur- en milieubezwaren nooit een enkel probleem, maar dan zal ik even met ze bespreken wat dan nog wel pijn doet, namelijk de rechtszekerheid van onder andere de boeren.
Toen de crisiswet in 2009 werd voorgesteld, hebben zowel de Raad van State als de meeste deelnemers aan het rondetafelgesprek en talloze juristen in hun vakbladen felle kritiek geuit op het wetsvoorstel. Samengevat luidde die kritiek dat de beoogde versnelling niet wordt gehaald omdat het besluitvormingstraject zelf niet wordt aangepakt en de huidige problemen zich daar voordoen. Daarbij staat de juridische zekerheid van burgers, organisaties en ook van geplande projecten op losse schroeven, zal het wetsvoorstel, eenmaal wet, tot vragen aan rechters leiden tot in Luxemburg toe, zal de natuur nog meer onder druk komen te staan en zullen belangen niet meer zorgvuldig kunnen worden afgewogen, wat ook weer zal leiden tot talloze rechtsgangen.
Het belangrijkste punt: de wet zal niet tot economisch herstel leiden, laat staan tot ecologisch herstel.
Twee jaar later kunnen wij zien dat de critici gelijk hebben gekregen: geen versnelling, amper snellere procedures, terwijl de rechtsbescherming van burgers, natuur en milieu wel fors in ingeperkt. Wij hebben het gezien bij de gasopslag in Bergen. De gasrotondestrategie is aan grote kritiek onderhevig. Er worden miljarden ingepompt, maar de mensen die in Bergen wonen en die misschien wel op de VVD hebben gestemd en daarvan spijt hebben, krijgen mooi een lelijke gasopslag in hun achtertuin, mede dankzij de Crisis- en herstelwet.

De heer Koopmans (CDA): Volgens de kritiek die destijds geuit werd door deskundigen en ook door GroenLinks en de PvdD, zouden besluiten geen stand houden. Ik vraag mevrouw Ouwehand om de tientallen, zo niet honderden besluiten in ogenschouw te nemen die stand hebben gehouden voor de rechter, besluiten waaraan wij een heleboel spitsstroken, rails en huizen te danken hebben, en om daarnaast het kleine aantal besluiten te plaatsen dat geen stand heeft gehouden voor de rechter. Kan ze dan nog eens terugkomen op wat zij zo-even zei?

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Ik vind het apart om deze vraag van een Kamerlid te krijgen. Ik heb juist het kabinet gevraagd om een overzicht van dit soort besluiten. Hoeveel rechtszaken zijn er aangespannen sinds het van kracht worden van de Crisis- en herstelwet, inclusief de milieu- en natuurwetgeving? In hoeveel zaken heeft de rechter het besluit van het bevoegd gezag vernietigd? In hoeveel zaken hebben mensen ook de gelegenheid gehad om door te gaan tot het Europees Hof? Wat is de analyse ten aanzien van de draagkracht van organisaties om die procedures ook te voeren? Ik heb echter geen antwoorden gekregen. Vindt de heer Koopmans zijn eigen Programmatische Aanpak Stikstof, die mogelijk is gemaakt door de Crisis- en herstelwet, zo'n groot succes? Zijn er al maatregelen uit voortgevloeid?

De heer Koopmans (CDA): Ik zal daar straks nog op terugkomen in mijn eigen termijn. Het feit dat er de afgelopen drie jaar in Nederland geen aannemer te krijgen was voor het verbouwen van stallen -- men was te druk bezig -- is een bewijs van verstandig beleid van onze kant.

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Nu de situatie dat de stikstofdepositie te hoog blijkt te zijn -- wij weten allemaal dat dit het geval is -- en uiteindelijk voor het Europees Hof komt. Wie moet er dan opdraaien voor de kosten: de Staat, de belastingbetaler of de boer die van het CDA te horen heeft gekregen dat hij die stal daar wel kon bouwen, hoewel dat volgens Europees recht niet kon?

De heer Koopmans (CDA): Tot dat moment profiteren wij in Nederland van een bedrijfsleven dat een fors deel van onze nationale economie op een positieve manier beïnvloedt. Als het ooit zover mocht komen -- ik waag en wens dat te betwijfelen -- hebben wij de argumenten. Zeker wie de tijd heeft genomen om de nota naar aanleiding van het nader verslag, de nota van wijziging en het bijna juichende advies van de Raad van State te lezen, weet dat dat moment bij het Hof van Justitie niet zal komen.

De voorzitter: Ik hoor geen vraag, dus vervolgt mevrouw Ouwehand haar betoog.
**

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Het is wel duidelijk dat het CDA nog steeds geen sluitend antwoord heeft inzake de rechtspositie van de boeren. De heer Koopmans zegt letterlijk: tot het zover is eten wij karbonaadjes en als die klap komt, dan zien wij wel weer verder en ben ik allang weer wat anders aan het doen.
Ik heb een aantal punten: natuur, milieu, rechtsbescherming van burgers -- mede naar aanleiding van de evaluatie van de procesrechtelijke bepalingen -- en wellicht nog meer, afhankelijk van de hoeveel tijd die ik heb. Het belangrijkste punt is de natuur. De Crisis- en herstelwet past in de trend die het CDA al jaren voortzet, met als enige doel om de natuurbescherming steeds een beetje verder af te breken. Als duveltje-uit-een-doosje is de Natuurbeschermingswet toegevoegd aan de invoering van de Crisis- en herstelwet, niet om de wet beter hanteerbaar te maken in de praktijk, maar omdat de Natuurbeschermingswet al jaren een blok aan het been is van onder andere het CDA en de VVD. En de PvdA is erin gestonken. Wij hebben een Programmatische Aanpak Stikstof, die nog tot geen enkel resultaat heeft geleid en in elk geval niet tot sluitende beheerplannen en duidelijke rechtszekerheid voor de boeren.
Om het te vertalen in termen die de heer Koopmans misschien begrijpt: wat hij heeft gedaan is de boeren over de rand duwen, het zwembad in, en dan zeggen: "Jongens, de boeren liggen in het water! Ik heb hier nog een boei, ik heb daar nog een strootje. Zijn de boeien en de strootjes op? Misschien kan ik dan nog een teenslipper uitsteken". En dit jaren en jaren en jaren. En die boeren maar spartelen.
Duidelijkheid over het natuurbeleid is hard nodig. Ik heb dan ook een amendement ingediend om de gehele Programmatische Aanpak Stikstof af te schaffen. Het Planbureau voor de Leefomgeving heeft zeer, zeer kritische woorden gewijd aan de PAS. De Programmatische Aanpak Stikstof is niet bedoeld om de natuurverplichtingen na te komen, maar om te zoeken naar ruimte om nog meer stikstof te kunnen uitstoten. Dat kan dus niet, want we hebben al een enorme overdepositie in 80% van onze natuurgebieden.

De heer Koopmans (CDA): Welke bijdrage levert dat amendement aan de rechtszekerheid van de boeren?

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Dat we rechtstreeks gaan toetsen aan de Vogel- en Habitatrichtlijn, dat we de kritische depositiewaarde gaan respecteren, dat we een plan opstellen om dat wél naar beneden te krijgen in plaats van te zorgen dat de stikstofdepositie gelijk blijft en nog meer te investeren in stallen die geen standhouden. Bovendien komen we met een plan om de veehouderij in Nederland weer binnen de grenzen te brengen van wat de natuur aankan. Dat betekent duidelijkheid voor de boeren. In een aantal gevallen zal dat pijnlijk zijn, omdat sommige boeren zullen moeten stoppen met hun bedrijf. Maar alles beter dan maar blijven spartelen, nu al twintig jaar, onder leiding van het CDA.

De heer Koopmans (CDA): Mevrouw Ouwehand had het over "spartelen". De beeldspraak van het water is wel mooi, maar ik zou het liever "watertrappelen" noemen. Een watertrappelende boer. Net als die kinderen, u kent ze wel, voorzitter, in het zwembad, met de vingertjes omhoog, die maar blijven watertrappelen. Sommigen kunnen dat heel lang volhouden. Mijn beeld echter is dat met dit amendement er een vrouwtje langs de kant staat, mevrouw Ouwehand, die met uitgestrekte hand, hups, zo dat koppie onder water houdt totdat de boer niet meer bovenkomt. Het is een pijnlijk beeld, maar dat zal het gevolg zijn van het amendement over de afschaffing van de PAS voor de spartelende boer.

Mevrouw Ouwehand (PvdD): De grootste grap is dat de boeren die door het CDA zijn wijsgemaakt dat zij nog wel kunnen investeren in bijvoorbeeld scharrelsystemen, inmiddels boos en verdrietig zijn dat de samenleving overschakelt op iets anders. Of je vertelt boeren het eerlijke verhaal en je helpt ze ook die kant op, of je houdt ze in het water, waar de Partij voor de Dieren ze best op het droge zou willen trekken en de kant op wijzen van een duurzame en regionale landbouw die stand houdt in de toekomst. Dat begint dus met het afschaffen van de PAS en het duidelijk binnen de kaders van de mogelijkheden van de natuur brengen van onder andere onze veehouderij.
Voorzitter. Dat betekent ook dat de Partij voor de Dieren werkt aan een amendement om bestaand gebruik te schrappen. We hebben gezien dat dit in de Europese richtlijnen helemaal niet voorkomt; het is een Nederlands verzinsel waar boeren geen rechten aan kunnen ontlenen. Zoiets moet je ze dan ook niet willen voorspiegelen. Vervolgens kwam er nog achteraan dat de heer Koopmans de datum voor de inwerkingtreding van dat bestaand gebruik voor de vrijstelling van de vergunningplicht nog eens met een aantal jaren heeft verlengd. Het is allemaal een sprookje en het zou de heer Koopmans sieren als hij dat nog voor de zomer durft toe te geven aan de boeren. Dit amendement komt er nog aan, ik heb het nog niet af kunnen maken.
Ik heb een concrete vraag aan de minister. Het zou mooi zijn geweest als de staatssecretaris van landbouw erbij was geweest vandaag. Ik heb daar ook een verzoek toe ingediend, maar de minister heeft de staatssecretaris niet meegenomen, dus ik neem aan dat zij antwoord heeft op mijn vragen. Hoe is de Wet milieubeheer gehanteerd in de praktijk? Hoe is er omgegaan met de verplichte toets? Ik heb een korte blik kunnen werpen op de wijziging die de minister zojuist heeft toegestuurd. Daarin gaat het weer over passende beoordeling, maar deze Kamer heeft geen enkel zicht op de toetsing van de significante effecten van voor 2005, voordat het bevoegd gezag is overgegaan naar de provincie. De minister mag tien jaar terugtellen. Hoe is dat gegaan tussen 1995 en 2005? Hoe is het daarna gegaan? Is er ooit weleens getoetst, voordat de minister nu kan spreken over passende beoordelingen? De Kamer kan dat niet beoordelen als zij die inzichten niet krijgt.
Ik schakel over naar het onderwerp milieu. Ik ben blij dat de ChristenUnie zoveel kritische vragen heeft gesteld over de m.e.r. Ik wil dat graag hardop zeggen. Ik waardeer het zeer. Ik sluit mij aan bij die vragen.
Het is de Partij voor de Dieren opgevallen dat tijdens de behandeling van de oorspronkelijke wet de experimenteergebieden, waar voor een periode van tien jaar mag worden afgeweken van geldende normen op het gebied van milieu, natuur en hinder, waren beperkt tot stedelijke gebieden en bedrijventerreinen.

Dat was te danken aan een amendement van de ChristenUnie. De minister haalt het met de voorliggende wetswijziging eruit zonder dat maar even op te merken in de memorie van toelichting. Het lijkt mij buitengewoon ongepast van de minister om niet expliciet aan te geven dat dit weliswaar een wens was van de Kamer was maar dat zij er even doorheen gaat.
Dat is misschien niet eens het ergste. Het ergste is de conclusie dat deze wet dus de mogelijkheid uitbreidt om te experimenteren op het platteland. Hierdoor kan in het landelijk gebied een groot aantal wetten opzij worden geschoven: de Flora- en faunawet, de Natuurbeschermingswet, de wet Ammoniak en veehouderij, de wet Bodembescherming, de wet inzake Geurhinder en veehouderij, de wetten inzake luchtverontreiniging en inzake milieubeheer. Laten dit nu juist de wetten zijn waar de megastallen zoveel last van hebben.
We voelen hem dus al aankomen. Met deze bepalingen zullen gemeenten en provincies de intensieve veehouderij nog meer ruimte kunnen geven dan zij nu al doen. Ze kunnen hiermee ook nieuwe landbouwontwikkelingsgebieden aanwijzen, waar ze ongelimiteerd megastallen kunnen bouwen, zonder rekening te houden met de geluids- en geuroverlast voor omwonenden en met de gevolgen voor natuur en milieu.
De minister zegt in antwoord op vragen van mijn fractie hierover dat zij die vrees niet deelt. Echter, ze maakt niet duidelijk welke ontwikkelingen ze dan wel voor zich ziet in die gebieden en waarom dit dus nodig zou zijn. Ik vraag haar nogmaals wat de reden is om de beperking tot stedelijke gebieden op te heffen. Ik vraag haar om niet weer te verwijzen naar een oud VROM-rapport dat ten tijde van het eruit amenderen van de landelijke gebieden al verschenen was. Welke ontwikkelingen wil zij mogelijk maken? Graag een duidelijk antwoord.
Het is ook vreemd dat de evaluatieplicht van de experimenteergebieden wordt afgeschaft. Je wilt wel experimenteren maar je wilt niet weten wat de uitkomst van het experiment zou zijn. Ongelofelijk! Ik heb een amendement ingediend -- ik was daar blijkbaar niet de enige mee -- om die evaluatieplicht te herstellen.
De minister schrijft in het nader verslag dat de minister van VWS niet betrokken is bij de totstandkoming en uitvoering van deze wet. Ze geeft desgevraagd toe dat langdurige blootstelling aan hoge geluidsniveaus inderdaad schade kan veroorzaken aan de gezondheid. Dit kan leiden tot een licht verhoogde kans op onder andere hart- en vaatziekten. Hoe hoger de belasting, hoe hoger de kans op gezondheidsschade. Daarom worden onder meer in de Wet geluidhinder regels gegeven om de blootstelling aan geluid waar mogelijk te beperken. De minister vervolgt doodleuk door te zeggen dat het niet altijd mogelijk is om binnen de voorgeschreven geluidsbelasting te blijven zonder onevenredige schade toe te brengen aan andere maatschappelijke belangen, zoals economische, stedenbouwkundige en verkeerskundige belangen. Wat heeft hierbij voorrang? Volksgezondheidsbelangen zijn niet voor niets bepaald en vastgelegd in de wet en moeten worden beschermd. Wat vindt de minister van VWS hiervan?
Ik rond af met het blok over de rechtspositie van burgers. Dan nog zijn heel veel vragen niet gesteld en niet beantwoord. Dat heb ik echter al even gememoreerd in mijn inleiding.
De minister zegt dat de Crisis- en herstelwet als zodanig geen afbreuk doet aan een zorgvuldig besluitvormingsproces en de daarin gebruikelijke garanties voor de inbreng door en de rechtsbescherming van burgers. Heeft zij de evaluatie zelf wel gelezen? Deze oordeelt namelijk vernietigend over artikel 1.6, lid 2, en artikel 1.6a wat betreft het "schrappen van de mogelijkheid tot het indienen van pro-formaberoep en het aanvullen van de gronden voor beroep". De Raad van State oordeelde al evenzo vernietigend bij de invoering van deze artikelen. Concluderend stelde de Raad van State hierover het volgende: "De consequenties van deze wijziging moeten goed worden overwogen". Dat vond de Partij voor de Dieren toen en dat vinden wij nog steeds. Ik vraag de minister of dit een van de artikelen is die zij overweegt op te nemen in de in voorbereiding zijnde omgevingswet. En zo ja, waarom dan? Is zij het dan niet eens met de kritiek van de onderzoekers? En zo nee, waarover heeft zij dan een andere mening en welke onderbouwing geeft zij daarbij?
Concluderend stellen de onderzoekers over het pro-formaberoep en de aanvulling van beroepsgronden: "De hier besproken bepalingen beperken de mogelijkheden tot het indienen van gronden aanzienlijk, op een wijze die afwijkt van het algemeen deel van het bestuursprocesrecht". De onderzoekers vinden de wettelijke eis dat de bezwaar- of beroepsgronden binnen de termijn naar voren moeten zijn gebracht, heel fors, mede gelet op de consequenties en gezien het feit dat het dikwijls om complexe besluiten gaat. In de nationale jurisprudentie is vastgelegd dat de Crisis- en herstelwet op dit punt niet strijdig is met EU- of verdragsrecht, maar het staat nog niet vast dat bovennationale rechters dit standpunt zullen delen.
Wij hebben bij de behandeling van het oorspronkelijke wetsvoorstel al benadrukt dat we van mening zijn dat meerdere artikelen in strijd zijn met het hogere, geldende Europese recht. Of de artikelen waarover we het nu hebben, het schrappen van het pro-formaberoep en het aanvullen van de beroepsgronden, in strijd zijn met het Verdrag van Aarhus, is het laatste oordeel nog niet geveld. Deelt de minister die conclusie?
Volgens de evaluatie is het namelijk zeer goed mogelijk dat bij het Hof van Justitie en/of het Europees Hof voor de Rechten van de Mens zal worden aangevoerd dat de regeling in de Crisis- en herstelwet strijd oplevert met het recht op een eerlijk proces. De jurisprudentie die het mogelijk maakt dat aangevoerde gronden later worden aangevuld, zou een grond kunnen vormen om de stelling te verwerpen dat het recht op een eerlijk proces is geschonden. Waarom neemt de minister die kritiek niet serieus?
Voorzitter. Ik houd het hierbij voor de eerste termijn. De aanvulling die wij zojuist gekregen hebben, heb ik gedurende het debat nog niet kunnen beoordelen. Ik wens hier vast uitgesproken te hebben dat de Kamer dit zorgvuldig moet kunnen behandelen.

Interrupties bij andere partijen:

Mevrouw Van Tongeren (GroenLinks): Voorzitter. Ik dank de leden voor hun coulance dat ik mag beginnen, hoewel ik niet de grootste fractie vertegenwoordig. Eigenlijk hadden we hier vandaag niet moeten zitten, want als er één wet controversieel is in de Kamer en in het land, dan is het wel deze Crisis- en herstelwet. Verwacht de regering dat het land permanent in crisis zal verkeren? Waarop baseert de regering het idee dat dit land permanent in crisis zal verkeren? Graag een reactie van de minister hierop.

[...]

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Dit is een draak van een wet. Ik had eigenlijk gehoopt dat groene partijen samen zouden optrekken om ons daartegen sterk te maken. Ik moet eerlijk zeggen dat ik toch wel een beetje teleurgesteld ben. De Partij voor de Dieren heeft om een nader verslag gevraagd, onder andere omdat er een heel kritische evaluatie was binnengekomen. In dat verslag las ik dat GroenLinks geen verdere vragen had. Dat vind ik zo vreemd.

Mevrouw Van Tongeren (GroenLinks): Ik trek heel graag met de Partij voor de Dieren op bij dit onderwerp. Ik denk dat wij grote overeenkomsten hebben in onze inbreng. Ik heb vandaag een aantal kritische kanttekeningen geplaatst, specifiek bij de evaluatie, waarvan wij zeggen dat je niet kunt evalueren tot het klaar is en dat je een bepaalde periode iets in werking moet hebben voordat je het zinnig kunt evalueren. Ons hoofdpunt is dat je een noodwet, een crisiswet, nooit permanent moet maken en al helemaal niet als daar niet een stevige visie onder ligt die de crisis in samenhang bestrijdt. Dus ik denk dat wij daarin een overlappende visie hebben.

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Dan blijf ik toch een beetje hangen op de handreiking die de heer Koopmans wilde doen, want daar zit voor mij echt wel een grote zorg als ik kijk welke kant GroenLinks soms op kan. Als je onder deze wet nog nieuwe projecten zou willen toevoegen, met alle beperkingen en bezwaren die er zijn voor de inspraakmogelijkheden van burgers en milieuorganisaties, dan zou ik denken dat de lijn het beste is om te zeggen: die hele wet van tafel en niets proberen toe te voegen. In een interruptiedebatje met de heer Koopmans dacht ik op te maken dat GroenLinks die kant niet op wil maar nu hoor ik toch een voorstel om van braakliggende terreinen via de Crisis- en herstelwet tijdelijke natuur te maken. Ik vind dat onverstandig en ik zou graag zien dat GroenLinks zich aan ons kamp houdt en zich niet laat verleiden door voorstellen van de heer Koopmans. Die pakken namelijk altijd slecht uit.

Mevrouw Van Tongeren (GroenLinks): Ik begrijp dat ook hier de verkiezingscampagne is begonnen en de Partij voor de Dieren de behoefte heeft om zich af te zetten tegen GroenLinks. Dat vind ik altijd wat jammer, want wij trekken heel graag op met de Partij voor de Dieren. In mijn inbreng heb ik op meerdere momenten gezegd dat GroenLinks zich vanaf het begin heeft verzet tegen deze wet. Ik heb geschetst wat wij in plaats daarvan willen. Ik zal de voorzitter niet tergen door dat allemaal nog een keer te herhalen, maar wij zijn tegen deze crisiswet.

[...]

De heer Houwers (VVD): Voorzitter. Ook de VVD kijkt naar het algemeen belang, altijd. Laat ik meteen duidelijk zijn, de VVD is er een groot voorstander van om de Crisis- en herstelwet permanent te maken. Deze wet versnelt immers de uitvoering van ruimtelijke projecten, en wel op een zorgvuldige manier. Dat heeft Nederland nodig, helemaal nu de crisis langer duurt dan eerder werd gedacht. Wij begrijpen heel goed dat het in dit debat nog niet gaat om het permanent maken. De werkingsduur wordt verlengd zodat de Crisis- en herstelwet uiteindelijk kan worden gekoppeld aan de nieuwe Omgevingswet. Dat is een wet waar de VVD, gezien de vermindering van het aantal wetten en regels, ook een groot voorstander van is. Aangezien het voorstel voor de Omgevingswet zorgvuldig moet worden voorbereid, is nog niet duidelijk wanneer dit wetsvoorstel daadwerkelijk klaar is. In dat licht zal de VVD het amendement van de ChristenUnie dan ook niet steunen, vanwege de termijnen.

[...]

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Ik heb twee vragen. Een. Vindt de VVD het zelf een beetje zorgvuldig om onzekere miljardeninvesteringen in de gasrotonde te doen en de gasopslag in Bergen erdoor te drukken via de Crisis- en herstelwet voor 50 banen? Dat zijn wel zwaar gesubsidieerde banen, waar de VVD volgens mij niet voor is. Twee. Ik hoor de VVD altijd mopperen op dat gebureaucratiseerde natuurbeleid. Vindt de VVD dat het met de Programmatische Aanpak Stikstof sinds de wijziging van de Wet milieubeheer onder de toen tijdelijk bedoelde Crisis- en herstelwet een beetje is opgeschoten?

De heer Houwers (VVD): Ik heb de indruk dat ik op deze manier met mevrouw Ouwehand over deelterreinen ga discussiëren. Ik heb al aangegeven dat ik het vooral over het proces van de Crisis- en herstelwet wil hebben. Ik constateer dat we daarbij stappen vooruitmaken en dat we daarmee verder willen gaan. Ik denk dat ik het daar maar bij laat. Ik wil mij niet op het beleidsterrein van mijn collega's in de VVD-fractie begeven.

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Dan vat ik het samen. De VVD probeert in de richting van de kiezer haar imago van "wij passen wel op de centen" op te poetsen. In de praktijk stopt de VVD echter miljarden in een onzeker proces voor, zegge en schrijve, 50 banen. Ook constateer ik dat de VVD haar verkiezingspraatje dat natuur de ondernemers in Nederland in de weg zou zitten, vooral aan zichzelf heeft te danken. Het lukt haar namelijk maar niet om conform de aanbevelingen van Elverding goede besluiten te nemen waardoor we de natuurbescherming zo kunnen regelen dat we een beetje door kunnen in ons land. Er gebeurt immers helemaal niets en alles zit op slot. En raad eens? De handtekening van de VVD staat eronder.

De heer Houwers (VVD): Ik adviseer mevrouw Ouwehand om de samenvatting van onze teksten aan ons over te laten. Daar waar zij dat zelf doet, laat ik dat voor haar rekening. Ik constateer dat mevrouw Ouwehand sinds vanmorgen elf uur blijkbaar erg de behoefte heeft om een stevig groen imago neer te zetten. Dat mag ze zeker doen, maar wat mij betreft niet ten koste van de VVD. Ik wil graag dat mijn eigen woorden door mijzelf worden uitgesproken en niet door haar worden samengevat. Dan gaat het namelijk weer helemaal mis.

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Voorzitter, ik begreep …

De voorzitter: Nee, mevrouw Ouwehand. U krijgt dadelijk uitgebreid de gelegenheid om uw eigen inbreng te leveren. Nu is het woord aan de heer Van Bemmel van de PVV.
**

[...]

Mevrouw Kuiken (PvdA): Voorzitter. Het zal u niet verrassen dat de PvdA in principe achter de doelstellingen van de Crisis- en herstelwet staat: versnelling van projecten mogelijk maken die wij allemaal willen, zonder onnodige administratieve rompslomp of onnodige procedures, maar wel met zorgvuldige inspraak van burgers en bedrijven. Als wij een wet evalueren en bepalen of een tijdelijke wet een permanente wet wordt, heb ik maar één vraag: voldoet de wetgeving aan wat wij daarmee hebben bedoeld? Dan moet de PvdA toch kritisch zijn, zowel op het punt van zorgvuldigheid als op het punt van de beoogde snelheid van procedures.

[...]

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Ik zou ook graag een wat duidelijker geluid uit de fractie van de Partij van de Arbeid willen horen. Wij hebben die debatten gevoerd. Het was Diederik Samsom, toen nog milieuwoordvoerder, nu partijleider, die juist de windmolens aanvoerde als argument om deze wet te steunen. Is het niet op zijn plaats dat de Partij van de Arbeid nu zegt: dom, wij hadden het nooit moeten doen? Onder aanvoering van het CDA -- ook de VVD was enthousiast -- zijn wij gedwongen door een meerderheid om de tijdelijke wet permanent te maken. Wij konden het zien aankomen, maar er is niets meer wat wij ertegen kunnen doen. Die windmolens hoeven nu dus voor de Partij van de Arbeid ook niet meer. Heeft de Partij van de Arbeid niet gewoon spijt dat zij heeft ingestemd met die tijdelijke Crisis- en herstelwet?

Mevrouw Kuiken (PvdA): Nee, geenszins. Ik sta nog steeds achter het doel van de Crisis- en herstelwet. Nederland zit in een crisis en wij willen het land uit het slop halen. Daartoe neem je een aantal maatregelen, in de hoop dat dit ook gebeurt, maar met de evaluatie van de Crisis- en herstelwet zien wij dat de wet onvoldoende doet wat deze moet doen. Daarom zeggen wij: dan moet je dus pas op de plaats maken en de wet niet op voorhand permanent willen maken. Het is echt een overgang naar een betere omgevingswet.

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Ik begrijp wel dat wij nu zien dat de wet niet doet wat deze zou moeten doen. Ik waardeer het dat de Partij van de Arbeid zich verzet tegen het permanent maken ervan, maar je kunt natuurlijk moeilijk volhouden dat wij het niet hebben zien aankomen. Wij zijn toen namelijk van alle kanten gewaarschuwd over de Crisis- en herstelwet. Nu concluderen dat de wet niet doet wat deze moet doen? Dat wisten wij toen ook. Dat konden wij zien aankomen. Waarom zegt de Partij van de Arbeid niet: wat een fout was dat, wij doen het nooit meer?

Mevrouw Kuiken (PvdA): Het is ons bekend dat de Partij voor de Dieren voornamelijk gaat voor de dieren en de natuur. Dat siert deze partij en wij doen dat ook graag. Maar er is ook nog iets anders wat wij willen, namelijk de banenmarkt weer aanjagen. Wij willen de bouw en de woningmarkt aanjagen, omdat wij dit gewoon heel hard nodig hebben, voor bedrijven, voor burgers en voor onze economie. Wij zoeken altijd naar een balans daarin. Als wij maatregelen en middelen kunnen vinden om het voor burgers en bedrijven sneller en beter te maken, maar wel met de vereiste zorgvuldigheid erbij, dan zullen wij daarvoor gaan. U zult straks ook tegen de nieuwe omgevingswet zijn. Wij staan er in beginsel positief tegenover.

De heer Koopmans (CDA): Ik heb de nota van wijziging gelukkig intussen kunnen lezen. De nota van wijziging is de reactie van de regering op de omissies die aan de orde zijn bij de NB-wet. Daarop is al eerder ingegaan in een brief van de regering, met name van staatssecretaris Bleker. Mevrouw Ouwehand duidde er bij de behandeling van het vorige wetsvoorstel, waarmee het bestuursprocesrecht gewijzigd is, al op dat via een amendement van mij en de heer Aptroot de datum van het bestaand gebruik is geregeld. Intussen is er echter ook een uitspraak gekomen van de Raad van State: het in totaliteit vrijstellen van bedrijven met betrekking tot de NB-wet is in de wet niet goed geregeld. Ik denk oprecht dat collega Ouwehand, als zij de tijd kan nemen om dit te lezen, daarin ook het antwoord ziet op datgene wat zij al zolang als wij elkaar in deze Kamer tegenkomen, als een groot zorgpunt ziet. Ik denk dat de regering een buitengewoon zorgvuldig antwoord geeft en nader regelt op welke wijze de NB-wet toegepast moet worden en hoe daarin vrijstellingen voor agrarische bedrijven geregeld kunnen worden voor vergunningverlening. De grote onzekerheid die vele honderden bedrijven in Nederland op tal van plekken hierover hebben -- ook daarover heeft mevrouw Ouwehand heel vaak gesproken -- kan hiermee tot een einde komen.

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Ik heb geen vraag, maar een opmerking. Ik moet het nog lezen, maar de kans dat de heer Koopmans en ik na de verkiezingen als duurzame vrienden uit elkaar gaan en dat ik hier blij van word, is ongelooflijk klein. Ik ga het lezen, maar ik denk niet dat het de oplossing is.

De heer Koopmans (CDA): Dit is al meer dan ik verwacht had.

Beantwoording door de minister van Infrastructuur en Milieu:

Minister Schultz van Haegen-Maas Geesteranus: Voorzitter. Er werd al even gerefereerd aan het verleden van de Crisis- en herstelwet. Sommige Kamerleden zeiden dat zij daar niet bij waren. Ik was daar ook niet bij. Het betoog van de heer Koopmans over depolitisering van dit dossier en kijken of het bredere steun kan krijgen, spreekt mij ook zeer aan. Ik kende inderdaad niet de nachtelijke sessies. Ik ken niet de amendementenregen die er toen is geweest. Ik heb begrepen welke vier bewindslieden erbij waren. Wat wel of niet onder druk of echte politieke wens was, kan ik met terugwerkende kracht niet meer zien.

[...]

Ik kom te spreken over de zorgpunten. Ik zal beginnen over het effect op inspraak en rechtsbescherming voor de burger. Ik wil het hier heel helder zeggen: de Crisis- en herstelwet biedt mogelijkheden tot versnelling van de besluitvorming, maar hij doet geen afbreuk aan inspraak of rechtsbescherming van de burger. Ik zei zonet al dat de evaluatie kritisch is over het feit dat een en ander nu al permanent zou worden gemaakt, maar niet over de inhoud zelf. Wel geldt dat de beroepsgronden binnen de beroepstermijn moeten worden aangevoerd; dat is de aanscherping ten opzichte van vroeger. Ik vind dat helemaal niet zo gek, want dit betekent dat je gewoon in één keer moet zeggen wat je gaat inbrengen en niet in verschillende delen achter elkaar. De evaluatie wijst uit dat inspraak en rechtsbescherming niet in het gedrang zijn gekomen. Ik hecht eraan om dit goed gezegd te hebben. Uiteindelijk zal dit terugkomen in de Algemene wet bestuursrecht. De heer Koopmans zei dat dit bij de vorige behandeling van de Algemene wet bestuursrecht al breed door de Kamer was aanvaard. Ik ben er eigenlijk dus wel wat verbaasd over dat dit nu terugkomt. Misschien heeft dit te maken met de zorg van een paar jaar geleden. Ik zei al dat ik niet bij dat debat aanwezig was, maar ik hoop die zorg van de Kamer over de inspraak en rechtszekerheid nu echt weggenomen te hebben.

[...]

Mevrouw Ouwehand vroeg hoe in de periode 1995-2005 is omgegaan met de toetsing van significante effecten. Vanaf 2005 is het instrumentarium van de Natuurbeschermingswet van toepassing. In de periode waarop mevrouw Ouwehand doelt, werd via vergunningverlening op grond van andere wetten, onder meer de Wet milieubeheer, getoetst op de gevolgen voor natuurwaarden. Voor beide perioden geldt: als een project significante gevolgen kan hebben voor de natuurwaarden van een Natura 2000-gebied mag er alleen dan een vergunning worden verleend als zeker is dat de natuurwaarden niet worden aangetast.

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Ik ken de wet natuurlijk ook. Ik wil dan ook vooral weten hoe de wet is gehandhaafd. Tot 2005 was het Rijk het bevoegd gezag. In dat jaar mochten de provincies het van het Rijk gaan doen, maar het Rijk heeft toen geen overzicht gegeven van de activiteiten die al getoetst waren en die niet meer hoefden te worden getoetst op naleving van de vergunningplicht. Ik kan mij echter niet voorstellen dat dat overzicht er niet is en het zou natuurlijk prachtig zijn als de Kamer dat overzicht in zou kunnen zien. Ik zou dan ook graag zien dat het naar de Kamer wordt gestuurd.

Minister Schultz van Haegen-Maas Geesteranus: Er is getoetst op de Wet milieubeheer, maar welke activiteiten wel of niet zijn getoetst, kan ik mevrouw Ouwehand niet zeggen. Ik zal bezien of die informatie ter beschikking kan worden gesteld aan de Kamer. Daarover moet ik wel eerst in overleg met mijn collega.

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Ik maak hieruit op dat de minister het opneemt met de staatssecretaris van Landbouw.
De Raad van State heeft gezegd dat de toetsing op de Wet milieubeheer niet voldoende is, omdat het geen natuurtoets is. Ik zou dan ook graag een overzicht krijgen van de manier waarop die toets is uitgevoerd. Ik wacht daar namelijk al een poosje op.

Minister Schultz van Haegen-Maas Geesteranus: Als mevrouw Ouwehand de heer Bleker hier al om heeft gevraagd, waarom stelt zij mij dan deze vraag? Ik weet het niet zeker, maar ik heb zo mijn vermoedens. Ik kan nu niet meer doen dan deze vraag doorspelen naar de heer Bleker. Mevrouw Ouwehand krijgt vervolgens al dan niet een antwoord van hem.

Mevrouw Wiegman-van Meppelen Scheppink (ChristenUnie): Voorzitter. Terechte vragen van mevrouw Ouwehand!
Zeker de heer Koopmans zou graag haast willen maken met dit wetsvoorstel en met de nota van wijziging. Juist deze informatie hebben wij echter nodig om die nota van wijziging straks te kunnen beoordelen op het punt van de Natuurbeschermingswet. De vraag die namelijk beantwoord moet worden, is hoe breed of algemeen je mag en moet zijn.

[...]

Minister Schultz van Haegen-Maas Geesteranus: Dan kom ik nu op de vraag waarom de toepassingsmogelijkheden van het gebiedsontwikkelingsplan wordt uitgebreid naar het landelijk gebied. Bij de behandeling van de Crisis- en herstelwet is het toepassingsbereik beperkt. Ook in het landelijk gebied zijn er natuurlijk situaties waarin gemeenten en provincies meer invloed willen hebben op de manier waarop de milieugebruiksruimte wordt gebruikt. Ik wil dat die maatschappelijke ontwikkelingen ook in het landelijk gebied doorgang kunnen vinden. Dat is de reden waarom ik het nu heb opgenomen. Ik mocht het niet meer zeggen, maar het spoort toch ook met het advies van de VROM-raad van destijds. Het is een bewuste keus om het nu erin op te nemen en ook een bewuste keus van de Kamer om het er eventueel straks weer uit te willen amenderen. Wij hebben een en ander opgenomen, omdat wij vinden dat de voordelen die wij zien voor het stedelijk gebied, ook voor het landelijk gebied mogelijk moeten zijn. Nogmaals, het gaat om groene en grijze projecten. Dat moeten wij niet vergeten.

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Ik maak mij daar echt wel zorgen over, want als je ziet welke wetten niet hoeven te gelden of voor een deel opzij worden gezet, zijn het allemaal wetten die beperkingen stellen aan de veehouderij, omwille van bescherming van mensen die er wonen of van de natuur. De minister weet vast wel dat de Kamer een uitspraak heeft gedaan dat zij een moratorium wil op de bouw van megastallen. Dat lijkt mij een duidelijk signaal dat de Kamer in elk geval even rustig aan wil doen met de veehouderij. Dan kan het toch niet zo zijn dat dit kabinet tegelijkertijd zegt: de experimenteerruimte, waarbij wij al die wetten niet hoeven na te leven, gaan wij ook uitbreiden naar het landelijk gebied, ook nadat een en ander bij de tijdelijke Crisis- en herstelwet expliciet eruit is geamendeerd?

Minister Schultz van Haegen-Maas Geesteranus: De megastallen kunnen mij niet ontgaan, want zelfs bij de behandeling van de plattelandswoningen kwamen de megastallen al weer ter sprake. Ik weet wat de Kamer erover heeft gezegd en ik weet ook wat de staatssecretaris daarover heeft gezegd. Ik snap niet waar dan steeds de zorg zit en waarom gedacht wordt dat, als de Crisis- en herstelwet van toepassing wordt op het landelijk gebied, er ineens meer mogelijk is dan de Kamer nu heeft afgesproken met de staatssecretaris. Volgens mij is hij daar helder over geweest en heeft hij ook aangegeven dat het volgende kabinet een besluit neemt over de precieze vormgeving. Tot die tijd moet aan alle duurzaamheidseisen worden voldaan. Dat is wat ik er altijd van begrepen heb.

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Ja, maar dat is precies het punt. De staatssecretaris van Landbouw zegt: ik stel mij bescheiden op. Wij hebben hem nog nooit bescheiden gezien; nu kan hij megastallen tegenhouden en doet hij dit. Maar goed, wij kunnen hem kennelijk niet meer dwingen. Hij stelt zich bescheiden op en zegt dat dit kabinet dit niet gaat doen. Maar dan gaat dit kabinet nog wel even de ruimte versoepelen in het landelijk gebied, met mogelijk landbouwontwikkelingsgebieden en weer nieuwe veehouderij? Dat kan toch niet samengaan?

Minister Schultz van Haegen-Maas Geesteranus: Ik -- of eigenlijk moet ik zeggen: mijn voorganger -- maak het met de Crisis- en herstelwet mogelijk dat de ruimtelijke ordeningsregimes nieuwe ontwikkelingen stimuleren en dat die regimes kunnen worden versneld. U pakt er nu een specifieke activiteit uit die u onwenselijk vindt, namelijk de megastallen, maar er kunnen ook een heleboel dingen mee worden gerealiseerd die u wenselijk vindt. Volgens mij moet je niet de discussie over megastallen op de discussie over het algemene ruimtelijke ordeningsinstrumentarium gooien maar moet je aangeven wat je wel en niet wilt via je beleidsnota's, zoals u het debat ook met de staatssecretaris voert. U zegt dat er eigenlijk niets meer mag in het landelijk gebied omdat u bang bent dat er misschien een megastal gaat komen.

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Voorzitter.

De voorzitter: De afspraak is één vraag. U bent volgens mij helder genoeg geweest en de minister ook, dus ik ga nu naar mevrouw Wiegman.
**

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Voorzitter. Daar maak ik bezwaar tegen. Ik wil heel graag…

De voorzitter: De afspraak is …
**

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Maar het is een wetgevingsoverleg. Ik wil hierover duidelijkheid. De minister heeft meer dan genoeg gelegenheid gehad om op een schriftelijke vraag antwoord te geven.

De voorzitter: In de tweede termijn.
**

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Ik vind het ongehoord!

De voorzitter: De afspraak is één vraag en een vervolgvraag. Ik stel voor dat u dit bewaart voor de tweede termijn. Ik geef nu het woord aan mevrouw Wiegman.
**

Mevrouw Wiegman-van Meppelen Scheppink (ChristenUnie): De minister was haar termijn begonnen met: wij moeten dit voorstel allemaal niet zo heel politiek maken, ik wil graag depolitiseren, rust brengen en slechts verlengen. Maar als het gaat om dit onderdeel, zou ik er toch nog eens even op willen wijzen dat wij destijds de Crisis- en herstelwet op dit onderdeel hebben geamendeerd. De wet is aangenomen door de Kamer. Waarom heeft de minister ervoor gekozen om dit weer uit de wet te gaan slopen, waardoor ik mij, opnieuw samen met de PvdA, genoodzaakt zie om dit toch weer terug te brengen in de wet, met dezelfde argumenten als destijds, namelijk: wij hebben al allerlei regels voor het buitengebied en natuurgebied, wij hebben ook afspraken gemaakt hoe wij eventuele problemen oplossen, daar moeten wij dit niet bovenop gaan stapelen? Dus in het kader van rust en stabiliteit en om de ChristenUnie opnieuw mee te kunnen krijgen bij deze Crisis- en herstelwet, waarom is hiervoor gekozen?

Minister Schultz van Haegen-Maas Geesteranus: Zoals ik net al tegen mevrouw Ouwehand zei, ik kende de historie niet, dus ik heb ook nu gezien dat dit hier toen uitgeamandeerd was. Ik vond het zelf wel logisch als je dit op bepaalde terreinen doet, dat je het dan ook naar andere terreinen verder doorontwikkelt. Dit gold al in stedelijk gebied en dan moet je dezelfde voordelen ook in het landelijk gebied kunnen hebben. Mevrouw Ouwehand kon mij niet meer alles vragen wat zij wilde maar alles wat wij gaan doen in het landelijk gebied moet gewoon binnen de bestaande wet- en regelgeving passen. Dus het is nog steeds zo dat je niet je bestaande wet- en regelgeving overboord zet maar het daarbinnen houdt. Daarmee heb je ook één regime voor alle gebieden. Dat is voor mij de overweging waarom wij dit hebben gedaan. Ik weet niet precies wat de overwegingen in het verleden waren om dit eruit te halen. Ik hoor er nu één van u maar er zullen er nog wel meer in de discussie hebben gezeten. Maar dit is voor mij de reden om dit er nu in op te nemen. Ik denk dat naar aanleiding van de discussie zo vanzelf zal blijken of dat blijvend is of niet.

Minister Schultz van Haegen-Maas Geesteranus: In het amendement op stuk nr. 20 van mevrouw Ouwehand wordt geregeld dat beroep en indiening van nieuwe beroepsgronden na afloop van de beroepstermijn weer worden geschrapt, het zogenaamde pro forma-verbod. Dit amendement moet ik sterk ontraden, omdat het raakt aan wezenlijke onderdelen van het procesrecht in de Crisis- en herstelwet. De bestuursrechter past de bepalingen toe, overeenkomstig de bedoeling van de wetgever. Tijdens de behandeling van de Algemene wet bestuursrecht is de Kamer daar ook breed mee akkoord gegaan. De heer Koopmans merkte dat eerder terecht op. Verder is de evaluatie niet kritisch over de inhoud, maar over de snelheid waarmee de bepalingen in het wetsvoorstel permanent worden gemaakt. De bepalingen doorstaan de rechterlijke toets en voldoen daarmee aan de eisen voor een eerlijk proces.

[...]

De heer Van Bemmel (PVV): Ik ga mij erop beraden. Ik heb mijn twijfels. Er zitten goede en belangrijke aspecten aan. Met de economie gaat het niet best. Deze wet is dus belangrijk, maar er zit wel een grote schaduwkant aan. Ik stel meteen een vraag aan de minister. Zij noemde de rijkscoördinatieregeling. Waarom wordt windenergie dan genoemd als het verder toch niets uitmaakt? Men kan had ook kunnen zeggen: de wet was er toch niet voor bedoeld en het wordt al geregeld in de rijkscoördinatieregeling.

[...]

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Ik heb een korte vraag. De PVV heeft destijds toch voor de Crisis- en herstelwet gestemd? Zijn zij er dan pas veel later achter gekomen dat zij hebben ingestemd met een linkse wet vol met verfoeilijke windmolens?

De heer Van Bemmel (PVV): Er zit een heel intelligent Kamerlid hier, zoals u ziet. Ik fileer dit soort wetten op dit soort bijdragen. Het is alweer een aantal jaar geleden dat windenergie en duurzame projecten in die wet werden gezet. Inmiddels zijn er heel veel rapporten verschenen. Nu blijkt dat windenergie niet de richting is die we moeten inslaan. Dan is het nooit te laat om dit soort amendementen in te dienen.

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Oké. Dus de PVV was eerst eigenlijk wel een beetje enthousiast over windenergie? Wat leuk!

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Voorzitter. Het is ironisch dat iedereen ook bij de vorige behandeling het heel vaak over de commissie-Elverding heeft gehad en dat nu juist het allerbelangrijkste dat Elverding heeft genoemd, politiek en bestuurlijk onvermogen, maar niet wordt aangepakt. Sterker nog, het omgekeerde is het geval. De Natuurbeschermingswet is het ultieme voorbeeld daarvan. Ik hoor de VVD altijd klagen: die natuurregels zijn zo ingewikkeld en zo bureaucratisch, ze kosten ons zoveel ambtenaren en ze zitten ondernemers in de weg. Maar de grote grap is dat de VVD er met het CDA en de PVV zelf om heeft gevraagd. Als je de natuur niet goed beschermt, is alles wat je moet optuigen om je activiteiten doorgang te laten vinden hemeltergend groot. Wij hebben dus alweer een nota van wijziging, waarvan wij nu al kunnen zien dat het juridisch moeras alleen maar dieper zal worden. Mijn amendementen komen eraan. Wat ons betreft, is de Programmatische Aanpak Stikstof een gebleken mislukking. Als die wel iets had kunnen betekenen, was die allang vastgesteld, maar dat is dus niet gebeurd. Wij gaan het zelfverzonnen bestaand gebruik amenderen uit de Natuurbeschermingswet. Laten wij eens kijken hoe makkelijk het kan en hoe weinig bureaucratisch het is om je natuur te beschermen.
Ik ben geschrokken van de beantwoording door de minister van de vragen over het buitengebied. Zij stelde dat mensen daar heel wel voor hun belangen kunnen opkomen. Zij heeft kennelijk geen idee. Mensen die ontwikkelingen in hun regio zien, of het nu boringen naar schaliegas zijn of een geplande megastal is, moeten eigenlijk hun baan opzeggen en fulltime achter de overheid aanrennen om te kijken waar wanneer wat speelt om op tijd bezwaar te kunnen maken en te zorgen dat zij het snappen. Mensen zijn niet allemaal jurist en hebben geen geld om mensen in te schakelen die wel daarvoor doorgeleerd hebben. De minister doet alsof dat allemaal niet aan de hand is. Ik vind dat werkelijk beschamend. Burgers hebben hier op de stoep gestaan met kruiwagens vol met dossiers en mappen. Dat zijn echt geen hobby's. Dat is vechten wat je vechten kan om je eigen leefomgeving nog een beetje gezond te houden. Ik ben heel benieuwd naar de lijst met projecten die de minister voor zich ziet om in het landelijk gebied toe te passen. Ik vraag mij werkelijk af voor welk duurzaamheidsproject de Wet ammoniak en veehouderij en de Wet geurhinder en veehouderij aan de kant moeten, maar wij zien de brief tegemoet. Over de aantasting van de rechtspositie van burgers komen wij morgen zeker nog te spreken, als het gaat over het omgevingsrecht.
De Partij voor de Dieren steunt de Crisis- en herstelwet niet. Wel of geen windmolens, het is ongelooflijk beschamend op welke manier wij burgers aan de kant zetten ten gunste van asfalt, karbonaadjes en vliegreizen.

De heer Koopmans (CDA): Mevrouw Kuiken duidde nog op het woord "constructief". Bij de behandeling destijds van de Crisis- en herstelwet met toen, en trouwens nu ook nog, collega Samsom heb ik buitengewoon constructief kunnen samenwerken en een zoektocht kunnen maken om te bezien hoe je het draagvlak voor deze belangrijke wet kunt verbreden. Dat probeer ik deze keer weer. Iedereen die voornemens is om tegen deze wet te stemmen, moet beseffen dat hij of zij op 1 januari 2014 tot het moment dat de nieuwe Omgevingswet van kracht wordt een ravage veroorzaakt die tot grote onduidelijkheid bij gemeentehuizen, provinciehuizen en het Rijk zal leiden over het moeten besluiten en de wijze waarop besluiten moeten worden genomen over ingediende aanvragen. Ik vind dat een heel belangrijke verantwoordelijkheid die degenen die tegen willen zijn tot zich moeten nemen.

Mevrouw Kuiken duidde nog op het woord "constructief". Bij de behandeling destijds van de Crisis- en herstelwet met toen, en trouwens nu ook nog, collega Samsom heb ik buitengewoon constructief kunnen samenwerken en een zoektocht kunnen maken om te bezien hoe je het draagvlak voor deze belangrijke wet kunt verbreden. Dat probeer ik deze keer weer. Iedereen die voornemens is om tegen deze wet te stemmen, moet beseffen dat hij of zij op 1 januari 2014 tot het moment dat de nieuwe Omgevingswet van kracht wordt een ravage veroorzaakt die tot grote onduidelijkheid bij gemeentehuizen, provinciehuizen en het Rijk zal leiden over het moeten besluiten en de wijze waarop besluiten moeten worden genomen over ingediende aanvragen. Ik vind dat een heel belangrijke verantwoordelijkheid die degenen die tegen willen zijn tot zich moeten nemen.

[...]

Ik kom op de nota van wijziging. De minister heeft toegezegd dat zij een aantal voorbeelden zal aandragen. Dat lijkt mij belangrijk. De CDA-fractie hecht er grote waarde aan dat de Raad van State op het punt van wat mevrouw Ouwehand het juridische moeras noemt, een betonnen vloer neerlegt. De raad vindt het een prima voorstel; ik heb er een heel gerust gevoel bij. Het levert in onze ogen een geweldige bijdrage aan het uiteindelijk in samenhang met de beheerplannen en de aanwijzing van Natura 2000-gebieden sluitend maken van wat wij in artikel 19kd met het amendement-Koopmans/Samsom hebben beoogd. Dan werkt het. De samenhang moet er zijn. Als wij nu stoppen met de PAS, dan gaat iedereen, of hij er nu wel of niet in gelooft, de eigen ruiten ingooien. Dat wil ik mijn collega's nog even meegeven.

Mevrouw Ouwehand (PvdD): De heer Koopmans sprak zo-even over de nota waaraan hij nog toevoegde dat de Raad van State zo juichend zou zijn. Hoe lang maakt de heer Koopmans nu al de dienst uit op het gebied van landbouw? Hoe zit het nu eigenlijk met de vergunningverlening? Verloopt die nu een beetje soepel?
Verder ben ik er verbaasd over dat de heer Koopmans tegen partijen die tegen het permanent maken van de Crisis- en herstelwet willen stemmen eigenlijk zegt: jullie nemen onverantwoorde risico's. Betekent dit dat volgens hem de tijdelijke Crisis- en herstelwet dus eigenljk nooit had gekund? Het plan was namelijk om die wet in 2014 af te laten lopen. Geeft hij hier toe dat hij toen al in zijn hoofd had om via deze route deze wet permanent te maken en dat hij andere partijen bedreigt door te spreken van onverantwoord gedrag als ze dat permanent maken niet steunen?

De heer Koopmans (CDA): Dat zijn drie vragen. Bij de bespreking van het wetsvoorstel destijds zijn meteen al een heleboel zaken permanent gemaakt. Vorig jaar zijn bij de behandeling van de wijzigingswet ook een aantal elementen op het punt van het bestuursprocesrecht permanent gemaakt. Niet alleen vanwege mijn verkiezingsprogramma maar ook vanwege mijn bestuurlijke ervaring heb ik al vaker gezegd dat het heel goed is om meerdere elementen van deze wet permanent te maken. Ik heb de vorige keer gezegd -- het was eigenlijk wel een foutje om dat bij amendement te doen -- dat het goed zou zijn om die hele wet permanent te maken; het wetsvoorstel van de minister is veel zorgvuldiger.
Bovendien is het geen bedreiging maar een constatering. Als deze wet afgewezen wordt, is er op 1 januari 2014 een situatie waarin we op een aantal terreinen van het bestuursprocesrecht en ten aanzien van de wijze waarop aanvragen in het kader van de ruimtelijke ordening behandeld moeten worden, teruggaan naar de Middeleeuwen. Dat is geen bedreiging maar een constatering. Dat leidt tot nieuw overgangsrecht en dan komt de door iedereen bejubelde Omgevingswet waarvan nog geen mens weet hoe die er uit komt te zien. Ik vind dat dus onverantwoord.
Mevrouw Ouwehand had het ook nog over de Natuurbeschermingswet. Ik geef haar in overweging -- misschien kan de minister of de staatssecretaris van EL&I daarbij helpen -- om de lijst van Natuurbeschermingswetvergunningen die de afgelopen jaren verleend zijn door de bevoegde gezagen tot haar te nemen. Alleen al in Brabant zijn er 300 van die vergunningen verleend voor veebedrijven. Hiep hiep hoera, zeg ik daarbij. Heel goed. Die vergunningen zijn verleend. Ze zijn vaak getoetst door de Raad van State. Er is weleens een probleem geweest maar ook heel vaak niet. Die erfenis laat ik met veel plezier hier achter.

De voorzitter: Heel kort nog, mevrouw Ouwehand, en dus geen drie vragen achter elkaar meer.
**

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Ik had twee vragen. Ik concludeer dat tijdelijk nooit een echte optie is geweest voor het CDA.

Ik concludeer ook dat het CDA vindt dat het voor boeren …

De voorzitter: Het spijt me, maar wij hebben afgesproken dat wij vragen zouden stellen en niet zouden concluderen. Dit was dus uw laatste opmerking.
**

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Een punt van orde: zoals u zelf weet, heeft de Raad van State de Kamer destijds sterk ontraden om de NB-wet er zo snel doorheen te jagen. Daar valt genoeg over te wisselen, met name met partijen die enerzijds, als het hun uitkomt, zeggen dat het zo erg in Nederland is en die anderzijds …

De voorzitter: Mevrouw Ouwehand, we houden op met deze discussie.

Minister Schultz van Haegen-Maas Geesteranus: Voorzitter. De Partij voor de Dieren heeft het gevoel dat de Crisis- en herstelwet de mensen in hun belangen beperkt en dat mensen niet meer voor hun rechten kunnen opkomen. Mevrouw Ouwehand verweet mij zelfs daar al te gemakkelijk over te doen. Ik reageerde echter op de vraag of mensen van het platteland minder goed voor hun rechten op kunnen komen dan mensen in het stedelijk gebied. Ik denk dat mensen op het platteland net zo goed voor hun rechten kunnen opkomen als mensen in het stedelijk gebied. Daarmee wil ik overigens zeker niet zeggen dat dit makkelijk zou zijn. Maar hoe het ook zij: voor een stedeling is het even complex als voor een plattelander om al onze wet- en regelgeving te doorgronden. Dat is ook de reden waarom ik mij zo intensief bezighoud met de Omgevingswet. Die moet het namelijk mogelijk maken om mensen sneller duidelijkheid te bieden. Ik denk dus dat mevrouw Ouwehand mij verkeerd heeft begrepen, want ik onderschat zeker niet hoe complex het is om je moeten verdiepen in onze juridische procedures.

[...]

Mevrouw Ouwehand heeft nog gevraagd naar de antwoorden van staatssecretaris Bleker over de natuurwetgeving tussen 1995 en 2005. Ik heb te horen gekregen van het ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie dat er al eerder een brief door de minister -- toen nog van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit -- naar de Kamer is gestuurd op een verzoek van het lid Ouwehand waarin is ingegaan "op de wijze van vergunningverlening voor 7 december 2004, de referentiedatum voor de voorgestelde stikstofvoorziening, opgenomen in het onderdeel van het voorstel voor een Crisis- en herstelwet." Er ligt dus al een brief van de toenmalige minister. Ik zie hier staan: Kamerstuk 31 715, nr. 151 en Handelingen der Kamer 2009/2010, nr. 19, regeling van werkzaamheden op 3 november 2009.

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Die brief herinner ik mij nog goed. Daarin staat niet wat de Kamer graag zou willen weten, namelijk hoe er is gehandhaafd. Het kader kenden wij. Dat was ons al bekendgemaakt, maar wij hebben gezien dat in de praktijk maatschappelijke organisaties bij het bevoegd gezag heel vaak een verzoek tot handhaving hebben moeten doen. Wij willen gewoon de staatjes van de veebedrijven. Hoe veel zijn er daadwerkelijk getoetst op de natuureffecten? Het is dus relevant als de minister in de nota van wijziging schrijft dat wij op planniveau passende beoordelingen gaan maken.

De heer Koopmans (CDA): Ik was er erg tevreden mee!

Mevrouw Ouwehand (PvdD): De heer Koopmans was er erg tevreden mee. Dat weet ik nog goed. Dat is voor mij extra aanleiding om te zeggen dat het dus geen goede brief is geweest. Deze minister kan daar misschien niet zo veel aan doen maar zij stuurt wel deze nota van wijziging. De Kamer heeft er recht op om dit in de volle breedte te kunnen beoordelen, met de relevante informatie die zij daarvoor nodig acht.

Minister Schultz van Haegen-Maas Geesteranus: Nogmaals, ik heb de vraag doorgespeeld. Ik krijg dit antwoord mee. Ik ken die brief uit het verleden niet, dus ik kan niet beoordelen wat daar allemaal wel en niet in zit. De vraag blijft staan. Desnoods stuurt het ministerie van EL&I ofwel de bestaande brief als men zelf vindt dat het daar helder in staat, ofwel een aanvullend epistel, maar uiteindelijk gaat het er natuurlijk om dat het duidelijk moet zijn dat dat ministerie hierop al eerder heeft geantwoord.