Kamer­vragen aan de ministers van VROM en LNV over de preventie en bestrijding van plaag­dieren en met name de zwarte rat, de bruine rat en de huismuis


Vragen van het lid Thieme aan de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit over de preventie en bestrijding van plaagdieren en met name van de zwarte rat, de bruine rat en de huismuis

  1. Kunt u aangeven op welke wijze uw ministerie kennis vergaart op het gebied van dierplagen en in welke mate hiervoor gebruik wordt gemaakt van kennis en ervaring van onafhankelijke en gespecialiseerde kennisinstituten? Beschikt het ministerie van VROM -na de opheffing van de afdeling Bestrijding van Dierplagen- over een totaalbeeld van de huidige verspreiding van plaagdieren?
  2. Deelt u de verwachting dat het vergroten van kennis over plaagdieren en biociden bij de bevolking zal leiden tot preventie van het gebruik van biociden en ook zal bijdragen aan beperking van onnodig lijden door dieren?
  3. Onderneemt uw ministerie activiteiten op het gebied van publieksvoorlichting op het gebied van preventie van plaagdieren? Zo ja, welke activiteiten, acht u deze voorlichting toereikend en zo ja, waarom? Zo neen, waarom niet?
  4. Deelt u de zorg dat bioglobalisatie en klimaatverandering de risico’s rondom dierplagen doen toenemen? Zo ja, welke activiteiten worden er door de overheid ontplooid om deze risico’s tegen te gaan? Zo neen, kunt u dit toelichten?
  5. Vindt er interdepartementaal overleg plaats over plaagdieren en dierplagen? Zo ja, op welke wijze en met welke regelmaat? Zo neen, deelt u de mening dat een dergelijk overleg waardevol -zo niet noodzakelijk is om tot de juiste afstemming te komen?
  6. Acht u de verdeling van taken en verantwoordelijkheden met betrekking tot plaagdieren en dierplagen onder de diverse ministeries voldoende duidelijk? Zo ja, kunt u dit toelichten? Zo neen, op welke wijze en op welke termijn bent u voornemens verbetering te brengen in deze situatie?

Antwoorddatum: 9 jun. 2008

Geachte voorzitter,

Mede namens de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit zend ik u hierbij mijn antwoorden op de vragen van het lid Thieme inzake de preventie en bestrijding van dierplagen, met name de zwarte rat, de bruine rat en de huismuis.

Kamervragen 2070820300

Vragen van het lid Thieme (PvdD) aan de ministers van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit over de preventie en bestrijding van plaagdieren en met name van de zwarte rat, de bruine rat en de huismuis. (Ingezonden 15 mei 2008)


1
Kunt u aangeven op welke wijze u kennis vergaart op het gebied van dierplagen en in welke mate hiervoor gebruik wordt gemaakt van kennis en ervaring van onafhankelijke en gespecialiseerde kennisinstituten? Beschikt u -na de opheffing van de afdeling Bestrijding van Dierplagen- over een totaalbeeld van de huidige verspreiding van plaagdieren?

Antwoord: Reeds enige jaren geleden heeft de regering er voor gekozen de taak van kennisvergaring en voorlichting rondom dierplagen te privatiseren en zich nog slechts te richten op de regeling van vakbekwaamheidsbewijzen. Met de onafhankelijke kennisinstituten is regelmatig overleg over de dierplaagbestrijding, evenals wij regelmatig contact hebben met de branchevereniging van dierplaagbestrijders en het RIVM. Verder verkrijgen wij een goed beeld van de verspreiding van dierplagen door de inspecties in het kader van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden.


2
Deelt u de verwachting dat het vergroten van kennis over plaagdieren en biociden bij de bevolking zal leiden tot preventie van het gebruik van biociden en ook zal bijdragen aan beperking van onnodig lijden door dieren?

Antwoord: Plaagdierbestrijding door particulieren vindt slechts op beperkte schaal plaats, dat geldt zeker voor de door u met name aangehaalde zwarte en bruine rat. Dat is vrijwel geheel het exclusieve domein van de bezitters van vakbekwaamheidsdiploma’s.


3
Onderneemt u activiteiten op het gebied van publieksvoorlichting op het gebied van preventie van plaagdieren? Zo ja, welke activiteiten? Acht u deze voorlichting toereikend en zo ja, waarom? Zo neen, waarom niet?

Antwoord: Op dit moment onderneemt de centrale overheid geen activiteiten op het gebied van publieksvoorlichting. Zoals ik reeds in het antwoord op uw eerste vraag heb gememoreerd is de keuze gemaakt om deze activiteit zelfstandig in de markt te zetten. Volledigheidshalve merk ik nog op dat de meeste gemeenten voorzien in publieksvoorlichting over dierplagen en de bestrijding daarvan.


4
Deelt u de zorg dat bioglobalisatie en klimaatverandering de risico’s rondom dierplagen doen toenemen? Zo ja, welke activiteiten worden er door de overheid ontplooid om deze risico’s tegen te gaan? Zo neen, kunt u dit toelichten?

Antwoord: Ja, ik deel die zorg, alhoewel ik geen direct verband zie met de bruine en zwarte rat en huismuis. Wel verwacht ik de introductie van nieuwe plagen en soorten, zoals recent de tijgermug, in Nederland mede onder invloed van de door u genoemde ontwikkelingen.


5
Vindt er interdepartementaal overleg plaats over plaagdieren en dierplagen? Zo ja, op welke wijze en met welke regelmaat? Zo neen, deelt u de mening dat een dergelijk overleg waardevol, zo niet noodzakelijk is, om tot de juiste afstemming te komen?

Antwoord: Interdepartementaal wordt er slechts over dierplagen gesproken in het kader van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden en indien zich bijzondere omstandigheden voordoen, zoals met het convenant ter bestrijding van de tijgermug in Lucky Bamboo. Ik acht dit voldoende.


6
Acht u de verdeling van taken en verantwoordelijkheden met betrekking tot plaagdieren en dierplagen onder de diverse ministeries voldoende duidelijk? Zo ja, kunt u dit toelichten? Zo neen, op welke wijze en op welke termijn bent u voornemens verbetering te brengen in deze situatie?

Antwoord: Ik acht de verdeling voldoende helder. Ieder ministerie draagt daarin bij op basis van zijn eigen beleidsverantwoordelijkheid en kennis. Daarin is VROM verantwoordelijk voor de exameninstituten die de vakbekwaamheidsdiploma’s afgeven en het biocidenbeleid, VWS is verantwoordelijk voor de volksgezondheidsaspecten en LNV belicht hierin de landbouw en natuur aanknopingspunten.


Kamervragen 2070820380

Vragen van het lid Thieme (PvdD) aan de ministers van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit en van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer over de uitbesteding van preventie en bestrijding van plaagdieren en dierplagen. (Ingezonden 16 mei 2008)

1
Acht u de toenemende uitbesteding van preventie en bestrijding van plaagdieren door gemeenten aan externe bedrijven een wenselijke ontwikkeling? Zo ja, waarom? Zo neen, op welke wijze en op welke termijn wilt u daarin verandering brengen?

Antwoord: Ja, ik acht dat een goede ontwikkeling. Het gaat om bedrijven met werknemers die een goede opleiding hebben genoten ten aanzien van preventie en bestrijding van plaagdieren in het kader van de benodigde vakbekwaamheidseisen.


2
Kunt u uiteenzetten of en zo ja, op welke wijze toezicht plaatsvindt op de (uitbestede) wettelijke verantwoordelijkheden op het gebied van preventie en bestrijding van plaagdieren? Kunt u uiteenzetten wie volgens u verantwoordelijk is voor het vormgeven en uitvoeren van het toezicht?

Antwoord: Ik interpreteer uw vraag zo dat u vraagt naar het toezicht op het wettelijke vereiste van het hebben van een vakbekwaamheidbewijs op basis van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden, immers andere wettelijke verantwoordelijkheden zijn er niet. De VROM-inspectie is belast met het toezicht op de vakbekwaamheidseisen biociden.


3
Kunt u uiteenzetten of en zo ja, op welke wijze afstemming en kennisuitwisseling tussen gemeenten plaatsvindt op het gebied van de aanpak van preventie en bestrijding van plaagdieren en dierplagen? In hoeverre worden hierbij onafhankelijke kennisinstituten betrokken?

Antwoord: Er is een uitgebreid netwerk tussen producenten, gemeenten en bezitters van vakbekwaamheidseisen. Daarbij spelen ook de kennisinstituten een actieve rol. Binnen dat netwerk is veel overdracht van kennis en heeft ook veel afstemming plaats. Indien noodzakelijk verzorgt VROM daarvoor ook input, zoals recentelijk nog de voorlichting bij de invoering van de nieuwe Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden.


4
Deelt u de mening dat landelijke richtlijnen noodzakelijk zijn om onnodig dierenleed door ondeskundige plaagdierbestrijding te voorkomen? Zo ja, bent u bereid een dergelijke landelijke richtlijn te ontwikkelen? Zo neen, kunt u dit toelichten?

Antwoord: Neen, ik ben niet van mening dat er een noodzaak bestaat voor een dergelijke richtlijn. De door u genoemde zaken vinden een plek in de opleiding en examinering vakbekwaamheidsbewijzen biociden.


5
Kunt u uiteenzetten wat uw inzet is in het effectief beperken van de risico’s voor de gezondheid van mensen en het leed van dieren? Kunt u deze inzet kwantificeren in termen van fte’s en ingezette financiële middelen? Zo neen, waarom niet?

Antwoord: Zie antwoord 6 van de vorige reeks vragen hierboven. Het biocidenbeleid borgt dat de toegelaten middelen geen gevaar opleveren voor mens en milieu en een goed gebruik middels het systeem van vakbekwaamheidsbewijzen.


Hoogachtend,

de Minister van Volkshuisvesting,
Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,




dr. Jacqueline Cramer