Kamer­vragen aan de ministers van LNV en VWS over toename van het aantal aanrij­dingslacht­toffers onder dieren


Vragen van het lid Thieme (Partij voor de Dieren) aan de ministers van Landbouw Natuur en Voedselkwaliteit en Verkeer en Waterstaat over toename van het aantal aanrijdingslachtoffers onder dieren

  1. Hoe verklaart u de dramatische stijging van aanrijdingslachtoffers onder dieren op de Veluwe, te weten van 2005 tot mei 2008 aangereden dassen (van 7 naar 96 per jaar), aangereden reeën (van 83 naar 473 per jaar) en aangereden wilde zwijnen (van 131 naar 578 per jaar) (1) ?
  2. Hoe verklaart u dat de piek in het aantal aanrijdingen vooral lijkt te liggen tijdens het jachtseizoen? Ziet u een verband tussen de verstoring van het leefgebied van de dieren als gevolg van (ook nachtelijke) jachtpartijen en verstoring van de populaties? Zo neen, waarom niet?
  3. Kunt u aangeven of uit het feit dat een teruggetrokken levend en uitgesproken nachtdier als de das in twee jaar ruim twaalf keer vaker verkeersslachtoffer is, af te leiden is dat ook op grote schaal in de nachtelijke uren intensief wordt gejaagd(op andere diersoorten)?
  4. Deelt u de mening dat deze aanname mogelijk ondersteund wordt door het feit dat zes wilde zwijnen in oktober 2007 middenin de nacht de snelweg A50, tussen Hattem en Heerde, over de weg vluchtten wat leidde tot een ongeval?
  5. Bent u bereid nader onderzoek in te stellen naar de relatie tussen populatieverstoring en vluchtgedrag in de nachtelijke uren als gevolg van de uitoefening van de jacht? Zo ja, op welke termijn en wijze? Zo neen, waarom niet?
  6. Wat kan bedoeld zijn in het jaarverslag 2007 van het Faunafonds met de formulering “Door andere maatregelen [dan de drukjacht], intensivering van het reguliere afschot, verlenging van de afschotperiode, inzet van een artikel 67 FF-wet ten behoeve van afschot in nachtelijke uren in wegbermen lijkt het erop dat de uiteindelijk gewenste voorjaarsstand van 800 dieren bij benadering zal worden bereikt.”?
  7. Kunt u aangeven of dit betekent dat de jacht niet in alle gevallen heeft plaatsgevonden in overeenstemming van de regels in de Flora- en faunawet en deelt u de mening dat daarin een mogelijke verklaring te vinden is voor het feit dat in het wild levende dieren op de Veluwe zich dit jaar schichtiger gedragen dan in andere jaren?
  8. Is het waar dat een voorjaarsstand van 800 zwijnen gebaseerd is op verouderde aannames zoals blijkt uit het Alterra-rapport 533 “Ecologisch rendement van ontsnippering: de casestudie edelhert en wild zwijn Veluwe” (2002), zoals de constatering op pagina 33/34): "Voor wilde zwijnen komt het aantal veel hoger uit dan de aantallen op basis van een studie naar het voedselaanbod in de 8 deelgebieden in de Veluwe" en "Als er voor de verschillen gecorrigeerd wordt zou het aantal voor de hele Veluwe 2500 worden"? Zo ja, is dan sinds 2002 uitgegaan van een onjuiste gewenste voorjaarsstand van wilde zwijnen? Zo neen, waarom niet en waar blijkt dat uit?
  9. Is het waar dat de onevenredig zware – driemaal heviger dan noodzakelijke – jachtdruk grote negatieve effecten heeft op de sociale verbanden binnen de sterk sociaal levende wilde zwijnenpopulaties uitmondend in zwerfgedrag en een zeer hoge voortplantingsprikkel? Zo ja, welke gevolgtrekking verbindt u hieraan ten aanzien van het afschot in relatie tot het verkeersveiligheidsbeleid? Zo neen, waarom niet en op welk onderzoek baseert u zich hierbij?
  10. Is het waar dat in gebieden met een minder grote jachtdruk (zoals van natuurmonumenten) de voortplanting aantoonbaar beperkter is dan in gebieden met een hoge jachtdruk, zoals jachtopzichter E. Nijenhuis van Natuurmonumenten stelde (2) ?
  11. Bent u bereid in het kader van faunabeleid, gemelde overlast en verkeersveiligheidsbeleid een onafhankelijk onderzoek in te stellen naar de relatie tussen populatiedynamiek en jachtdruk op de Veluwe? Zo ja, op welke termijn en wijze? Zo neen, waarom niet?
  12. Kunt u aangeven hoe groot de jaarlijkse materiële schade is die wordt veroorzaakt door aanrijdingen met in het wild levende dieren en hoeveel slachtoffers onder mensen en dieren het gevolg zijn van deze aanrijdingen in de afgelopen 3 jaar?
  13. Kunt u aangeven in hoeverre u jagers hiervoor verantwoordelijk acht gegeven het feit dat zij mede-veroorzakers zijn van onnatuurlijke populatiedynamiek en vluchtgedrag onder de dieren in de nachtelijke uren?
  14. Bent u bereid om de maximumsnelheden in Veluwse natuurgebieden drastisch in te perken tijdens het jachtseizoen nu blijkt dat het aantal aanrijdingslachtoffers in die periode aanzienlijk hoger ligt dan in andere perioden?
  15. Bent u bereid de gegevens van locaties en tijdstippen van aanrijdingen met in het wild levende dieren bij te doen houden in een voor iedereen toegankelijke database, opdat aan de hand daarvan preventieve maatregelen voor en door automobilisten getroffen kunnen worden, zoals invoer in navigatiesystemen? Zo ja, op welke termijn en wijze? Zo neen, waarom niet?

1) Naar een natuurlijk beheer van wilde zwijnen, Marcel Vossestein, 28 mei, 2008 (bijgevoegd)
2) de Nunspeter Post d.d. 28 mei 2008

Antwoorddatum: 18 aug. 2008

Geachte Voorzitter,

Hierbij beantwoord ik, mede namens de minister van Verkeer en Waterstaat de vragen van het lid Thieme (PvdD) over toename van het aantal aanrijdingslachtoffers onder dieren.

1, 3 en 4
Hoe verklaart u de dramatische stijging van aanrijdingslachtoffers onder dieren op de Veluwe tussen 2005 en mei 2008 (namelijk aangereden dassen stegen van 7 naar 96 per jaar, aangereden reeën stegen van 83 naar 473 per jaar en aangereden wilde zwijnen stegen van 131 naar 578 per jaar)?

Kunt u uiteenzetten of uit het feit dat een teruggetrokken levend en uitgesproken nachtdier als de das in twee jaar ruim twaalf keer vaker verkeersslachtoffer is, is af te leiden dat ook op grote schaal in de nachtelijke uren intensief wordt gejaagd?

Deelt u de mening dat deze aanname mogelijk wordt ondersteund door het feit dat zes wilde zwijnen in oktober 2007 middenin de nacht de snelweg A50, tussen Hattem en Heerde, over de weg vluchtten, wat leidde tot een ongeval?

Er is geen sprake van een dramatische stijging van aanrijdingsslachtoffers onder dieren op de Veluwe tussen 2005 en mei 2008. De genoemde aanrijdingscijfers zijn afkomstig uit een grafiek die is opgenomen in het artikel van de heer Vossestein. Deze grafiek vermeldt echter niet dat niet over het hele jaar 2005 is geregistreerd en dat het gebied waarvoor wordt geregistreerd, sinds 2005 steeds verder is uitgebreid.

Wel is het aantal aanrijdingen met wilde zwijnen in 2007 sterk gestegen ten opzichte van voorgaande jaren. Het aantal aanrijdingen met wilde zwijnen is echter afhankelijk van de dichtheid van de wilde zwijnen (het aantal wilde zwijnen per oppervlakte-eenheid).

Deze dichtheid van het wilde zwijn hangt af van de reproductie en de sterfte. De reproductie neemt toe bij een hoge voedselbeschikbaarheid. De voedselbeschikbaar¬heid neemt toe bij opeenvolgende goede mastjaren zoals de afgelopen drie jaar. Door het achterwege blijven van strenge winters is er nauwelijks sprake van natuurlijke sterfte. Het voedsel is dan jaarrond beschikbaar voor de wilde zwijnen.
Uit cijfers van Stichting Das&Boom blijkt dat het totaal aantal verkeersslachtoffers onder dassen in Nederland de afgelopen jaren slechts marginaal is toegenomen. Daarbij is het percentage verkeersslachtoffers onder dassen op de Veluwe de afgelopen jaren stabiel.
De ervaring leert dat dassen weliswaar afkomen op het lokvoer dat gebruikt wordt bij het afschot van wilde zwijnen, maar dat dassen en wilde zwijnen bij elkaar uit de buurt blijven. Het is daardoor niet aannemelijk dat dassen in paniek raken doordat als er in hun nabijheid een wild zwijn wordt geschoten.

Op basis van de mij beschikbare gegevens over het desbetreffende ongeval zijn er geen aanknopingspunten voor uw aanname dat het ongeval op de A50, waar u op doelt, is veroorzaakt doordat in de nachtelijke uren op grote schaal intensief wordt gejaagd.

2 en 9
Hoe verklaart u dat de piek in het aantal aanrijdingen vooral lijkt te liggen tijdens het jachtseizoen? Ziet u een verband tussen de verstoring van het leefgebied van de dieren als gevolg van (ook nachtelijke) jachtpartijen en verstoring van de populaties? Zo neen, waarom niet?

Is het waar dat de onevenredig zware - driemaal heviger dan noodzakelijke - jachtdruk grote negatieve effecten heeft op de sociale verbanden binnen de sterk sociaal levende wilde zwijnenpopulaties, uitmondend in zwerfgedrag en een zeer hoge voortplantings¬prikkel? Zo ja, welke gevolgtrekking verbindt u hieraan ten aanzien van het afschot in relatie tot het verkeersveiligheidsbeleid? Zo neen, waarom niet en op welk onderzoek baseert u zich hierbij?

Ik verwijs naar mijn antwoord op eerdere vragen van uw Kamer over dit onderwerp (Kamerstuk 2007-2008, nr. 2742), en meer in het bijzonder de antwoorden op de vragen 8 en 9.

Ik neem afstand van de stelling dat de jachtdruk onevenredig zwaar dan wel heviger dan noodzakelijk is. De noodzaak om een aantal wilde zwijnen af te schieten wordt bepaald door het verschil tussen de zomerstand en de nagestreefde voorjaarsstand, en is het resultaat van afwegingen die rekening houden met het structurele voedselaanbod van de Veluwe, de verkeersveiligheid en economische schade.

5 en 11
Bent u bereid nader onderzoek in te stellen naar de relatie tussen populatieverstoring en vluchtgedrag in de nachtelijke uren als gevolg van de uitoefening van de jacht? Zo ja, op welke termijn en wijze? Zo neen, waarom niet?

Bent u bereid in het kader van faunabeleid, gemelde overlast en verkeersveiligheidsbeleid een onafhankelijk onderzoek in te stellen naar de relatie tussen populatiedynamiek en jachtdruk op de Veluwe? Zo ja, op welke termijn en wijze? Zo neen, waarom niet?

De uitvoering van het faunabeheer is de verantwoordelijkheid van Gedeputeerde Staten en de Faunabeheereenheden. Wanneer deze partijen, en eventueel andere relevante partijen, behoefte hebben aan het door u genoemde onderzoek, ben ik bereid in overleg met deze partijen te bezien welke (aanvullende) onderzoeksvragen gesteld zouden kunnen worden.

6 en 7
Wat kan bedoeld zijn in het jaarverslag 2007 van het Faunafonds met de formulering “Door andere maatregelen (dan de drukjacht), intensivering van het reguliere afschot, verlenging van de afschotperiode, inzet van een artikel 67 FF-wet ten behoeve van afschot in nachtelijke uren in wegbermen lijkt het erop dat de uiteindelijk gewenste voorjaarsstand van 800 dieren bij benadering zal worden bereikt”?

Kunt u uiteenzetten of dit betekent dat de jacht niet in alle gevallen heeft plaatsgevonden in overeenstemming van de regels in de Flora- en faunawet? Deelt u de mening dat daarin een mogelijke verklaring te vinden is voor het feit dat in het wild levende dieren op de Veluwe zich dit jaar schichtiger gedragen dan in andere jaren?

Met deze formulering is bedoeld: “Door andere maatregelen, zoals intensivering van het reguliere afschot, verlenging van de afschotperiode, inzet van een artikel 67 FF-wet ten behoeve van afschot in nachtelijke uren in wegbermen lijkt het erop dat de uiteindelijk gewenste voorjaarsstand van 800 dieren bij benadering zal worden bereikt”.
Er is derhalve in overeenstemming met de Flora- en faunawet gehandeld.

8
Is het waar dat een voorjaarsstand van 800 zwijnen gebaseerd is op verouderde aannames uit het Alterra-rapport 533 “Ecologisch rendement van ontsnippering: de casestudie edelhert en wild zwijn Veluwe” (2002), zoals de constatering op pagina 33/34): “Voor wilde zwijnen komt het aantal veel hoger uit dan de aantallen op basis van een studie naar het voedselaanbod in de 8 deelgebieden in de Veluwe” en “Als er voor de verschillen gecorrigeerd wordt zou het aantal voor de hele Veluwe 2500 worden”? Zo ja, is dan sinds 2002 uitgegaan van een onjuiste gewenste voorjaarsstand van wilde zwijnen? Zo neen, waarom niet en waar blijkt dat uit?

Ik verwijs naar mijn antwoord op eerdere vragen van uw Kamer over dit onderwerp (Kamerstuk 2007-2008, nr. 1680), meer in het bijzonder het antwoord op vraag 3.


10
Is het waar dat in gebieden met een minder grote jachtdruk (zoals van Natuurmonumenten) de voortplanting aantoonbaar beperkter is dan in gebieden met een hoge jachtdruk, zoals jachtopzichter E. Nijenhuis van Natuurmonumenten stelt?

De uitspraak van de heer Nijenhuis is gebaseerd op zijn persoonlijke ervaring. Deze ervaring wordt niet onderbouwd door de telgegevens en afschotcijfers van de Vereniging Wildbeheer Veluwe waar het gebied, waar de heer Nijenhuis werkzaam is, onder valt.

12
Kunt u uiteenzetten hoe groot de jaarlijkse materiële schade is die wordt veroorzaakt door aanrijdingen met in het wild levende dieren en hoeveel slachtoffers onder mensen en dieren het gevolg zijn van deze aanrijdingen in de afgelopen drie jaar?

Het ministerie van Verkeer en Waterstaat beschikt over een ongevallenregistratie-database. Deze registratie maakt geen onderscheid tussen groot wild, klein wild of huisdieren. In de registratie worden alleen menselijke slachtoffers vermeld. Aangenomen dat huisdieren voornamelijk binnen de bebouwde kom worden aangereden en wild buiten de bebouwde kom, zijn er in de periode 2003-2007 in het gebied van de Veluwe 1777 ongevallen met wilde dieren geregistreerd (gemiddeld circa 355 per jaar). Daarbij vielen ook twee menselijke slachtoffers.
De materiële schade varieert van geval tot geval en is afhankelijk van een aantal factoren zoals de diersoort, de snelheid waarmee het geraakt is, de waarde van het voertuig op het moment voor de aanrijding. Er zijn faunabeheerplannen waarin per aanrijding een gemiddelde van € 2000,00 wordt aangehouden. Uitgaande van dit bedrag levert dat onderstaande zeer ruwe schatting op:

Wild zwijn Ree Edelhert Damhert Totaal Totaal schade
2007 555 272 64 4 895 1.790.000 €
2006 280 211 50 11 552 1.104.000 €
2005 319 202 56 13 590 1.180.000 €
Bron: Vereniging Wildbeheer Veluwe

13
Kunt u uiteenzetten in hoeverre u jagers hiervoor verantwoordelijk acht, gegeven het feit dat zij medeveroorzakers zijn van onnatuurlijke populatiedynamiek en vluchtgedrag onder de dieren in de nachtelijke uren?

Ik heb geen reden om jagers, die uitvoering geven aan het door Gedeputeerde Staten vastgestelde Faunabeheerplan, verantwoordelijk te houden voor aanrijdingen met dieren. Er is wel reden om aan te nemen dat zonder populatiebeheer de materiële en immateriële schade groter zou zijn. Ik heb er vertrouwen in dat jagers bij uitvoering van faunabeheer zorgen dat verkeersrisico’s zoveel mogelijk voorkomen worden.


14 en 15
Bent u bereid om de maximumsnelheden in Veluwse natuurgebieden drastisch in te perken tijdens het jachtseizoen, nu blijkt dat het aantal aanrijdingslachtoffers in die periode aanzienlijk hoger ligt dan in andere perioden?

Bent u bereid de gegevens van locaties en tijdstippen van aanrijdingen met in het wild levende dieren bij te doen houden in een voor iedereen toegankelijke database, opdat aan de hand daarvan preventieve maatregelen voor en door automobilisten getroffen kunnen worden, zoals invoer in navigatiesystemen? Zo ja, op welke termijn en wijze? Zo neen, waarom niet?

Voor de rijkswegen vind ik dat niet nodig. Op de Veluwe zijn al preventieve maatregelen genomen. Alle rijkswegen zijn ingerasterd met een grofwildkerend dan wel zwartwild¬kerend raster. Bij op- en afritten waar in het verleden sporadisch knelpunten zijn geweest, zijn extra voorzieningen gemaakt om het de dieren extra moeilijk te maken op de rijksweg te komen. De flora die door het ecologisch bermbeheer langs de rijksweg aanwezig is, voornamelijk schrale grasberm en schrale heidevegetatie met open zandige plekken, is voor zwijnen en herten niet aantrekkelijk.

Het snelheidsregime op provinciale en gemeentelijke wegen ligt bij de desbetreffende wegbeheerders.

Bij de Data-ICT-Dienst van Verkeer en Waterstaat wordt geregistreerd wanneer mensen overlijden of in het ziekenhuis belanden als gevolg van aanrijdingen met dieren. De Stichting Groennetwerk houdt gedetailleerd gegevens bij van alle aanrijdingen met wild in hun grondgebied. Zie www.groennetwerk.nl. Ook de Vereniging Wildbeheer Veluwe beschikt over een uitgebreide dataset. Wegbeheerders weten dus op welke wegvakken dergelijke aanrijdingen gebeuren. Daar waar nodig kunnen ze waarschuwingsborden voor overstekend wild plaatsen en andere preventieve maatregelen nemen. Marktpartijen die kaarten maken voor navigatiesystemen zijn bovendien bezig om gegevens over de plaatsing van deze borden op te nemen in hun bestanden. Het opzetten en in stand houden van een database met alle gegevens van aanrijdingen met in het wild levende dieren zal derhalve niet bijdragen aan een verdere verbetering van de verkeersveiligheid.


Overigens is het effect van inperking van de maximumsnelheid sterk afhankelijk van de bereidheid van de weggebruikers om zich hieraan te houden. De ervaring leert dat op wegen in de Veluwe waar de maximumsnelheid reeds beperkt is, deze maximumsnelheid veelvuldig wordt overschreden. Ik heb geen reden om aan te nemen dat invoer in navigatiesystemen hier verandering in brengt.

DE MINISTER VAN LANDBOUW, NATUUR EN
VOEDSELKWALITEIT,




G. Verburg