Kamer­vragen aan de ministers van LNV en VWS over brief VWA over disfunc­ti­o­neren van controles op levende dieren en dierlijke producten


Vragen van het lid Thieme (Partij voor de Dieren) aan de ministers van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit en minister van Volksgezondheid Welzijn en Sport.

  1. Kent u het bericht “keuringsdienst erkent eigen falen; toezicht op vee en vlees tot minimum gedaald” (1)?
  2. Is het waar dat u al op 8 oktober 2007 op de hoogte was van de brief van de Inspecteur Generaal van VWA waarin hij meldt dat het toezicht op tal van gevoelige dossiers minimaal zal zijn en zelfs niet zal kunnen voldoen aan de vanuit Europa gestelde eisen? Zo ja, kunt u aangeven wat u met de inhoud van deze brief heeft gedaan en binnen welke periode? Zo neen, had u de inhoud van deze brief moeten kennen?
  3. Kunt u aangeven waarom u noch tijdens de behandeling van de begroting hebt gesproken over de gemelde problemen, noch ruimte gemaakt hebt in uw begroting om genoemde knelpunten op zo kort mogelijke termijn op te lossen?
  4. Kunt u aangeven waarom u de indruk wekt genoemde problemen onvoldoende serieus te nemen of in de brief genoemde knelpunten geen prioriteit te geven?
  5. Hoe beoordeelt u genoemde brief in het kader van het uitgelekte VWA rapport uit 2007 dat al een onluisterend beeld schetste van het functioneren van de VWA? Deelt u de zorgen van de Inspecteur Generaal van de VWA? Zo ja, op welke wijze en binnen welke termijn bent u voornemens uw zorgen in beleid zichtbaar te maken? Zo neen, waarom niet?
  6. Bent u bereid op korte termijn in te grijpen op zodanige wijze dat aan alle wettelijke en Europese vereisten voldaan zal worden door de VWA? Zo ja, op welke termijn en wijze? Zo neen, waarom niet?
  7. Is het waar dat de wettelijke taak op het toezicht op levende dieren (JA5) tot een minimum zal dalen? Zo ja, acht u dat een problematische situatie en bent u bereid dit probleem onverwijld op te lossen? Zo neen, waarom verschilt u daarover van mening met de Inspecteur Generaal van de VWA en op grond waarvan heeft u een andere mening terzake?
  8. Is het waar dat voor 'diervoeders' het aantal verplichte monsters diermeel niet meer genomen is en dat het onderzoek additieven tot een minimum beperkt is? Wat is uw visie op dergelijk disfunctioneren en op welke termijn en wijze wilt u daar verandering in brengen zodat de inspectie weer op het gewenste niveau gebracht kan worden?
  9. Is het waar dat van geïmporteerde partijen diervoeders slechts 25% van de door de EU voorgeschreven monsters genomen en onderzocht wordt? Wat is uw visie op dergelijk disfunctioneren en op welke termijn en wijze wilt u daar verandering in brengen zodat de inspectie weer op het gewenste niveau gebracht kan worden?
  10. Is het waar dat Geregistreerde bedrijven (beduidend) minder geïnspecteerd worden dan de gewenste 1 x per jaar? Wat is uw visie op dergelijk disfunctioneren en op welke termijn en wijze wilt u daar verandering in brengen zodat de inspectie weer op het gewenste niveau gebracht kan worden?
  11. Is het waar dat voor dierlijke bijproducten de inspectiefrequentie voor een aantal bedrijven in de afgelopen jaren met meer dan 50% is afgenomen? En dat tijdens een FVO missie is geconstateerd dat de kwaliteit van de uitvoering problemen begint op te leveren?
  12. Is deze daling van de inspectiefrequentie een bedoelde of onbedoelde afname gezien vanuit beleidsperspectief en bent u bereid de inspectiefrequentie weer op het gewenste niveau te brengen? Zo ja, op welke termijn en wijze? Zo neen, waarom niet?
  13. Bent u met de FVO eens dat het ten onrechte is dat een aantal inspecties niet meer uitgevoerd worden? Zo ja, wat gaat u daaraan doen? Zo neen, waarom niet?
  14. Is het waar dat bij ‘levende dieren’ bij de controle intraverkeer kwalitatieve uitvoeringsproblemen geconstateerd zijn en dat dit vooral bij de uitbraak van dierziekten tot problemen bij de tracering kam leiden? Zo ja, waarom heeft u nog niet ingegrepen op dit terrein en welke risico’s brengt dit met zich mee voor de volksgezondheid en diergezondheid bij ene uitbraak van dierziekten zoals vogelpest, varkenspest en mond- en klauwzeer? Zo neen, verschilt u van mening met de FVO en op welke gronden?
  15. Deelt u de zorgen van VWA over mogelijke problemen in het handhaven op het terrein van productveiligheid? Zo ja, wat gaat u doen om de gesignaleerde problemen op te lossen? Zo neen, waarom niet en op grond waarvan?
  16. Deelt u de mening van de VWA Inspecteur Generaal dat vanwege het toenemende aantal RAPEX meldingen het minimum niveau m.b.t cosmetische producten en lichaamsverzorging is bereikt? Zo ja, bent u bereid hier verandering in te brengen? Zo neen, waarom niet?
  17. Deelt u de mening van de VWA dat het toezicht op etikettering en samenstelling van levensmiddelen zich op een minimaal niveau bevindt? Acht u een dergelijk minimaal toezicht verantwoord in termen van voedselveiligheid en volksgezondheid? Zo ja, waarop baseert u die mening? Zo neen, hoe wilt u daar verandering in brengen en op welke termijn en wijze?
  18. Deelt u de mening van de Inspecteur Generaal dat de voorziene verruiming van de taakstelling de knelpunten op korte termijn nog aanzienlijk zal vergroten? Zo neen, waarom niet? Zo ja, op welke termijn en wijze wilt u het hoofd bieden aan dergelijke knelpunten?
  19. Deelt u de mening dat het vertrouwen in een deugdelijk functioneren van de VWA ernstig geschaad is door de geconstateerde misstanden in vervolg op het vernietigende interne VWA rapport? Zo ja, bent u bereid hard in te grijpen om de volksgezondheid en de voedselveiligheid te waarborgen op een niveau zoals ook de FVO van Nederland verwacht? Zo neen, waarom niet?

(1) NRC 18-02-08

Antwoorddatum: 16 mrt. 2008

Geachte Voorzitter,

Hierbij doen wij u toekomen de antwoorden op de vragen van het lid Thieme (PvdD) ter aanvulling op eerdere vragen van het lid Van Velzen (SP).

1
Kent u het bericht “keuringsdienst erkent eigen falen; toezicht op vee en vlees tot minimum gedaald”?

Ja.

2
Is het waar dat u al op 8 oktober 2007 op de hoogte was van de brief van de inspecteur-generaal van de Voedsel en Waren Autoriteit (VWA) waarin hij meldt dat het toezicht op tal van gevoelige dossiers minimaal zal zijn en zelfs niet zal kunnen voldoen aan de vanuit Europa gestelde eisen? Zo ja, kunt u aangeven wat u met de inhoud van deze brief heeft gedaan en binnen welke periode? Zo neen, had u de inhoud van deze brief moeten kennen?

Zie het antwoord op de vragen 1 t/m 3 van de SP.

3
Kunt u aangeven waarom u noch tijdens de behandeling van de begroting hebt gesproken over de gemelde problemen, noch ruimte gemaakt hebt in uw begroting om genoemde knelpunten op zo kort mogelijke termijn op te lossen?

Tijdens de behandeling van de begroting 2008 (TK 31 200, hoofdstuk XIV, nr. 2), maar ook daarvoor al, is de Tweede Kamer geïnformeerd over de ontwikkelingen van de financiële opgave voor de VWA. Zie de brief van 16 oktober 2007 (TK 26 991, nr. 158). Daarbij is een samenhangend pakket aan maatregelen voorgesteld om tot een begrotingsevenwicht in 2011 te komen.


4
Kunt u aangeven waarom u de indruk wekt genoemde problemen onvoldoende serieus te nemen of in de brief genoemde knelpunten geen prioriteit te geven?

Zie het antwoord op vraag 3 van het lid Van Velzen.

5
Hoe beoordeelt u genoemde brief in het kader van het uitgelekte VWA-rapport uit 2007 dat al een ontluisterend beeld schetste van het functioneren van de VWA? Deelt u de zorgen van de inspecteur-generaal van de VWA? Zo ja, op welke wijze en binnen welke termijn bent u voornemens uw zorgen in beleid zichtbaar te maken? Zo neen, waarom niet?

6
Bent u bereid op korte termijn in te grijpen op zodanige wijze dat aan alle wettelijke en Europese vereisten voldaan zal worden door de VWA? Zo ja, op welke termijn en wijze?
Zo neen, waarom niet?

7
Is het waar dat de wettelijke taak op het toezicht op levende dieren tot een minimum zal dalen? Zo ja, acht u dat een problematische situatie en bent u bereid dit probleem onverwijld op te lossen? Zo neen, waarom verschilt u daarover van mening met de inspecteur-generaal van de VWA en op grond waarvan heeft u een andere mening terzake?

Bij de beantwoording van de vragen 5 t/m 7 willen wij niet vooruitlopen op de resultaten van het onafhankelijk onderzoek door de heer Hoekstra. We wachten daarom eerst de uitkomsten van zijn onderzoek af. Daarna zullen wij ons standpunt bepalen.

8
Is het waar dat voor 'diervoeders' het aantal verplichte monsters diermeel niet meer genomen is en dat het onderzoek additieven tot een minimum beperkt is? Zo ja, wat is uw visie op dergelijk disfunctioneren? Op welke termijn en wijze wilt u verandering brengen in dit disfunctioneren, zodat de inspectie weer op het gewenste niveau gebracht kan worden?

9
Is het waar dat van geïmporteerde partijen diervoeders slechts 25 procent van de door de EU voorgeschreven monsters genomen en onderzocht wordt? Zo ja, wat is uw visie op dergelijk disfunctioneren? Op welke termijn en wijze wilt u verandering brengen in dit disfunctioneren, zodat de inspectie weer op het gewenste niveau gebracht kan worden?

Voor het antwoord op de vragen 8 en 9 zie het antwoord op vraag 6 van het lid
Van Velzen.

10
Is het waar dat Geregistreerde bedrijven (beduidend) minder geïnspecteerd worden dan de gewenste één keer per jaar? Zo ja, wat is uw visie op dergelijk disfunctioneren? Op welke termijn en wijze wilt u verandering brengen in dit disfunctioneren, zodat de inspectie weer op het gewenste niveau gebracht kan worden?

Met de VWA is de afspraak gemaakt dat geregistreerde mengvoederbedrijven in 2008 één keer per jaar geïnspecteerd worden. Voor de overige geregistreerde bedrijven geldt dat de controlefrequentie wordt vastgesteld op basis van een risicobeoordeling. Bij goed presterende bedrijven is een minimale inspectiedruk voldoende, hetgeen minder dan eenmaal per jaar kan zijn. Slecht functionerende bedrijven krijgen een behandeling die past bij hun risicoprofiel.

11
Is het waar dat voor dierlijke bijproducten de inspectiefrequentie voor een aantal bedrijven in de afgelopen jaren met meer dan 50% is afgenomen? Is het waar dat tijdens een missie van het Europese Food and Veterinary Office (FVO) is geconstateerd dat de kwaliteit van de uitvoering problemen begint op te leveren?

Zie het antwoord op vraag 7 van het lid Van Velzen.

12
Is deze daling van de inspectiefrequentie een bedoelde of onbedoelde afname gezien vanuit beleidsperspectief? Bent u bereid de inspectiefrequentie weer op het gewenste niveau te brengen? Zo ja, op welke termijn en wijze? Zo neen, waarom niet?

Dit is een bedoelde afname. Zie het antwoord op vraag 7 van het lid Van Velzen.

13
Deelt u de mening van het FVO dat het ten onrechte is dat een aantal inspecties niet meer uitgevoerd wordt? Zo ja, wat gaat u daaraan doen? Zo neen, waarom niet?

Voor zover door de FVO omissies zijn geconstateerd ten aanzien van de inspecties dierlijke bijproducten, zijn deze inmiddels opgepakt en zijn uitvoeringsprotocollen opgesteld.

14
Is het waar dat bij ‘levende dieren’ bij de controle intraverkeer kwalitatieve uitvoerings¬problemen geconstateerd zijn en dat dit vooral bij de uitbraak van dierziekten tot problemen bij de tracering kan leiden? Zo ja, waarom heeft u nog niet ingegrepen op dit terrein en welke risico’s brengt dit met zich mee voor de volksgezondheid en dier¬gezondheid bij een uitbraak van dierziekten, zoals vogelpest, varkenspest en mond- en klauwzeer? Zo neen, verschilt u van mening met het FVO en op welke gronden?

Zoals u weet, loopt op dit moment het onderzoek van de heer Hoekstra. Wij wachten de uitkomsten van zijn onderzoek af. Daarna zullen wij ons standpunt bepalen.


15
Deelt u de zorgen van de VWA over mogelijke problemen in het handhaven op het terrein van productveiligheid? Zo ja, wat gaat u doen om de gesignaleerde problemen op te lossen? Zo neen, waarom niet en op grond waarvan?

Het werkterrein van de productveiligheid kent een grote diversiteit aan producten, productrisico’s en marktpartijen. In toenemende mate vindt internationale samenwerking in het toezicht plaats. De werkwijze voor het toezicht is risicogebaseerd: daar waar de risico’s het grootst zijn en de naleving tekortschiet, vindt toezicht plaats. De IG-VWA wijst in zijn brief bij het conceptjaarplan 2008 op twee oorzaken van de uitbreiding van het toezicht op productveiligheid. In eerste instantie betreft dit de striktere verplichtingen vanuit de Europese Commissie ten aanzien van het markttoezicht. Deze striktere verplichtingen hebben met name hun invloed op de intensiteit van importcontroles. Daarnaast doelt de IG-VWA op een verbreding van het begrip verhandelen in de Warenwet. Producten die aan consumenten ter beschikking worden gesteld in het kader van dienstverlening zijn hierdoor ook onder het toezicht van de VWA komen te vallen. Als gevolg hiervan moet de VWA bijvoorbeeld toezichthouden op het beschikbaar stellen van zonnebanken in zonnestudio’s of fitnesscentra. De VWA gaf in haar conceptjaarplan aan dat de omvang van deze activiteiten voor 2008 nog niet concreet waren aan te geven.
De voorstellen van de Europese Commissie ten aanzien van het markttoezicht moeten nog definitief worden vastgesteld. Ook was nog geen inschatting van de risico’s van consumentenproducten in het kader van dienstverlening gemaakt. VWS heeft hiervoor in 2008 geen extra middelen beschikbaar gesteld en wacht op een plan van aanpak. Dit knelpunt is tijdens het overleg van VWS met de VWA besproken. In de discussie over het jaarplan 2009 zal worden bezien of een intensivering of verschuiving van prioriteiten noodzakelijk is.

16
Deelt u de mening van de VWA inspecteur-generaal dat vanwege het toenemende aantal RAPEX meldingen het minimum niveau met betrekking tot cosmetische producten en lichaams¬verzorging is bereikt? Zo ja, bent u bereid hier verandering in te brengen?
Zo neen, waarom niet?

Reactief toezicht op basis van meldingen en klachten vormt een belangrijk onderdeel van de risicogebaseerde werkwijze die het toezicht productveiligheid kenmerkt. De IG-VWA signaleert terecht dat er steeds meer meldingen zijn in het kader van de snelle informatie-uitwisseling over onveilige producten (RAPEX). Sinds 1 december 2005 is in de EU melding verplicht voor gevaarlijke producten die in de handel zijn gebracht en waarvoor maat¬regelen nodig zijn om risico’s te vermijden. De VWA stuurt de Nederlandse RAPEX-meldingen naar de Europese Commissie en handelt meldingen vanuit de rest van de EU af. Het totaal aantal meldingen in de EU is gestegen van 139 in 2003 naar bijna 1800 in 2007. Deze toename in het aantal meldingen geldt ook voor cosmetische producten. De IG-VWA heeft aangegeven dat het toezicht op de veiligheid van cosmetische producten onder de kritische massa komt als op het budget voor het toezicht productveiligheid moet worden bezuinigd. Dit knelpunt is tijdens het overleg van VWS met de VWA besproken.

Geconstateerd is dat er in het jaarplan 2008 geen aanpassing nodig was. In de discussie over het jaarplan 2009 zal opnieuw worden bezien of een intensivering of verschuiving van prioriteiten noodzakelijk is.

17
Deelt u de mening van de VWA dat het toezicht op etikettering en samenstelling van levensmiddelen zich op een minimaal niveau bevindt? Acht u een dergelijk minimaal toezicht verantwoord in termen van voedselveiligheid en volksgezondheid? Zo ja, waarop baseert u die mening? Zo neen, hoe wilt u daar verandering in brengen en op welke termijn en wijze?

Zie het antwoord op vraag 8 van het lid Van Velzen.

18
Deelt u de mening van de inspecteur-generaal dat de voorziene verruiming van de taakstelling de knelpunten op korte termijn nog aanzienlijk zal vergroten? Zo neen, waarom niet? Zo ja, op welke termijn en wijze wilt u het hoofd bieden aan dergelijke knelpunten?

Zie het antwoord op vraag 9 van het lid Van Velzen.

19
Deelt u de mening dat het vertrouwen in een deugdelijk functioneren van de VWA ernstig geschaad is door de geconstateerde misstanden in vervolg op het vernietigende interne VWA rapport? Zo ja, bent u bereid hard in te grijpen om de volksgezondheid en de voedselveiligheid te waarborgen op een niveau zoals ook het FVO van Nederland verwacht? Zo neen, waarom niet?

Zoals u weet, loopt op dit moment het onderzoek van de heer Hoekstra. Wij wachten de uitkomsten van zijn onderzoek af. Daarna zullen wij ons standpunt bepalen.

DE MINISTER VAN LANDBOUW, NATUUR EN
VOEDSELKWALITEIT,



G. Verburg DE MINISTER VAN VOLKSGEZONDHEID, WELZIJN EN SPORT,

A. Klink