Kamer­vragen aan de ministers van LNV en VROM over het stimu­leren van weidegang


Vragen van het lid Thieme van de Partij voor de Dieren aan de ministers van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit en Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieu over het stimuleren van weidegang


1. Kent u het bericht ‘weiden geeft minder uitstoot dan opstallen’ (1)?

2. Deelt u de opvatting van het CLM dat weidegang in de meeste gevallen een lagere uitstoot van broeikasgassen oplevert dan opstallen? Zo ja, welke activiteiten onderneemt u om weidegang van melkkoeien te stimuleren en acht u dat voldoende? Zo neen, waarom niet en wat zijn uw bevindingen wat betreft weidegang en de uitstoot van broeikasgassen?

3. Is het waar dat u uw collega’s in het kabinet getracteerd heeft op zogenoemde weidemelk van Friesche vlag met 100% weideganggarantie (2)? Welk signaal beoogde u hiermee af te geven, waaruit bestaat de 100% weideganggarantie en vindt u dat u als minister dienstbaar mag zijn aan winst van derden en waarom?

4. Hoe beziet u in dat kader uw deelname aan de opening van de campagne stap in de stal welke door de RCC als misleidend is aangemerkt? Kunt u inzicht geven in het beleid dat u voert met betrekking tot deelname aan of promotie te maken voor commerciële initiatieven vanuit de veehouderij?

5. Welke criteria hanteert u om wel of niet deel te nemen aan of promotie te maken voor commerciele initiatieven en bent u bereid hiervoor een toetsingskader te ontwikkelen waarin uitnodigingen onder andere worden beoordeeld op de mate van duurzaamheid en diervriendelijkheid van het initiatief alvorens uzelf hiervoor als minister in te spannen? Zo ja, op welke wijze en binnen welke termijn? Zo neen, waarom niet en op welke wijze wilt u voorkomen dat u zich inzet voor een initiatief dat niet in overeenstemming is met de maatschappelijke wens naar meer duurzaamheid en dierenwelzijn in de (intensieve) veehouderij?

6. Bent u van mening dat 120 dagen per jaar en minimaal 6 uur per dag (dus minimaal 720 uur per jaar) zoals de Stichting Weidegang in haar reglementen heeft staan voldoende is? Zo ja, vindt u het acceptabel dat deze minimumeis slechts eenderde is van het gemiddelde aantal uren beweiding van melkkoeien in 2006 zoals blijkt uit het CLM rapport ‘nulmeting Koe en Wij’(3) en kunt u aangeven waarom? Zo neen, op welke wijze gaat u stimuleren dat in het reglement het minimum aantal uren weidegang dat melkkoeien per jaar krijgen zal stijgen?

7. Bent u van mening dat minimaal 720 uren beweiding per melkkoe per jaar daadwerkelijk voldoende is om van weidegang te spreken? Zo ja, waar baseert u dat op en wanneer is er volgens u sprake van een ‘melkkoe die weidegang heeft’; welke definitie hanteert u daarbij? Zo neen, wat is volgens u de definitie van weidegang en in hoeverre moet die definitie volgens u gehanteerd worden bij discussies over weidegang?

8. Bent u bereid regels te ontwikkelen voor het gebruik van de term weidegang waar de sector zich in reclame uitingen, garanties en verpakkingsteksten aan moet houden? Zo ja, op welke wijze en binnen welke termijn? Zo neen, waarom niet en hoe voorkomt u dan misleidende reclame?

9. Bent u van mening dat weidegang verplicht gesteld moet worden? Zo ja, op welke wijze en binnen welke termijn gaat u hiervoor stappen ondernemen? Zo neen, waarom niet en hoe verhoudt zich dat tot uw voornemen de uitstoot van broeikasgassen zo veel mogelijk te verminderen?

10. Bent u van mening dat weidegang beter is voor het welzijn van melkkoeien? Zo ja, waar baseert u uw bevindingen op? Zo neen, hoe verhoudt zich uw mening tot het standpunt van de Koninklijke Nederlandse Maatschappij van Diergeneeskunde (KNMD) dat weidegang beter is voor het welzijn van koeien(4)?

11. Bent u van mening dat weidegang een onderdeel zou moeten zijn van cross compliance maatregelen zodat alleen agrariërs die hun melkkoeien weiden recht hebben op directe inkomenssteun? Zo ja, op welke wijze en binnen welke termijn wilt u deze voorwaarden aan directe inkomenssteun realiseren? Zo neen, acht u het rechtvaardig dat agrariërs die hun melkkoeien jaarrond op stal houden en daardoor mogelijkerwijs een negatieve bijdrage leveren aan het klimaat overheidssteun ontvangen en kunt u uitleggen waarom?

12. Bent u van mening dat melkkoeien die permanent op stal worden gehouden onder de gebruiksnormen voor dierlijke mest voor hokdieren zouden moeten vallen (maximaal 170 kg N per ha) en dat de mogelijkheid tot derogatie (maximaal 250 kg N per hectare) die voor graasdieren geldt zal komen te vervallen als het gaat om permanent opgestalde melkoeien? Zo ja, op welke wijze en binnen welke termijn gaat u dat realiseren? Zo neen, hoe rechtvaardigt u dat de versoepeling (derogatie) van de gebruiksnormen voor dierlijke mest welke is bedoeld voor graasdieren, onterecht wordt gebruikt door agrariërs die hun melkkoeien permanent opstallen?

13. Bent u van mening dat het weiden van melkkoeien ook een maatschappelijke functie is, bijvoorbeeld voor het vergroten van de kwaliteit van het landschap? Zo ja, bent u voornemens agrariërs die hun melkkoeien weiden hiervoor te belonen en op welke wijze? Zo neen, waarom niet?

(1) Agrarisch Dagblad d.d. 2 juni 2007

(2) Agrarisch Dagblad d.d. 2 juni 2007

(3) Nulmeting Koe & Wij, 2006. CLM rapport 647. CLM, Culemborg

(4) Zuivelzicht, 9 mei 2007

Antwoorddatum: 12 aug. 2007

Geachte Voorzitter,

In deze brief beantwoord ik mede namens de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer de vragen van het Kamerlid Thieme (PvdD) over het stimuleren van weidegang.

1
Kent u het bericht ‘Weiden geeft minder uitstoot dan opstallen’?

Ja. Ik ken inmiddels ook de reacties hierop van verschillende wetenschappers van Wageningen UR.

2
Deelt u de opvatting van het Centrum voor Landbouw en Milieu (CLM) dat weidegang in de meeste gevallen een lagere uitstoot van broeikasgassen oplevert dan opstallen? Zo ja, welke activiteiten onderneemt u om de weidegang van melkkoeien te stimuleren en acht u dat voldoende? Zo neen, waarom niet en wat zijn uw bevindingen wat betreft weidegang en de uitstoot van broeikasgassen?

Ik kom op basis van de verschillende berichten tot de conclusie dat het effect van weidegang op de uitstoot van broeikasgassen afhankelijk is van bedrijfsspecifieke omstandigheden, waaronder grondsoort, gebruik van mest en diervoeding. Dit sluit aan bij mijn bevindingen dat het effect van weidegang op de uitstoot van broeikasgassen genuanceerd ligt. Dit vergt nog nadere analyse.

3
Is het waar dat u uw collega’s in het kabinet getrakteerd heeft op zogenoemde weidemelk van Friesche vlag met 100% weideganggarantie? Welk signaal beoogde u hiermee af te geven? Waaruit bestaat de 100% weideganggarantie? Vindt u dat u als minister dienstbaar mag zijn aan winst van derden? Zo ja, waarom?

Ik heb mijn collega’s in het kabinet getrakteerd op zogenoemde weidemelk, omdat ik dit soort initiatieven uit de markt en maatschappij toejuich.

4
Hoe beziet u in dit kader uw deelname aan de opening van de campagne stap in de stal welke door de Reclame Code Commissie (RCC) als misleidend is aangemerkt? Kunt u inzicht geven in het beleid dat u voert met betrekking tot deelname aan of promotie voor commerciële initiatieven vanuit de veehouderij?

Zie antwoord over het oordeel van de Reclame Code Commissie over zichtstallen en de campagne Stap in de Stal van 14 juni 2007 (Aanhangsel 1850).

5
Welke criteria hanteert u om wel of niet deel te nemen aan of promotie voor commerciële initiatieven en bent u bereid hiervoor een toetsingskader te ontwikkelen waarin uitnodigingen onder andere worden beoordeeld op de mate van duurzaamheid en diervriendelijkheid van het initiatief alvorens uzelf hiervoor als minister in te spannen? Zo ja, op welke wijze en binnen welke termijn? Zo neen, waarom niet en op welke wijze wilt u voorkomen dat u zich inzet voor een initiatief dat niet in overeenstemming is met de maatschappelijke wens naar meer duurzaamheid en dierenwelzijn in de (intensieve) veehouderij?

Ik krijg zoals u weet vele uitnodigingen. Deze toets ik op basis van het algemene criterium of mijn deelname kan bijdragen aan het realiseren van mijn beleid.

Ik ben niet bereid om een toetsingskader te ontwikkelen.

6, 7, 8, 9 en 10
Deelt u de mening dat 120 dagen weidegang per jaar en minimaal 6 uur per dag (dus minimaal 720 uur per jaar) zoals de Stichting Weidegang in haar reglementen heeft staan voldoende is? Zo ja, vindt u het acceptabel dat deze minimumeis slechts eenderde is van het gemiddelde aantal uren beweiding van melkkoeien in 2006 zoals blijkt uit het CLM rapport ‘nulmeting Koe en Wij’? 3) Kunt u aangeven waarom? Zo neen, op welke wijze gaat u stimuleren dat in het reglement het minimum aantal uren weidegang dat melkkoeien per jaar krijgen zal stijgen?

Deelt u de mening dat minimaal 720 uren beweiding per melkkoe per jaar daadwerkelijk voldoende is om van weidegang te spreken? Zo ja, waar baseert u dat op? Wanneer is er sprake van een ‘melkkoe die weidegang heeft’? Welke definitie hanteert u daarbij? Zo neen, wat is de definitie van weidegang en in hoeverre moet die definitie volgens u gehanteerd worden bij discussies over weidegang?

Bent u bereid regels te ontwikkelen voor het gebruik van de term weidegang waar de sector zich in reclame-uitingen, garanties en verpakkingsteksten aan moet houden? Zo ja, op welke wijze en binnen welke termijn? Zo neen, waarom niet en hoe voorkomt u dan misleidende reclame?

Deelt u de mening dat weidegang verplicht gesteld moet worden? Zo ja, op welke wijze en binnen welke termijn gaat u hiervoor stappen ondernemen? Zo neen, waarom niet en hoe verhoudt zich dat tot uw voornemen de uitstoot van broeikasgassen zo veel mogelijk te verminderen?

Deelt u de mening dat weidegang beter is voor het welzijn van melkkoeien? Zo ja, waar baseert u uw bevindingen op? Zo neen, hoe verhoudt zich uw mening tot het standpunt van de Koninklijke Nederlandse Maatschappij van Diergeneeskunde (KNMD) dat weide¬gang beter is voor het welzijn van koeien?

Mijn voorganger heeft in een brief aan u aangegeven dat weidegang van koeien een thema is, waarbij in de eerste plaats een rol is weggelegd voor de markt en de maatschappij . Dit sluit aan bij mijn visie hierover.

In de bovengenoemde brief is aangegeven dat regelgeving rond weidegang niet het aangewezen instrument is. Hier past een faciliterende rol voor de overheid. In lijn met deze rol heeft mijn ministerie het project “Koe en Wij” mogelijk gemaakt, dat een bijdrage wil leveren aan het behoud en stimuleren van weidegang.

Weidegang biedt betere mogelijkheden voor natuurlijk gedrag dan huisvesting in de bestaande stallen. Ik sluit daarbij echter ook niet de ogen voor de voorwaarden zoals de KNMvD die noemt voor weidegang. Zo moeten de bedrijfsspecifieke omstandigheden geschikt zijn.

12
Deelt u de mening dat melkkoeien die permanent op stal worden gehouden onder de gebruiksnormen voor dierlijke mest voor hokdieren zouden moeten vallen, maximaal 170 kg N per ha, en dat de mogelijkheid tot derogatie, maximaal 250 kg N per hectare, die voor graasdieren geldt zal komen te vervallen als het gaat om permanent opgestalde melkoeien? Zo ja, op welke wijze en binnen welke termijn gaat u dat realiseren? Zo neen, hoe rechtvaardigt u dat de versoepeling van de gebruiksnormen voor dierlijke mest, welke is bedoeld voor graasdieren, onterecht wordt gebruikt door agrariërs die hun melkkoeien permanent opstallen?

Nee, ik deel die mening niet. De hoogte van de derogatie is gericht op het tegelijkertijd realiseren van milieurandvoorwaarden van de Nitraatrichtlijn en het creëren van een zo groot mogelijke plaatsingsruimte voor dierlijke mest.
Door de derogatie te beperken tot alleen die bedrijven die hun koeien weiden, zouden duizenden bedrijven direct in hun bedrijfsvoering geraakt worden. Indirect wordt hiermee de hele Nederlandse veehouderij, dus inclusief de bedrijven die wel weidegang toepassen, belast vanwege de verkleinde plaatsingsruimte voor dierlijke mest in Nederland. Het Nederlandse stikstofoverschot zal daardoor aanzienlijk toenemen.

11 en 13
Deelt u de mening dat weidegang een onderdeel zou moeten zijn van cross compliance maatregelen zodat alleen agrariërs die hun melkkoeien weiden recht hebben op directe inkomenssteun? Zo ja, op welke wijze en binnen welke termijn wilt u deze voorwaarden aan directe inkomenssteun realiseren?

Zo neen, acht u het rechtvaardig dat agrariërs die hun melkkoeien jaarrond op stal houden en daardoor mogelijkerwijs een negatieve bijdrage leveren aan het klimaat, overheidssteun ontvangen en kunt u uitleggen waarom?

Deelt u de mening dat het weiden van melkkoeien ook een maatschappelijke functie is, bijvoorbeeld voor het vergroten van de kwaliteit van het landschap? Zo ja, bent u voornemens agrariërs die hun melkkoeien weiden hiervoor te belonen en op welke wijze? Zo neen, waarom niet?


Het kabinet heeft in het coalitieakkoord aangegeven zich bij de komende hervorming van het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid in te gaan zetten om de Europese inkomenssteun meer te koppelen aan het realiseren van maatschappelijke waarden. Dit najaar kom ik met een notitie met voorstellen voor een Nederlandse positie in het debat hierover. Het onder¬werp weidegang zal hierin een plaats krijgen.

DE MINISTER VAN LANDBOUW, NATUUR EN
VOEDSELKWALITEIT,

G. Verburg