Kamer­vragen aan de ministers van LNV en VROM over heli­kop­ter­platform en meeu­wen­ko­lonie


Vragen van het lid Thieme van de Partij voor de Dieren aan de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit en de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer

1. Kent u het bericht 'Strijd tegen verjagen meeuwenkolonie' (1)?

2. Kunt u aangeven met welke reden het bewuste heliplatform is aangelegd in de nabijheid van de grootste broedkolonie meeuwen van Europa?

3. Acht u vergunningverlening voor het verstoren van een decennia oude grote broedkolonie in overeenstemming met de geest en uitgangspunten van de Flora- en faunawet?

4. Bent u bereid de Provincie Zuid-Holland te verzoeken diervriendelijke alternatieven te ontwikkelen voor de gesignaleerde problemen, zoals verplaatsing van de Helikopterhaven naar een plaats waar geen overlast te verwachten is? Zo neen, kunt u aangeven waarom niet?

(1) AD Rotterdam, 8 maart 2007

Antwoorddatum: 7 mei 2007

Geachte Voorzitter,

Hierbij beantwoord ik, mede namens de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, de vragen van het lid Thieme (PvdD) over de aanleg van een heliplatform in de nabijheid van een meeuwenkolonie.

1
Kent u het bericht 'Strijd tegen verjagen meeuwenkolonie'?

Ja.

2
Kunt u aangeven waarom het bewuste heliplatform is aangelegd in de nabijheid van de grootste broedkolonie meeuwen van Europa?

Het heliplatform is aangelegd op een perceel met de bestemming haven en industrie. Zoals in het bericht in AD Rotterdam van 8 maart jl. is vermeld, hebben het Loodswezen en het Havenbedrijf Rotterdam lange tijd naar een geschikte locatie gezocht. Dit omdat de locatie moest voldoen aan de specifieke eisen van het Loodswezen ten aanzien van de bereikbaarheid via het water, de weg en de lucht. Daarnaast kon voor deze locatie van het ministerie van Verkeer en Waterstaat bij beschikking op grond van het ‘Besluit inrichting en gebruik niet aangewezen luchtvaartterreinen’ toestemming worden verkregen om vanaf deze locatie twee helikoptervluchten per uur te maken tot een maximum van 20 uur per dag. Deze omstandigheden hebben uiteindelijk geleid tot de keuze voor de bewuste locatie.

3
Acht u vergunningverlening voor het verstoren van een decennia oude grote broedkolonie in overeenstemming met de geest en uitgangspunten van de Flora- en faunawet?

Het heliplatform is aangelegd buiten het broedseizoen, dus zonder de meeuwen te verstoren. Om te voorkomen dat meeuwen wederom binnen een straal van driehonderd meter van het heliplatform gaan broeden, worden deze binnen die straal van driehonderd meter verjaagd. Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland hebben daarvoor de vereiste ontheffing verleend. Daarbij is de afweging gemaakt dat de gunstige staat van instand¬houding van de betreffende soorten niet in het geding is. Het belang op grond waarvan de ontheffing is verleend, is de veiligheid van het luchtverkeer. Zowel de Flora- en faunawet als de Europese Vogelrichtlijn erkennen dat belang als ontheffingsgrond.
Er is hier gebruik gemaakt van de mogelijkheden die de wet biedt en dus gehandeld in overeenstemming met de geest en de uitgangspunten van de Flora- en faunawet.

4
Bent u bereid de provincie Zuid-Holland te verzoeken diervriendelijke alternatieven te ontwikkelen voor de gesignaleerde problemen, zoals verplaatsing van de Helikopterhaven naar een plaats waar geen overlast te verwachten is? Zo neen, kunt u aangeven waarom niet?

Op basis van de toegepaste criteria bij de locatiekeuze en de vergunningverlening in het kader van de Flora- en faunawet ben ik van oordeel dat er in dit proces sprake is van zorgvuldige besluitvorming. Ik zie dan ook geen aanleiding om de provincie Zuid-Holland of het ministerie van Verkeer en Waterstaat te verzoeken om diervriendelijke alterna¬tieven te ontwikkelen.

Tegen het besluit van Gedeputeerde Staten is bezwaar en beroep mogelijk. Ik maak uit de berichtgeving in AD Rotterdam van 8 maart jl. op dat Stichting De Faunabescherming van die mogelijkheid gebruik maakt. Het zal dan uiteindelijk de rechter zijn die bepaalt of hier al dan niet sprake is geweest van zorgvuldige besluitvorming en behoorlijk bestuur.

DE MINISTER VAN LANDBOUW, NATUUR EN
VOEDSELKWALITEIT,


G. Verburg