Kamer­vragen aan de ministers van LNV en EZ over non trade concerns


Kamervragen van het lid Thieme van de Partij voor de Dieren aan de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit en de minister van Economische Zaken

1. Kent u de publicatie 'Dierwelzijn is al geregeld' (1)?

2. Kunt u aangeven op welke wijze de Nederlandse markt in WTO verband beschermd mag worden tegen dierlijke producten welke afkomstig zijn van dieren die onder slechtere omstandigheden worden gehouden dan in Nederland?

3. Kunt u aangeven op welke wijze dergelijke bescherming ook kan gelden voor non trade concerns op morele gronden zoals bijvoorbeeld bezwaren tegen genetisch gemanipuleerde producten welke verder gaan dan verplichte etikettering?

4. Kunt u aangeven welke ruimte u ziet op basis van de WTO regels om diervriendelijk geproduceerde producten extra te steunen met fiscale voordelen, subsidies en/of preferentiële tarieven?

5. Kunt u aangeven welke ambities u heeft voor de huidige regeerperiode om in de WTO onderhandelingen in te zetten op bescherming van de Nederlandse markt voor dierlijke producten welke afkomstig zijn van dieren die onder slechtere omstandigheden worden gehouden dan in Nederland?

6. Bent u bereid vanuit Nederland in te zetten op een concrete uitwerking van de mogelijkheden van de non-trade concerns op morele gronden in het nieuwe vrijhandelsakkoord? Zo neen, kunt u aangeven waarom niet?

(1) Telegraaf, 03-03-2007 (pag. T21)

Antwoorddatum: 7 jun. 2007

Op basis van onderstaande antwoorden hebben we de minister tijdens de debatten (met name tijdens de maandelijke de Landbouw en Visserijraad) gevraagd zich nog sterker te maken voor het opnemen van deierenwelzijn in de WTO onderhandelingen.

Brief met het antwoord van de ministers van LNV & VROM:

Geachte Voorzitter,

In deze brief willen we graag ingaan op de vragen gesteld door kamerlid Thieme (PvdD), ingezonden op 6 maart jl., over de bescherming van de Nederlandse markt tegen dierlijke producten.

1. Kent u de publicatie 'Dierenwelzijn is al geregeld'?

Ja.

2. Kunt u aangeven op welke wijze de Nederlandse markt in WTO-verband beschermd mag worden tegen dierlijke producten welke afkomstig zijn van dieren die onder slechtere omstandigheden worden gehouden dan in Nederland?

Op dit moment kennen de WTO-regels geen expliciete bepalingen die het mogelijk maken om de eigen markt middels invoerverboden of andere instrumenten af te schermen van dierlijke producten welke afkomstig zijn van dieren die onder slechtere omstandigheden voor wat betreft dierenwelzijn worden gehouden dan in Nederland c.q. de Europese Unie.

3. Kunt u aangeven op welke wijze dergelijke bescherming ook kan gelden voor non-trade concerns op morele gronden, zoals bijvoorbeeld bezwaren tegen genetisch gemanipuleerde producten, welke verder gaan dan verplichte etikettering?

Het is belangrijk om te weten dat landen voor het eigen territoir op het terrein van gezondheid van mens, dier of plant, milieubescherming en veiligheid het beschermingsniveau, dat zij willen, zelf mogen bepalen. De WTO-bepalingen staan dat niet in de weg. Het WTO-verdrag betreffende sanitaire en fytosanitaire maatregelen (SPS Verdrag) staat onder voorwaarden de toepassing van het voorzorgsbeginsel toe.

Zoals onder vraag 2 aangegeven is het in WTO-kader in beginsel niet mogelijk om invoerverboden of invoerrestricties in te stellen. Op deze algemene regel bestaat een aantal uitzonderingen, die onder strikte voorwaarden een rechtvaardiging kunnen bieden voor de schending van deze verbodsregel. Een van die uitzonderingsgronden betreft maatregelen die noodzakelijk zijn om de publieke moraal te beschermen. De betrokken maatregel gebaseerd op de publieke moraal mag in de toepassing ervan bovendien niet leiden tot ongerechtvaardigde discriminatie tussen landen of een verkapte handelsbelemmering opleveren. Deze uitzonderingsgrond is tot heden door vrijwel geen WTO-lid ingeroepen en nog nooit onderwerp geweest van geschillenbeslechting in de GATT/WTO.

Het ministerie van Buitenlandse Zaken heeft opdracht gegeven om onderzoek te doen naar de Europees rechtelijke en WTO-aspecten van zogenaamde ‘non-trade concerns’ en de mogelijke gevolgen daarvan voor ontwikkelingslanden. De studie zal naar verwachting voor het zomerreces zijn afgerond. De Tweede Kamer zal geïnformeerd worden over de uitkomsten van voornoemde studie.

Wellicht ten overvloede wijs ik u met betrekking tot genetisch gemodificeerde organismen (GMO’s) op de regelgeving van de Europese Gemeenschappen (EG). De EG heeft zoals bekend regels gesteld over markttoegang, traceerbaarheid en etikettering van GMO’s en producten waarin GMO’s zijn verwerkt.

4. Kunt u aangeven welke ruimte u ziet op basis van de WTO-regels om diervriendelijk geproduceerde producten extra te steunen met fiscale voordelen, subsidies of preferentiële tarieven?

Wanneer het gaat om het steunen van diervriendelijk geproduceerde producten, bieden de WTO-bepalingen enige ruimte. In 2005 heeft het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit het LEI een onderzoek laten verrichten naar de ruimte die er is. Dit resulteerde in het rapport “Product differentiation under the WTO. An analysis of labelling and tariff or tax measures concerning farm animal welfare”. In dit onderzoek zijn drie beleidsinstrumenten onderzocht die gebaseerd zijn op de idee van voorkeursbehandeling voor meer duurzame producten: etikettering van producten, gedifferentieerde invoertarieven en gedifferentieerde consumentenheffing. De belangrijkste conclusie was dat van de onderzochte beleidsinstrumenten etikettering onder bepaalde voorwaarden een goede kans heeft te worden geaccepteerd door de WTO gegeven WTO-bepalingen en bestaande jurisprudentie. Over de uitkomsten van het onderzoek is uw Kamer uitgebreid geïnformeerd bij brief van 24 juni 2005 . Naar aanleiding van de begrotingsbehandeling van het Ministerie van LNV december vorig jaar is uw Kamer nader geïnformeerd over deze randvoorwaarden . Tijdens het Algemeen Overleg met de Vaste Kamercommissie LNV op 14 maart jl. heeft de Minister van LNV de Kamer toegezegd de mogelijkheden voor (verplichte) etikettering opnieuw te zullen bezien en de Kamer hierover nader te zullen inlichten.

Verder biedt het WTO-kader aanknopingspunten, zij het niet eenduidig, om boeren financieel tegemoet te komen in de investeringskosten voor bijvoorbeeld een diervriendelijke stal. Dit zou in WTO-terminologie onder de zogenaamde ‘Groene Boxsteun’, steun die niet of nauwelijks handelsverstorend is, kunnen vallen. In Nederland maken we van deze mogelijkheid onder andere gebruik middels de MIA-VAMIl regeling, waarbij investeringsaftrek mogelijk wordt gemaakt indien, op het gebied van dierenwelzijn en milieu, bovenwettelijke verbeteringen in huisvestingssystemen worden doorgevoerd.
Daarnaast moet het ons inziens ook mogelijk zijn om boeren financiële ondersteuning te bieden voor de meerkosten in exploitatie die gepaard gaan met extra eisen voor dierenwelzijn. Deze mogelijkheden zijn echter nog niet expliciet erkend als Groene Boxsteun. Zoals u bekend zet Nederland in de lopende onderhandelingen in het kader van de Doha Ronde zwaar in om ook deze mogelijkheden van Groene Box-steun opgenomen te krijgen in het nieuwe Landbouwakkoord.

5. Kunt u aangeven welke ambities u heeft voor de huidige regeerperiode om in de WTO-onderhandelingen in te zetten op bescherming van de Nederlandse markt voor dierlijke producten welke afkomstig zijn van dieren die onder slechtere omstandigheden worden gehouden dan in Nederland?

De economie en de samenleving die wij als Kabinet voor ons zien, zijn doordrongen van verantwoordelijkheidsgevoel voor het leven van mens, dier en natuur zowel in Nederland als daarbuiten. Zoals aangegeven in het Coalitieakkoord maakt deze Regering zich hard voor een verdere verbetering van dierenwelzijn. Ook in internationaal verband.

Hoewel de non-trade concerns, waartoe dierenwelzijn behoort, onderdeel uitmaken van zowel de brede onderhandelingsagenda voor de Doha Ronde als het onderhandelingsmandaat van de Europese Commissie, bestaat er brede weerstand tegen de non-trade concerns, in het bijzonder van de kant van de ontwikkelingslanden. Niet alleen voor veel van onze handelspartners, maar ook een groot aantal EU-collega’s zijn de non-trade concerns op dit moment nog een brug te ver.

Zoals hierboven aangegeven zet Nederland bij de onderhandelingen in het kader van de Doha Ronde in om in het nieuwe WTO Landbouwakkoord steun voor meerkosten die gepaard gaan met extra eisen voor dierenwelzijn expliciet erkend te krijgen als toegestane steun onder de Groene Box. Daar het de Europese Commissie is die namens de EU-lidstaten onderhandelt, is mijn inzet in eerste instantie gericht op de Europese Commissie en de collega-lidstaten. Waar opportuun blijft Nederland ook buiten de EU pleiten voor de erkenning van dierenwelzijn.

We moeten realistisch blijven, maar tegelijkertijd ook blijven zoeken naar mogelijkheden. Los van de Doha Ronde, ben ik van mening dat we binnen de huidige WTO-bepalingen ruimte moeten zoeken voor non-trade concerns die de huidige verdragen toelaten. Tegelijkertijd moeten we de discussie in WTO en in internationale organisaties die zich (mede) richten op dierenwelzijn op gang houden.

6. Bent u bereid in te zetten op een concrete uitwerking van de mogelijkheden van de non-trade concerns op morele gronden in het nieuwe vrijhandelsakkoord? Zo neen, waarom niet?

De vrijhandelsakkoorden waarover de EU op het punt staat te gaan onderhandelen met onder meer India, Zuid-Korea en de ASEAN-landen, bieden wellicht meer ruimte om bilaterale dan wel regionale afspraken te maken over samenwerking op het gebied van non-trade concerns. Vrijhandelsakkoorden in kleiner verband bieden de ruimte om afspraken te maken over onderwerpen die in multilateraal verband moeilijk van de grond komen.
Het verheugt ons dan ook zeer dat in de onderhandelingsrichtsnoeren die de Europese Commissie een dezer dagen voor goedkeuring aan de Raad van Ministers zal voorleggen, aandacht voor dierenwelzijn en duurzaamheidaspecten uitdrukkelijk zijn opgenomen. Wij kunnen u verzekeren van de actieve en constructieve bijdrage van Nederland in deze, ook in het zoeken naar mogelijkheden om deze onderwerpen adequaat te adresseren.

DE MINISTER VAN LANDBOUW, NATUUR EN VOEDSELKWALITEIT EN DE STAATSSECRETARIS VAN ECONOMISCHE ZAKEN,


G. Verburg
F. Heemskerk