Kamer­vragen aan de ministers van LNV en VROM over de vlees­con­sumptie in relatie tot de wereld­voed­sel­crisis en de uitstoot van broei­kas­gassen


Vragen van het lid Thieme aan de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit en de minister van Volksgezondheid Ruimtelijke Ordening en Milieu over de vleesconsumptie in relatie tot de wereldvoedselcrisis en de uitstoot van broeikasgassen

  1. Kent u het bericht “Verburg, beter telen voor de mond dan voor de motor”1?
  2. Is het waar dat wereldwijd circa 1% van het landbouwareaal wordt benut voor de productie van biobrandstoffen en circa 80% ten behoeve van de veehouderij? Zo neen, hoe liggen dan deze verhoudingen bij benadering?
  3. Is het waar dat meer dan 40% van de wereldgraanproductie wordt ingezet voor de productie van veevoer? Zo neen, welk deel van de wereldgraanproductie wordt dan bij benadering ingezet ten behoeve van veevoer?
  4. Is het waar dat volgens de FAO wereldwijd 18% van de broeikasgasuitstoot veroorzaakt wordt door de veehouderij? Zo neen, hoeveel procent van de broeikasgasemissie is dan toe te schrijven aan de veehouderij, is daarbij ook de uitstoot van ontbossing als gevolg van de verbouw van veevoer meegerekend en op welke onafhankelijke wetenschappelijke bronnen is dit cijfer gebaseerd? Hoe ligt dit percentage voor Nederland wanneer daarin de invoer van veevoer uit derde landen en de daarvoor benodigde kap van bossen wordt meegewogen?
  5. Kunt u aangeven om welke reden u zoveel nadruk legt op het niet voor de motor produceren, maar voor de mond, terwijl u nog geen aandacht gaf aan een beperking van de veehouderij in relatie tot het beschermen van de biodiversiteit, de beperking van de broeikasgasemissie, de wereldvoedselcrisis en de milieunadelen van vleesconsumptie?
  6. Acht u de productie van biobrandstoffen schadelijker voor milieu, klimaat en biodiversiteit dan de productie van dierlijke eiwitten? Zo ja, waarom? Zo neen, bent u bereid dan ook de schadelijkheid van de veehouderij meer onder de aandacht te brengen en beperking van die schade uitgangspunt van uw beleid te maken?
  7. Deelt u de mening dat “telen voor de mond” het meest effectief is wanneer wordt ingezet op meer voor menselijke consumptie geschikte plantaardige eiwitten dan nu het geval is? Zo ja, op welke wijze stimuleert u een omschakeling die daartoe kan leiden? Zo neen, waarom niet?
  8. Kent u de uitspraak van prof. dr. ir. Louise Fresco dat het huidige landbouwareaal toereikend kan zijn om 40 tot 50 miljard mensen te voeden, wanneer die mensen gevoed zouden worden met bonen en graan2?
  9. Hoe beoordeelt u deze uitspraak in het licht van de wereldvoedselcrisis en de grootschalige productie van dierlijke eiwitten?

(1) Agrarisch Dagblad 14 april 2008
(2) NRC 19 april 2008

Antwoorddatum: 27 mei 2008

Geachte Voorzitter,

Hierbij doe ik u, mede namens de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, de antwoorden toekomen op de vragen over de vleesconsumptie in relatie tot de wereldvoedselcrisis en de uitstoot van broeikasgassen die op 8 mei 2008 zijn ingezonden door het lid Thieme (PvdD).

1
Kent u het bericht “Verburg, beter telen voor de mond dan voor de motor”?1)

Ja.

2
Is het waar dat wereldwijd circa 1% van het landbouwareaal wordt benut voor de pro¬ductie van biobrandstoffen en circa 80% ten behoeve van de veehouderij? Zo neen, hoe liggen dan deze verhoudingen bij benadering?

Ja.
Daarbij wil ik opmerken dat bij de circa 80% landbouwareaal voor de veehouderij ook de uitgebreide, zeer extensief begraasde gebieden, zoals pampa’s, savannes, berggebieden en steppen zijn meegerekend.

3
Is het waar dat meer dan 40% van de wereldgraanproductie wordt ingezet voor de pro¬ductie van veevoer? Zo neen, welk deel van de wereldgraanproductie wordt dan bij bena¬dering ingezet ten behoeve van veevoer?

Ja.

4
Is het waar dat volgens de FAO wereldwijd 18% van de broeikasgasuitstoot veroorzaakt wordt door de veehouderij? Zo neen, hoeveel procent van de broeikasgasemissie is dan toe te schrijven aan de veehouderij? Is daarbij ook de uitstoot van ontbossing als gevolg van de verbouw van veevoer meegerekend? Op welke onafhankelijke wetenschappelijke bronnen is dit cijfer gebaseerd? Hoe ligt dit percentage voor Nederland wanneer daarin de invoer van veevoer uit derde landen en de daarvoor benodigde kap van bossen wordt meegewogen?

Ja, de FAO geeft aan dat wereldwijd circa 18% van de broeikasgasuitstoot veroorzaakt wordt door de veehouderij. Bron van dit cijfer is het FAO-rapport ‘Livestock’s Long Shadow – Environmental Issues and Options’ uit 2006. Hierbij wil ik opmerken dat de Nederlandse (intensieve) veehouderij voor 9% bijdraagt aan de broeikasuitstoot.
In de berekening is de CO2-uitstoot vanwege de productie en het transport van veevoer in Zuid-Amerika voor de Nederlandse sector meegenomen. De CO2-uitstoot als gevolg van mogelijke ontbossing is niet meegenomen, omdat het areaal dat ontbost wordt voor de teelt van grondstoffen niet kan worden gekwantificeerd en toegerekend.

5 en 6
Kunt u uiteenzetten om welke reden u zoveel nadruk legt op het niet voor de motor produceren, maar voor de mond, terwijl u nog geen aandacht gaf aan een beperking van de veehouderij in relatie tot het beschermen van de biodiversiteit, de beperking van de broeikasgasemissie, de wereldvoedselcrisis en de milieunadelen van vleesconsumptie?

Acht u de productie van biobrandstoffen schadelijker voor milieu, klimaat en biodiversiteit dan de productie van dierlijke eiwitten? Zo ja, waarom? Zo neen, bent u bereid dan ook de schadelijkheid van de veehouderij meer onder de aandacht te brengen en beperking van die schade uitgangspunt van uw beleid te maken?

De beperking van schade is al uitgangspunt van mijn beleid. Ik zet echter niet in op een beperking, maar op verduurzaming van de veehouderij. Ik verwijs u hiervoor naar mijn toekomstvisie op de veehouderij en de nota Landbouw, rurale bedrijvigheid en voedsel¬zekerheid, die ik samen met mijn collega voor Ontwikkelingssamenwerking naar uw Kamer heb gestuurd.

7 en 9
Deelt u de mening dat “telen voor de mond” het meest effectief is wanneer wordt ingezet op meer voor menselijke consumptie geschikte plantaardige eiwitten dan nu het geval is? Zo ja, op welke wijze stimuleert u een omschakeling die daartoe kan leiden? Zo neen, waarom niet?

Hoe beoordeelt u deze uitspraak in het licht van de wereldvoedselcrisis en de grootschalige productie van dierlijke eiwitten?

De productie van plantaardige eiwitten is efficiënter dan de productie van dierlijke
ei¬witten. Er zijn echter meer sporen die moeten worden benut om bij te dragen aan de voedselzekerheid. Ik ga hierover binnenkort de dialoog aan met belanghebbende partijen. Daarnaast laten mijn collega-minister van VROM en ik onderzoek doen naar de milieu- en maatschappelijke effecten van vervangingstrategieën voor vlees. Hierbij wordt bijzondere aandacht aan klimaateffecten en landgebruik besteed.
De agrosector produceert wat de samenleving vraagt, dat zijn naast vlees en zuivel inmiddels ook vleesvervangers. Vlees eten is een eigen keuze van de consument.

Tevens verwijs ik u naar de notitie Landbouw, rural bedrijvigheid en voedselzekerheid die mijn collega Koenders en ik op 8 mei aan uw Kamer hebben gezonden.

8
Kent u de uitspraak van prof. dr. ir. Louise Fresco dat het huidige landbouwareaal toe¬reikend kan zijn om 40 tot 50 miljard mensen te voeden, wanneer die mensen gevoed zouden worden met bonen en graan? 2)

Ja.

DE MINISTER VAN LANDBOUW, NATUUR EN
VOEDSELKWALITEIT,



G. Verburg