Kamer­vragen aan de minister van OCW over de onaf­han­ke­lijkheid van hoog­le­raren


Kamervragen van het lid Thieme aan de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen over de onafhankelijkheid van hoogleraren.

  1. Kent u de berichten ‘een professor van WC eend’ en ‘kwart hoogleraren wordt gesponsord’? (1)
  2. Acht u het wenselijk dat een deel van de bijzondere hoogleraren grotendeels werkzaam is in het bedrijfsleven en slechts een of twee dagen in de week een hoogleraarschap vervult? Zo ja, op welke wijze voorkomt u dat de commerciële belangen van deze personen verstrengeld raken met de wetenschappelijke onafhankelijkheid die het vervullen van een leerstoel vereist? Zo neen, op welke wijze voorkomt u dat iemand uit het bedrijfsleven een leerstoel bekleedt waarbij verstrengeling tussen commerciële en wetenschappelijke belangen kan ontstaan?
  3. Acht u het wenselijk dat een directeur van een zuivelonderneming of slachterij een leerstoel bekleedt die wat betreft de wetenschappelijke opdracht direct te maken heeft met de commerciële onderneming waar deze directeur zijn grootste deel van de werkzame tijd doorbrengt? Zo ja, waarom en hoe voorkomt u belangenverstrengeling? Zo neen, hoe gaat u voorkomen dat directeuren en andere personen met een commerciële functie een deeltijd leerstoel kunnen bekleden die de onafhankelijkheid en betrouwbaarheid van het onderzoek in gevaar kan brengen?
  4. Deelt u de mening dat men vraagtekens kan zetten bij de onafhankelijkheid en betrouwbaarheid van de uitspraak van een hoogleraar zuivelkunde tijdens diens inaugurele rede dat in melk een groot aantal gezonde en onmisbare voedingsstoffen zitten en dat de dalende zuivelconsumptie de volksgezondheid schaadt? (2) Zo ja, op welke wijze kunt u de eenzijdige focus van professor Hooijdonk op het vergroten van de zuivelconsumptie aanpakken? Zo neen, hoe verhoudt zich deze uitspraak tot ander wetenschappelijk onderzoek * waaruit blijkt dat met name de overconsumptie van dierlijke eiwitten in westerse landen leidt tot overgewicht (3) en dat uit recent uitgebreid wetenschappelijk onderzoek uit de Verenigde Staten naar voren is gekomen dat zuivel juist schadelijk is voor de gezondheid?(4)
  5. Kunt u aangeven op welke wijze visitatiecommissies opereren om de wetenschappelijke onafhankelijkheid en integriteit van commerciële deeltijdhoogleraren te onderzoeken en met welke frequentie deze visitaties plaatsvinden?
  6. Acht u het wenselijk dat Wageningen Universiteit als enige Nederlandse Universiteit niet onder het Ministerie van OCW, maar onder het ministerie van LNV ressorteert? Zo ja, waarom vindt u het belangrijk dat Wageningen Universiteit deze uitzonderingspositie heeft en welke voor- en nadelen zijn hieraan verbonden? Zo neen, waarom niet en bent u voornemens deze uitzonderingspositie af te schaffen?
  7. Hoe beoordeelt u het feit dat LNV, De Koninklijke Nederlandse Jagers Vereniging en het Faunafonds gezamenlijk een leerstoel ‘faunabeheer’ financieren en hoe kan de onafhankelijkheid van deze leerstoel gewaarborgd worden wanneer een belangenvereniging van hobbyjagers deze leerstoel goeddeels financiert? Hoe wordt de inzet van de 97% van de Nederlandse bevolking die de hobbyjacht afwijst vertaald in het onderzoek dat via deze leerstoel wordt geïnitieerd?(5)
  8. Deelt u de mening er steeds meer sprake is van de ontwikkeling dat met geld wetenschap en wetenschappelijke titels kunnen worden gekocht waardoor de betrouwbaarheid van wetenschap in het geding is? Zo ja, welke activiteiten gaat u hierop ondernemen en binnen welke termijn? Zo neen, waarom niet?

(1) Volkskrant, 12 april 2008
(2) www.afsg.wur.nl / http://en.wikipedia.org/wiki/The_China_Study
(3) Sustainable Protein Production and Consumption: Pigs or Peas? Series: Environment & Policy , Vol. 45 Aiking, Harry; Boer, Joop de; Vereijken, Johan (Eds.) 2006, XVI, 226 p., Hardcover ISBN: 978-1-4020-4062-7.
(4) http://www.ncbi.nlm.nih.gov/pubmed/15741380?dopt=Abstract
(5) http://www.dierenbescherming.nl/nieuws.php?id=1452

Antwoorddatum: 13 mei 2008

Vraag 1.
Kent u de berichten ‘Een professor van WC eend’ en ‘Kwart hoogleraren wordt gesponsord’? 1)

Antwoord:
Ja.

Vraag 2.
Acht u het wenselijk dat een deel van de bijzondere hoogleraren grotendeels werkzaam is in het bedrijfsleven en slechts een of twee dagen in de week een hoogleraarschap vervult? Zo ja, op welke wijze voorkomt u dat de commerciële belangen van deze personen verstrengeld raken met de wetenschappelijke onafhankelijkheid die het vervullen van een leerstoel vereist? Zo neen, op welke wijze voorkomt u dat iemand uit het bedrijfsleven een leerstoel bekleedt waarbij verstrengeling tussen commerciële en wetenschappelijke belangen kan ontstaan?

Antwoord:
Ik acht het wenselijk dat er bijzondere hoogleraren zijn. Zij zijn van groot belang voor de valorisatie van de kennis die binnen onze kennisinstellingen aanwezig is. Zij kunnen een belangrijke brug vormen tussen universiteit en bedrijfsleven. Tevens wordt op deze manier een investering gepleegd in het onderwijs en onderzoek vanuit derden. Dit zijn dus zeker positieve effecten die naar mijn mening in de door u genoemde artikelen onderbelicht blijven. Op welke wijze een bijzondere hoogleraar zijn functie bekleedt, inclusief de verhouding tussen werkzame dagen bij de universiteit en werkzame dagen bij een derde organisatie en inclusief de beoordeling van zijn onafhankelijkheid, is een verantwoordelijkheid die bij de universiteit ligt. Visitaties kunnen daarbij een rol spelen.

Voorwaarde is wel dat er duidelijkheid moet zijn over de (financiële) relaties die hierbij bestaan. Ik acht
openbaarheid ten aanzien van de positie van bijzondere hoogleraren vanzelfsprekend. Dit is ook de reden dat ik de gezamenlijke universiteiten (VSNU) gevraagd heb om mij uiterlijk 1 augustus te informeren over welke regelingen de universiteiten hebben getroffen inclusief de openbaarheid van deze gegevens.


Vraag 3.
Acht u het wenselijk dat een directeur van een zuivelonderneming of slachterij een leerstoel bekleedt die wat betreft de wetenschappelijke opdracht direct te maken heeft met de commerciële onderneming waar deze directeur zijn grootste deel van de werkzame tijd doorbrengt? Zo ja, waarom en hoe voorkomt u belangenverstrengeling? Zo neen, hoe gaat u voorkomen dat directeuren en andere personen met een commerciële functie een deeltijd leerstoel kunnen bekleden die de onafhankelijkheid en betrouwbaarheid van het onderzoek in gevaar kan brengen?

Antwoord:
Voor een directeur van een zuivelonderneming of een slachterij gelden dezelfde regels als voor andere personen die aangesteld zijn als bijzondere hoogleraar. Zie het antwoord op vraag 2.

Vraag 4.
Deelt u de mening dat men vraagtekens kan zetten bij de onafhankelijkheid en betrouwbaarheid van de uitspraak van een hoogleraar zuivelkunde tijdens diens inaugurele rede dat in melk een groot aantal gezonde en onmisbare voedingsstoffen zitten en dat de dalende zuivelconsumptie de volksgezondheid schaadt? 2) Zo ja, op welke wijze kunt u de eenzijdige focus van professor Hooijdonk op het vergroten van de zuivelconsumptie aanpakken? Zo neen, hoe verhoudt zich deze uitspraak tot ander wetenschappelijk onderzoek waaruit blijkt dat met name de overconsumptie van dierlijke eiwitten in westerse landen leidt tot overgewicht 3) en dat uit recent uitgebreid wetenschappelijk onderzoek uit de Verenigde Staten naar voren is gekomen dat zuivel juist schadelijk is voor de gezondheid? 4)

Antwoord:
De wetenschappelijke merites van uitspraken van alle wetenschapsbeoefenaren zijn ter beoordeling van de wetenschappelijke gemeenschap. Ik acht het niet de verantwoordelijkheid van de minister van onderwijs, cultuur en wetenschappen om in deze wetenschappelijke oordeelsvorming te treden.


Vraag 5.
Kunt u aangeven op welke wijze visitatiecommissies opereren om de wetenschappelijke onafhankelijkheid en integriteit van commerciële deeltijdhoogleraren te onderzoeken en met welke frequentie deze visitaties plaatsvinden?

Antwoord:
In het Standard Evaluation Protocol For Public Research Organisations (SEP) hebben de VSNU, KNAW en NWO gezamenlijk de criteria vastgelegd waar onderzoeksvisitaties aan moeten voldoen. Hiertoe dienen de instellingen zowel op het instellingsniveau als op het niveau van onderzoeksprogramma’s meerjarig inzichtelijk te maken wat de inkomsten en uitgaven aan onderzoek zijn, wat de bron van deze middelen is en welke onderzoekers werkzaam zijn. Deze visitaties worden iedere 6 jaar uitgevoerd. In 2004 is door bovengenoemde organisaties de meta-evaluatiecommissie kwaliteitszorg wetenschappelijk onderzoek ingesteld om toezicht te houden op de uitvoering het SEP.

Vraag 6.
Acht u het wenselijk dat Wageningen Universiteit als enige Nederlandse Universiteit niet onder het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, maar onder het ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit ressorteert? Zo ja, waarom vindt u het belangrijk dat Wageningen Universiteit deze uitzonderingspositie heeft en welke voor- en nadelen zijn hieraan verbonden? Zo neen, waarom niet en bent u voornemens deze uitzonderingspositie af te schaffen?

Antwoord:
Ja. In de beide harmonisatiebrieven groen onderwijs (kamerstuk 27417, nr. 7 en 10) zijn de uitgangspunten voor de rol van LNV in het onderwijs vastgelegd. Zoals in deze brieven is aangegeven maakt Wageningen Universiteit en Researchcentrum deel uit van de kennisinfrastructuur ten behoeve van de sector Voedsel en Groen. Voor Wageningen Universiteit gelden, onder verwijzing naar de Wet Hoger Onderwijs, dezelfde regels als voor alle andere universiteiten. In de praktijk werkt dit goed. Wageningen Universiteit heeft krachtige verbindingen met de maatschappij en is op het gebied van Voedsel en Groen een internationaal erkent topinstituut hetgeen ook blijkt uit de aan de kamer aangeboden resultaten van de beleidsdoorlichting van artikel 26 uit de LNV-begroting, zijnde ‘Kennis en Innovatie’ (kamerstuk 31104, nr. 1).

Vraag 7.
Hoe beoordeelt u het feit dat het ministerie Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, de Koninklijke Nederlandse Jagers Vereniging en het Faunafonds gezamenlijk een leerstoel ‘faunabeheer’ financieren en hoe kan de onafhankelijkheid van deze leerstoel gewaarborgd worden wanneer een belangenvereniging van hobbyjagers deze leerstoel goeddeels financiert? Hoe wordt de inzet van de 97% van de Nederlandse bevolking die de hobbyjacht afwijst vertaald in het onderzoek dat via deze leerstoel wordt geïnitieerd? 5)

Antwoord:
Faunabeheer is een relevant onderwerp, waar overigens door meerdere hoogleraren aan wordt gewerkt. In de nota Dierenwelzijn en het bijhorende werkprogramma spreekt de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit haar ambitie uit om alternatieve preventieve middelen te ontwikkelen om faunaschade aan landbouwgewassen te voorkomen. Met uiteindelijk doel om tot vermindering van het afschot van dieren te komen. Daaraan werken mee Faunafonds, Faunabeheereenheden en onderzoeksinstanties. De leerstoel faunabeheer verricht fundamenteel onderzoek en dit kan op termijn een bijdrage opleveren om te komen tot verminderde afschot. Voor deze leerstoel gelden voorts dezelfde afspraken zoals genoemd in de antwoorden op vragen 2 en 5

Vraag 8.
Deelt u de mening er steeds meer sprake is van de ontwikkeling dat met geld wetenschap en wetenschappelijke titels kunnen worden gekocht waardoor de betrouwbaarheid van wetenschap in het geding is? Zo ja, welke activiteiten gaat u hierop ondernemen en binnen welke termijn? Zo neen, waarom niet?

Antwoord:
Nee, deze mening deel ik niet. Wetenschappelijke betrouwbaarheid is van groot belang. Dit geldt voor alle hoogleraren. Checks en balances zijn daarvoor noodzakelijk. Zie het antwoord op vraag 2 en vraag 5.


1) de Volkskrant, 12 april 2008
2) http://www.afsg.wur.nl/nl/nieuwsagenda/archief/nieuws/2007/Melk_onmiskenbaar_gezond_voor_de_mens.htm http://en.wikipedia.org/wiki/The_China_Study
3) Sustainable Protein Production and Consumption: Pigs or Peas? Series: Environment & Policy , Vol. 45 Aiking, Harry; Boer, Joop de; Vereijken, Johan (Eds.) 2006, XVI, 226 p., Hardcover ISBN: 978-1-4020-4062-7
4) http://www.ncbi.nlm.nih.gov/pubmed/15741380?dopt=Abstract
5) http://www.dierenbescherming.nl/nieuws.php?id=1452