Kamer­vragen aan de minister van LNV over uitstel verbod op de verrijkte kooi


Kamervragen van het lid Thieme aan de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit over uitstel verbod op de verrijkte kooi

  1. Kent u het bericht ‘twintigjarige opmaat naar verrijkte kooi’1?
  2. Op welke wijze bepaalt u de overgangstermijn van een verbod op de verrijkte kooi, welke economische criteria hanteert u daarbij, op welke wijze waardeert u de dierenwelzijnscriteria, welke prioritering wordt aangebracht in de mee te nemen criteria en op grond van welke gegevens worden prioriteiten toegekend?
  3. Welke instanties, organisaties, belanghebbenden, wetenschappers, deskundigen, maatschappelijke groeperingen en overige actoren zijn betrokken bij het bepalen van de overgangstermijn en waarom heeft u voor hen gekozen?
  4. Waaruit blijkt dat deze betrokkenen een goede afspiegeling vormen van de belangen en waarden die leven in de samenleving voor wat betreft dierenwelzijn?
  5. Bestaat de kans dat u de overgangstermijn met name zult bepalen in overleg met de sector en dat daarbij de door hen vastgestelde afschrijvingstermijn leidend zal zijn in uw beslissing? Zo ja, waarom worden andere betrokkenen, zoals dierenwelzijnsorganisaties, niet gekend en waarom wordt afschrijvingstermijn als uitgangspunt gekozen voor het uitstellen van het nemen van de noodzakelijke en door het parlement gevraagde dierenwelzijnsverbeteringen? Zo neen, hoe garandeert u dat en op basis waarvan kan dat worden gecontroleerd?
  6. Op welke wijze neemt u de constateringen van de Algemene Rekenkamer2 dat “stimulerende instrumenten op het gebied van dierenwelzijn langzaam van de grond komen omdat het ministerie in de sector draagvlak zoekt voor te nemen maatregelen” en “het is onduidelijk hoeveel bedrijven onder de overgangsregeling vallen” en “de naleving van geldende regels wordt door de Nederlandse overheid niet intensief gecontroleerd” en “het Ministerie van LNV heeft ook weinig inzicht in de uitgevoerde controles” mee in uw bepaling van de overgangstermijn?
  7. Op welke wijze neemt u de volgende zinsnede uit de Nota dierenwelzijn3 “Mijn voorganger heeft zowel de leg- als vleessector afgelopen najaar een overgangsperiode van vijf jaar gegeven om op basis van onderzoek en een plan van aanpak te komen tot houderijsystemen die zonder ingrepen kunnen. Kansen liggen er op het terrein van fokkerij, management, voermaatregelen, verrijking van de bestaande huisvestingssystemen en nieuwe stalontwerpen. Ik wil deze toezegging aan de sector in stand laten, maar zal de voortgang zeer kritisch volgen. Wanneer de sector niet zelf met oplossingen komt, overweeg ik zelf stappen te zetten via het spoor van regelgeving” mee in de bepaling van de duur van de overgangstermijn?
  8. Op welke wijze neemt u de zinsnede uit uw brief4 over toekomst intensieve veehouderij “In 15 jaar moet de veehouderij in Nederland zich hebben ontwikkeld tot een in alle opzichten duurzame veehouderij, met een breed draagvlak in de samenleving. Dan bedoel ik een veehouderij die produceert met respect voor mens, dier en milieu waar ook ter wereld….Naast de mens zal in de veehouderij het dier centraal staan. Stallen en bedrijfsvoering zijn tegen die tijd om het dier heen gebouwd op een wijze die wordt gedragen door de samenleving. Het vee vertoont natuurlijk gedrag, krijgt daglicht en ondergaat nauwelijks tot geen fysieke ingrepen” mee in de bepaling van de duur van de overgangstermijn?
  9. Is het waar dat het is toegestaan om nog bij de invoering van het kooiverbod in 2012 kooien te verrijken terwijl een verbod op de verrijkte kooi al in april van 2008 is afgekondigd? Zo ja, hoe verhoudt dit zich tot uw uitgangspunten in de Nota Dierenwelzijn en uw visie op een duurzame veehouderij? Zo neen, waarom wordt deze suggestie wel gewekt door Jan Wolleswinkel van de NOP en welke maatregelen gaat u nemen om het verkondigen van deze onwaarheden te voorkomen?

(1) Agrarisch Dagblad, 8 juli 2008
(2) Rapport Duurzaamheid intensieve Veehouderij (31 478 nr. 1) van de Algemene Rekenkamer
(3) 28286, nr. 76
(4) 16 januari 2008

Antwoorddatum: 18 aug. 2008

Geachte Voorzitter,

Hierbij doe ik u toekomen de antwoorden op de vragen van het lid Thieme (PvdD) over uitstel verbod op de verrijkte kooi.

1
Kent u het bericht ‘twintigjarige opmaat naar verrijkte kooi’? 1)
Ja.

2, 3, 4 en 5
Op welke wijze bepaalt u de overgangstermijn van een verbod op de verrijkte kooi, welke economische criteria hanteert u daarbij, op welke wijze waardeert u de dierenwelzijns¬criteria, welke prioritering wordt aangebracht in de mee te nemen criteria en op grond van welke gegevens worden prioriteiten toegekend?

Welke instanties, organisaties, belanghebbenden, wetenschappers, deskundigen, maatschappelijke groeperingen en overige actoren zijn betrokken bij het bepalen van de overgangstermijn en waarom heeft u voor hen gekozen?

Waaruit blijkt dat deze betrokkenen een goede afspiegeling vormen van de belangen en waarden die leven in de samenleving voor wat betreft dierenwelzijn?

Bestaat de kans dat u de overgangstermijn met name zult bepalen in overleg met de sector en dat daarbij de door hen vastgestelde afschrijvingstermijn leidend zal zijn in uw beslissing? Zo ja, waarom worden andere betrokkenen, zoals dierenwelzijnsorganisaties, niet gekend en waarom wordt de afschrijvingstermijn als uitgangspunt gekozen voor het uitstellen van het nemen van de noodzakelijke en door het parlement gevraagde dieren¬welzijnsverbeteringen? Zo neen, hoe garandeert u dat en op basis waarvan kan dat worden gecontroleerd?

Ik werk aan een aanpassing van regelgeving op grond waarvan de verrijkte kooi verboden wordt in Nederland. Dat verbod zal terugwerken tot het moment van aankondiging van die regelgeving, te weten 18 april 2008.

Zoals ik in mijn brief aan de Tweede Kamer van 18 april 2008 (Kamerstuk 2007-2008, 28 286, nr. 213) heb aangegeven, zal ik voor een beperkte categorie bedrijven een overgangstermijn vaststellen. Het betreft die bedrijven met verrijkte kooien en de zogenoemde voorverrijkte kooien, die op 18 april 2008 waren gerealiseerd of waarvoor op die datum een onherroepelijke milieu- of bouwvergunning was verleend of aangevraagd. Een huisvestingssysteem komt slechts in aanmerking voor het overgangsregime indien het binnen twee jaar na 18 april 2008 in gebruik is genomen.

Bij de bepaling van de overgangstermijn weeg ik dierenwelzijn en de economische gevolgen voor de betreffende bedrijven in verband met nog niet afgeschreven investeringen mee. Een eerste ambtelijk overleg met de sector hierover heeft plaatsgevonden. Ik zal in het najaar op basis van een eigen afweging en na overleg met belanghebbende partijen een besluit nemen en de Tweede Kamer hierover informeren.

6
Op welke wijze neemt u de constateringen van de Algemene Rekenkamer 2) dat “stimulerende instrumenten op het gebied van dierenwelzijn langzaam van de grond komen omdat het ministerie in de sector draagvlak zoekt voor te nemen maatregelen” en “het is onduidelijk hoeveel bedrijven onder de overgangsregeling vallen” en “de naleving van geldende regels wordt door de Nederlandse overheid niet intensief gecontroleerd” en “het Ministerie van LNV heeft ook weinig inzicht in de uitgevoerde controles” mee in uw bepaling van de overgangstermijn?

Ik zie geen relatie tussen de genoemde constateringen van de Algemene Rekenkamer en het vaststellen van een overgangstermijn voor het verbod op de verrijkte kooien.

7
Op welke wijze neemt u de volgende zinsnede uit de Nota dierenwelzijn 3) “Mijn voorganger heeft zowel de leg- als vleessector afgelopen najaar een overgangsperiode van vijf jaar gegeven om op basis van onderzoek en een plan van aanpak te komen tot houderijsystemen die zonder ingrepen kunnen. Kansen liggen er op het terrein van fokkerij, management, voermaatregelen, verrijking van de bestaande huisvestings¬systemen en nieuwe stalontwerpen. Ik wil deze toezegging aan de sector in stand laten, maar zal de voortgang zeer kritisch volgen. Wanneer de sector niet zelf met oplossingen komt, overweeg ik zelf stappen te zetten via het spoor van regelgeving” mee in de bepaling van de duur van de overgangstermijn?

Ik zie geen relatie tussen de vermelde afspraken, die ik met de sector heb gemaakt ten aanzien van het tegengaan van ingrepen in de pluimveehouderij, en het vaststellen van een overgangstermijn voor het verbod op de verrijkte kooien.

8
Op welke wijze neemt u de zinsnede uit uw brief 4) over toekomst intensieve veehouderij “In 15 jaar moet de veehouderij in Nederland zich hebben ontwikkeld tot een in alle opzichten duurzame veehouderij, met een breed draagvlak in de samenleving. Dan bedoel ik een veehouderij die produceert met respect voor mens, dier en milieu waar ook ter wereld….Naast de mens zal in de veehouderij het dier centraal staan.

Stallen en bedrijfs¬voering zijn tegen die tijd om het dier heen gebouwd op een wijze die wordt gedragen door de samenleving. Het vee vertoont natuurlijk gedrag, krijgt daglicht en ondergaat nauwelijks tot geen fysieke ingrepen” mee in de bepaling van de duur van de overgangs¬termijn?

Deze ambitie zal onderdeel uitmaken van mijn afwegingen bij de besluitvorming over de overgangstermijn.

9
Is het waar dat het is toegestaan om nog bij de invoering van het kooiverbod in 2012 kooien te verrijken terwijl een verbod op de verrijkte kooi al in april van 2008 is afgekondigd? Zo ja, hoe verhoudt dit zich tot uw uitgangspunten in de Nota Dierenwelzijn en uw visie op een duurzame veehouderij? Zo neen, waarom wordt deze suggestie wel gewekt door Jan Wolleswinkel van de NOP en welke maatregelen gaat u nemen om het verkondigen van deze onwaarheden te voorkomen?

Ja.
Zoals bovenstaand aangegeven, zal ik voor de zogenoemde voorverrijkte kooien die op 18 april gerealiseerd waren of waarvoor op die datum een onherroepelijke milieu- of bouwvergunning was verleend of aangevraagd, een overgangstermijn vaststellen. De ambitie uit de visie veehouderij en de uitgangspunten in de Nota dierenwelzijn zullen onderdeel uitmaken van mijn afwegingen bij de besluitvorming over de overgangstermijn.

De voorverrijkte kooien, die op 18 april 2008 al waren gerealiseerd en in gebruik genomen, moeten conform de Europese welzijnsregelgeving voor legkippen uiterlijk op 1 januari 2012 zijn uitgerust met inrichtingselementen als een legnest, zitstok en een strooiselvoorziening.

Volgens mijn eerder vermelde brief van 18 april 2008 (Kamerstuk 2007-2008, 28 286, nr. 213) dienen nog te bouwen verrijkte of voorverrijkte kooien, waarvoor vóór 18 april 2008 onomkeerbare investeringsverplichtingen zijn aangegaan, uiterlijk op 18 april 2010 gereed en in gebruik genomen te zijn om onder het overgangsregime te vallen. Deze kooien zullen vanaf die datum moeten voldoen aan de Europese regelgeving met betrekking tot de verrijkte kooi en moeten zijn uitgerust met de inrichtingselementen.

DE MINISTER VAN LANDBOUW, NATUUR EN
VOEDSELKWALITEIT,




G. Verburg