Kamer­vragen aan de minister van LNV over verlening van nieuwe ontheffing aan zwanen­drifter


Vragen van het lid Thieme aan de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit over verlening van nieuwe ontheffing aan zwanendrifter

  1. Kunt u aangeven op grond van welke overwegingen u bent afgeweken van het verbod op “zwanendriften” dat sinds 1 april 2008 van kracht is zoals blijkt uit ontheffing Flora- en faunawet (art. 75 TRCDR 1998/3298)?
  2. Is het waar dat op 1 april 2008 een ruime overgangsregeling van 10 jaar afliep en bent u van mening dat deze overgangsregeling te kort was gelet op het feit dat u doorgaat met het afgeven van ontheffingen? Zo ja, hoe lang had de overgangstermijn uw inziens dan moeten duren? Zo neen, waarom geeft u dan na afloop van de overgangstermijn nog ontheffingen?
  3. Kunt u aangeven hoeveel ontheffingen van het verbod op het zwanendriften op dit moment nog van kracht zijn, op welke plaatsen en op hoeveel personen en hoeveel dieren de ontheffingen betrekkingen hebben? Zo neen, waarom niet?
  4. Kunt u aangeven hoe het kan dat vergeten is de ontheffing te publiceren? Zo ja, deelt u de mening dat het onder de pet houden van deze informatie onwenselijk, onzorgvuldig en misleidend is? Zo neen, waarom niet?
  5. Deelt u de mening dat de leeftijd van iemand die wettelijk niet geoorloofde activiteiten onderneemt niet de reden kan zijn om deze in principe ongeoorloofde activiteiten toe te blijven staan? Zo ja, waarom heeft u dit argument dan toch opgevoerd in genoemde vrijstelling? Zo neen, waarom niet?
  6. Kunt u aangeven of de handel in dons in het kader van deze vrijstelling betrekking heeft op dons dat ‘geoogst’ wordt van levende dieren of van dode dieren? Kunt u aangeven op welke wijze de dieren gedood worden door een zwanendrifter en wat uw mening is over het op deze wijze doden van dieren welke beschermd zijn onder het regime van de Flora- en faunawet en de Gezondheids en Welzijnswet voor Dieren?
  7. Realiseert u zich dat de afgegeven ontheffing (na een eerdere weigering daarvan) heeft geleid tot grote maatschappelijke onrust onder dierenbeschermers? Zo ja, wat bent u voornemens hieraan te gaan doen? Zo neen, kunt u verklaren hoe het komt dat u het niet handhaven van de wet door het toestaan van het exploiteren van wettelijk beschermde dieren als vanzelfsprekend lijkt te beschouwen?
  8. Is het waar dat de AID op 24 april 2002 een onderzoek heeft ingesteld in Bodegraven naar het houden van zwanen in het vrije veld in samenwerking met de regiopolitie Hollands Midden en dat daarbij aan een zwanendrifter te verstaan is gegeven dat leewieken niet meer is toegestaan evenmin als het vangen van wilde zwanen1?
  9. Deelt u de mening dat de AID en de regiopolitie in dit geval juist hebben gehandeld? Zo ja, waarom geeft u dan zes jaar na dato alsnog ontheffing voor zwanendrifters? Zo neen, in welke zin hebben AID en regiopolitie in uw ogen de wet onjuist geïnterpreteerd?
  10. Bent u bereid alle ontheffingen voor zwanendrifters per direct in te trekken? Zo neen, waarom niet?
  11. Deelt u de mening dat het verhandelen van beschermde inheemse soorten en het exporteren van levende knobbelzwanen naar landen als bijvoorbeeld Frankrijk niet past in het huidige tijdsbeeld, de huidige opvattingen over het welzijn van dieren en niet overeenstemt met de geest van de Flora- en faunawet en de Gezondheids- en Welzijnswet voor Dieren? Zo ja, in welk kader plaatst u dan de gegeven ontheffing(en) terzake? Zo neen, waarom niet?

(1) http://www.aid.nl/AIDNIEUWS0041

Antwoorddatum: 17 sep. 2008

Geachte Voorzitter,

Hierbij doe ik u toekomen mijn antwoorden op vragen van het lid Thieme (PvdD) over verlening van een nieuwe ontheffing aan een zwanendrifter.

  1. Kunt u uiteenzetten op grond van welke overwegingen u bent afgeweken van het verbod op “zwanendriften”, dat sinds 1 april 2008 van kracht is, zoals blijkt uit ontheffing Flora- en faunawet (art. 75 TRCDR 1998/3298)? 1)

    Primair is hier niet de Flora- en faunawet, maar de Gezondheid- en welzijnswet voor dieren (GWWD) aan de orde. Op grond van artikel 34 is een aantal diersoorten aangewezen die voor de productie mogen worden gehouden. Dit betekent dat producten, zoals vlees, van het dier mogen worden gebruikt. Andere dan de aangewezen soorten, waaronder de knobbelzwaan, mogen niet voor de productie worden gehouden. Er bestaat geen verbod op het fokken en verhandelen van knobbelzwanen, zolang er maar geen producten, bijvoorbeeld dons en vlees, worden gebruikt.

    De GWWD biedt de mogelijkheid om ontheffing te verlenen van het verbod op het voor de productie houden van dieren. Op ontheffingaanvragen dient met redenen omkleed te worden beslist en voor aanvragers staat de mogelijkheid van bezwaar en beroep open. Daarbij gelden de regels van de Algemene Wet Bestuursrecht. De aanvraag voor ontheffing, waarop uw vragen betrekking hebben, heb ik aanvankelijk afgewezen. De aanvrager heeft tegen dat besluit bezwaar gemaakt. In mijn beslissing op het bezwaar heb ik de bezwaren gegrond verklaard, het bestreden besluit herroepen en alsnog ontheffing verleend.
  2. Is het waar dat op 1 april 2008 een ruime overgangsregeling van 10 jaar afliep en bent u van mening dat deze overgangsregeling te kort was, gelet op het feit dat u doorgaat met het afgeven van ontheffingen? Zo ja, hoe lang had de overgangstermijn uw inziens dan moeten duren? Zo neen, waarom geeft u dan na afloop van de overgangstermijn nog ontheffingen?

    Deelt u de mening dat de leeftijd van iemand die wettelijk niet geoorloofde activiteiten onderneemt, niet de reden kan zijn om deze in principe ongeoorloofde activiteiten toe te blijven staan? Zo ja, waarom heeft u dit argument dan toch opgevoerd in genoemde vrijstelling? Zo neen, waarom niet?

    Kunt u uiteenzetten hoeveel ontheffingen van het verbod op het zwanendriften op dit moment nog van kracht zijn, op welke plaatsen en op hoeveel personen en hoeveel dieren de ontheffingen betrekkingen hebben? Zo neen, waarom niet?

    De overgangsregeling van tien jaar is niet te kort geweest. Zoals gezegd heb ik na de overgangsregeling één ontheffing GWWD verleend voor bepaalde tijd vanwege genoemde specifieke omstandigheden.

    Het aantal zwanen waarop de ene verleende ontheffing betrekking heeft wisselt. Aangenomen kan worden dat de ontheffing betrekking heeft op 600 paar knobbelzwanen en de nakomelingen daarvan.
  3. Zie 2.
  4. Kunt u uiteenzetten hoe het kan dat vergeten is de ontheffing te publiceren? Zo ja, deelt u de mening dat het onder de pet houden van deze informatie onwenselijk, onzorgvuldig en misleidend is? Zo neen, waarom niet?

    Er is geen verplichting om ontheffingen als deze te publiceren.
  5. Zie 2.
  6. Kunt u uiteenzetten of de handel in dons in het kader van deze vrijstelling betrekking heeft op dons dat ‘geoogst’ wordt van levende dieren of van dode dieren? Kunt u uiteenzetten op welke wijze de dieren gedood worden door een zwanendrifter? Wat is uw mening over het op deze wijze doden van dieren, welke beschermd zijn onder het regime van de Flora- en faunawet en de Gezondheid- en Welzijnswet voor Dieren?

    Dons wordt geoogst van dode zwanen. De dieren worden verdoofd door toediening van stroom en daarna wordt de keel doorgesneden waarna ze verbloeden.

    Op grond van artikel 5, lid 1, van het Besluit vrijstelling beschermde dier- en planten¬soorten geldt een vrijstelling van het verbod op doden, als bedoeld in artikel 9 van de Flora- en faunawet, voor aantoonbaar gefokte vogels.

    Op grond van deze vrijstelling is het in het kader van de Flora- en faunawet daarmee toegestaan aantoonbaar gefokte vogels te doden. Hierbij dient wel rekening gehouden te worden met de zorgplicht als bedoeld in artikel 2 van de Flora- en faunawet.
  7. Realiseert u zich dat de afgegeven ontheffing (na een eerdere weigering daarvan) heeft geleid tot grote maatschappelijke onrust onder dierenbeschermers? Zo ja, wat bent u voornemens hieraan te gaan doen? Zo neen, kunt u verklaren hoe het komt dat u het niet handhaven van de wet, door het toestaan van het exploiteren van wettelijk beschermde dieren, als vanzelfsprekend lijkt te beschouwen?

    Zie mijn antwoord op vraag 1 en 2.
  8. Is het waar dat de AID op 24 april 2002 een onderzoek heeft ingesteld in Bodegraven naar het houden van zwanen in het vrije veld in samenwerking met de regiopolitie Hollands Midden en dat daarbij aan een zwanendrifter te verstaan is gegeven dat leewieken niet meer is toegestaan, evenmin als het vangen van wilde zwanen? 1)

    Deelt u mening dat de AID en de regiopolitie in dit geval juist hebben gehandeld? Zo ja, waarom geeft u dan zes jaar na dato alsnog ontheffing voor zwanendrifters? Zo neen, in welke zin hebben AID en regiopolitie in uw ogen de wet onjuist geïnterpreteerd?

    Bedoeld onderzoek van de AID is voor de huidige stand van zaken niet meer relevant, omdat inmiddels aan betrokkene ontheffing is verleend.
  9. Zie 9.
  10. Bent u bereid alle ontheffingen voor zwanendrifters per direct in te trekken? Zo neen, waarom niet?

    Neen.
  11. Deelt u de mening dat het verhandelen van beschermde inheemse soorten en het exporteren van levende knobbelzwanen naar landen als bijvoorbeeld Frankrijk niet past in het huidige tijdsbeeld en de huidige opvattingen over het welzijn van dieren en niet overeenstemt met de geest van de Flora- en faunawet en de Gezondheid- en Welzijnswet voor Dieren? Zo ja, in welk kader plaatst u dan de gegeven ontheffing(en) terzake? Zo neen, waarom niet?


    De Vogelrichtlijn en dienovereenkomstig ook de Flora- en faunawet verbiedt de handel in uit het wild afkomstige vogels. De handel in nakomelingen van gehouden vogels is niet verboden. De GWWD verbiedt evenmin de handel in levende zwanen. Zie ook mijn antwoord op vraag 1.

    DE MINISTER VAN LANDBOUW, NATUUR EN
    VOEDSELKWALITEIT,




    G. Verburg

1) http://www.aid.nl/AIDNIEUWS0041