Kamer­vragen aan de minister van LNV over uitspraken Schreijer Pierik over situatie varkens­houders


Vragen van het lid Thieme aan de minister van landbouw, natuur en voedselkwaliteit over uitspraken Schreijer Pierik over situatie varkenshouders

  1. Kent u het bericht “Schreijer: varkenshouderij staat het water aan de lippen”1?
  2. Deelt u de mening van Mevrouw Schreijer-Pierik dat het slecht gaat in de varkenshouderij? Zo ja, waaraan is die ontwikkeling te wijten? Zo neen, waarom niet?
  3. Deelt u de conclusies van het rapport mestmarkt 2009-2015 van het LEI dat aangeeft dat er vanaf 2009 een structureel mestoverschot zal zijn en dat vanaf 2015 13 miljoen kg fosfaat niet plaatsbaar zal zijn? Zo ja, welke conclusies verbindt u hieraan voor uw beleid? Zo neen, waarom niet?
  4. Bent u van mening dat digestaat een goede vervanger zou kunnen zijn voor kunstmest? Zo ja, waarom?
  5. Deelt u de mening van het LEI dat de mogelijkheden om mest af te zetten in het buitenland gering zijn en dat op dit moment sprake is van een wankel evenwicht? Zo ja, welke maatregelen neemt u om de gevolgen van het mestoverschot in Nederland aan te pakken en binnen welke termijn? Zo neen, waarom niet?
  6. Deelt u de mening dat een sterk vervuilende sector met geringe toegevoegde waarde niet gestimuleerd zou moeten worden maar gesaneerd? Zo ja, op welke wijze en termijn wilt u sanering van de varkenssector bevorderen? Zo neen, waarom denkt u dat het bevorderen van een onrendabele, vervuilende sector toegevoegde waarde zou bieden?
  7. Bent u bereid de slechte resultaten van de varkenssector uit oogpunt van milieu en economische prestaties te betrekken in uw voornemen om een transitie naar een meet duurzame eiwitproductie op gang te brengen? Zo ja, op welke termijn en wijze? Zo neen, waarom niet?

(1) Agrarisch Dagblad 24-06-08

Antwoorddatum: 11 aug. 2008

Geachte Voorzitter,

Hierbij doe ik u toekomen de antwoorden op de vragen van het lid Thieme (PvdD) over de toekomst van de varkenshouderij.

1
Kent u het bericht “Schreijer: varkenshouderij staat het water aan de lippen”? 1)

Ja.

2
Deelt u de mening dat het slecht gaat in de varkenshouderij? Zo ja, waaraan is die ontwikkeling te wijten? Zo neen, waarom niet?

De varkenshouderij zit in de zogenoemde varkenscyclus in een periode met lage opbrengst¬prijzen als gevolg van verstoorde markten. Vooral in de zeugenhouderij zijn de opbrengstprijzen op dit moment erg laag. Tegelijkertijd zijn de voer- en energiekosten de afgelopen periode sterk gestegen. Dit is niet alleen in Nederland het geval, maar in de hele Europese Unie. Ten opzichte van andere landen heeft de Nederlandse varkenssector te maken met gemiddeld genomen lagere voerkosten vanwege het relatief grote gebruik van restproducten uit de humane voedingsindustrie in het veevoer en de aanwezigheid van een sterke veevoerinfrastructuur. Daar staat tegenover dat de mestafzetkosten in Nederland hoger zijn.
Het vakmanschap en ondernemerschap van de varkenshouders en de andere schakels in de keten maken dat de Nederlandse varkenssector een relatief gunstige concurrentie¬positie heeft ten opzichte van andere landen.
De varkenshouderij produceert voor een internationale open markt. De komende tijd zal er een nieuw evenwicht gaan ontstaan tussen kosten en opbrengsten en in de markt van vraag en aanbod.


3
Deelt u de conclusies uit het rapport mestmarkt 2009-2015 van het LEI, dat aangeeft dat er vanaf 2009 een structureel mestoverschot zal zijn en dat vanaf 2015 13 miljoen kg fosfaat niet plaatsbaar zal zijn? Zo ja, welke conclusies verbindt u hieraan voor uw beleid? Zo neen, waarom niet?

Per brief van 13 december 2007 (28385, nr. 93) heb ik u geïnformeerd over de resultaten van de evaluatie van de Meststoffenwet 2007. In het kader van deze evaluatie heb ik het Landbouw Economisch Instituut (LEI) gevraagd om voor de periode 2009-2015 te onder¬zoeken welk effect evenwichtsbemesting voor fosfaat zal hebben op de druk op de mestmarkt. Evenwichtsbemesting voor fosfaat betekent een dalende afzetruimte voor dierlijke mest. Het LEI verwacht in 2015 zonder aanvullende maatregelen een niet-plaatsbaar fosfaatoverschot van 13 miljoen kilogram. Ik verwacht dat vooral de varkenshouderij dan de druk op de mestmarkt zal voelen.
Zoals ik in voornoemde brief al heb aangegeven vind ik het de verantwoordelijkheid van de sector zelf om te komen tot structurele en innovatieve oplossingen waarmee voorkomen wordt dat er een structureel niet-plaatsbaar mestoverschot ontstaat.
De uitwerking van duurzame oplossingen voor het mestoverschot zal nauw worden gekoppeld aan het vergroten van de productie van duurzame energie en het terugdringen van de broeikasgasemissies door de varkenshouderij in het kader van het Convenant schone en zuinige agrosectoren. Daar waar ik een bijdrage kan leveren aan duurzame oplossingen voor het mestoverschot zal ik dit niet nalaten te doen.
Bij de evaluatie van de Meststoffenwet in 2012 zal de balans worden opgemaakt.

4
Bent u van mening dat digestaat een goede vervanger zou kunnen zijn voor kunstmest? Zo ja, waarom?

Digestaat is en blijft dierlijke mest. Verwerkte producten afkomstig uit digestaat kunnen wel een goede vervanger zijn voor kunstmest. Over mijn acties dienaangaande heb ik u geïnformeerd in mijn brief van 16 juni 2008 over de stand van zaken rond het beleid voor de zogenoemde kunstmestvervangers (28385, nr. 111).

5
Deelt u de mening dat de mogelijkheden om mest af te zetten in het buitenland gering zijn en dat op dit moment sprake is van een wankel evenwicht? Zo ja, welke maatregelen neemt u om de gevolgen van het mestoverschot in Nederland aan te pakken en binnen welke termijn? Zo neen, waarom niet?

Nee.
Jaarlijks laat ik de ontwikkelingen op de mestmarkt monitoren. Deze monitoring wordt uitgevoerd door het Landbouw Economisch Instituut (LEI) onder begeleiding van de Commissie van Deskundigen Meststoffenwet (CDM). Uit de monitoring blijkt dat de netto-export van dierlijke mest is gestegen van 16 miljoen kilogram fosfaat in 2006 naar 28 miljoen kilogram in 2007. Hieruit concludeer ik dat de sector volop gebruik maakt van de mogelijkheden om dierlijke mest af te zetten buiten de Nederlandse landbouw en dat de mogelijkheden nog niet volledig benut zijn.

Zoals ik in mijn antwoord op vraag 3 heb aangegeven, acht ik het de verantwoordelijkheid van de sector zelf om oplossingen te vinden voor de dalende afzetmogelijkheden van onbewerkte dierlijke mest binnen de Nederlandse landbouw. Daar waar mogelijk zal ik initiatieven van het bedrijfsleven faciliteren.

6
Deelt u de mening dat een sterk vervuilende sector met geringe toegevoegde waarde niet gestimuleerd zou moeten worden maar gesaneerd? Zo ja, op welke wijze en termijn wilt u sanering van de varkenssector bevorderen? Zo neen, waarom denkt u dat het bevorderen van een onrendabele, vervuilende sector toegevoegde waarde zou bieden?

Ik constateer dat de varkenshouderijsector de afgelopen jaren veel heeft geïnvesteerd in milieu- en dierenwelzijnsmaatregelen. Dit heeft al veel resultaten opgeleverd, maar forse inspanningen zullen de komende jaren nodig zijn om de scherpe toekomstige Europese doelstellingen te kunnen halen en nieuwe uitdagingen het hoofd te bieden. Zoals ik in de toekomstvisie op de veehouderij heb aangegeven, is het mijn ambitie dat de varkens¬houderij in Nederland zich over vijftien jaar moet hebben ontwikkeld tot één in alle opzichten duurzaam producerende sector met een breed draagvlak in de samenleving. Een varkenshouderijsector die produceert met respect voor dier, mens en milieu en tegelijkertijd de competitie op liberaliserende en open markten aan kan. Mijn beleid is gericht op het stellen van randvoorwaarden waarbinnen de sector werkt aan een verdere verduurzaming. De concrete invulling is geen zaak van een blauwdruk vanuit de overheid maar de verantwoordelijkheid van de varkenshouderij zelf in nauwe samenwerking met ketenpartijen en maatschappelijke organisaties.

7
Bent u bereid de slechte resultaten van de varkenssector uit oogpunt van milieu en economische prestaties te betrekken in uw voornemen om een transitie naar een meer duurzame eiwitproductie op gang te brengen? Zo ja, op welke termijn en wijze? Zo neen, waarom niet?

Nee.
Het kabinet zet in op de omschakeling naar een meer duurzame productie en consumptie van zowel dierlijke als plantaardige eiwitten. De inzet van het kabinet is weergegeven in de beleidsbrief Landbouw, rurale bedrijvigheid en voedselzekerheid van 8 mei 2008 (31250, nr. 14) en de brief van 27 mei 2008 over de Nederlandse inzet bij de High Level Conference van de FAO op 4 juni 2008 (31200 XIV, nr. 219).

DE MINISTER VAN LANDBOUW, NATUUR EN
VOEDSELKWALITEIT,




G. Verburg