Kamer­vragen aan de minister van LNV over roof­vo­gel­ver­volging


Vragen lid Thieme van de Partij voor de Dieren aan de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit over roofvogelvervolging

  1. Is het de minister bekend dat de Werkgroep Roofvogels Nederland constateert dat (1):
    • de vervolging van roofvogels weer de trend haalt van 25 jaar geleden?
    • dat bij schatting op basis van telgegevens, jaarlijks boven de duizend roofvogelnesten worden verstoord?
    • dat jagers en weidevogelbeschermers geen middelen schuwen om roofvogels te verjagen, te vangen, te vergiftigen en dood te schieten?
    • dat jagers zijn betrokken bij het uitleggen van giftig aas waarbij zelfs dassenfamilies zijn omgekomen?

  2. Is het waar dat de AID, Directie Natuur, 0 uren in het prioriteitenplan ofwel jaarplan 2006/ 2007 heeft opgenomen voor opsporing en handhaving van roofvogelvervolging? Indien dit zo is, hoe is dat te verklaren? Bent u voornemens extra capaciteit vrij te maken bij de AID voor opsporing en handhaving van roofvogelvervolgers?

  3. Welke middelen en instrumenten denkt de minister in te zetten om te voorkomen dat jagers en weidevogelbeschermers roofvogelnesten verstoren, roofvogels vangen, schieten en vergiftigen?
    Welke preventieve maatregelen zijn er hieromtrent opgenomen in de ‘Interventiestrategie Roofvogelvervolging’?

  4. Op welke wijze zal de evaluatie naar de werking van de ‘Interventiestrategie Roofvogelvervolging’ worden vormgegeven en welke criteria worden hierbij gehandhaafd om te bepalen of de strategie succesvol is geweest?

  5. Roofvogelvervolging komt vooral voor in het vrije veld, gebieden die niet worden gecontroleerd door bijvoorbeeld Boa’s van Staatsbosbeheer en andere natuurbeheerders. Hoe denkt de minister in deze gebieden de Flora- en Faunawet te handhaven in het kader van roofvogelvervolging?

  6. Is het waar dat de AID alleen nog dode roofvogels laat onderzoeken door het Centraal Instituut voor Dierziekte Controle (CIDC) wanneer er een aanwijsbare dader is? Zo ja, waarom wordt dit zo gedaan?

  7. Om een juist inzicht te krijgen in gebieden waar roofvogelvervolging plaatsvindt, de methoden van vervolging, de mate waarin dat gebeurt én de mogelijke daders, is het van belang dode roofvogels te registreren en te onderzoeken.
    Is de minister bereid meer gelden beschikbaar te stellen om alle roofvogels die onder verdachte omstandigheden zijn gedood te laten onderzoeken door het CIDC?

(1) http://www.dvhn.nl/nieuws/nederland/article334741.ece; http://www.om.nl/nieuws/archief/nieuws_2006/3/26855/; Jacht op roofvogels is geen incident” Dagblad de Limburger 31 maart 2007

Antwoorddatum: 26 jun. 2007

Geachte Voorzitter,

In antwoord op uw brief van 19 april 2007, met nummer 2060712820, doe ik u onderstaand de antwoorden toekomen op de vragen van het lid Thieme (PvdD) over roofvogelvervolging. Gezien de verantwoordelijkheid van het Openbaar Ministerie (hierna: OM) voor de opsporing en vervolging van strafbare feiten, beantwoord ik de vragen mede namens mijn ambtgenoot van Justitie.

1
Heeft u kennisgenomen van het feit dat de Werkgroep Roofvogels Nederland constateert dat de vervolging van roofvogels weer de trend haalt van 25 jaar geleden, dat bij schatting op basis van telgegevens, jaarlijks boven de duizend roofvogelnesten worden verstoord, dat jagers en weidevogelbeschermers geen middelen schuwen om roofvogels te verjagen, te vangen, te vergiftigen en dood te schieten, en dat jagers zijn betrokken bij het uitleggen van giftig aas waarbij zelfs dassenfamilies zijn omgekomen?

Ik heb kennisgenomen van de door u genoemde publicaties.

2
Is het waar dat de Algemene Inspectiedienst (AID), Directie Natuur, 0 uren in het prioriteitenplan ofwel jaarplan 2006/2007 heeft opgenomen voor opsporing en handhaving van roofvogelvervolging? Indien dit zo is, hoe is dat te verklaren? Bent u voornemens extra capaciteit vrij te maken bij de AID voor opsporing en handhaving van roofvogelvervolgers?

Voor toezicht en opsporing op het gebied van de Flora- en Faunawet zijn binnen de AID ruim 20,6 fte’s beschikbaar voor 2007. Deze capaciteit wordt mede ingezet voor de aanpak van roofvogelvervolging. Door samenwerking van de AID met de regionale milieuteams van de politie wordt een doelmatige handhavingsinzet gerealiseerd. Ik acht de huidige capaciteit voor toezicht en opsporing voldoende.

3
Welke middelen en instrumenten denkt u in te zetten om te voorkomen dat jagers en weidevogelbeschermers roofvogelnesten verstoren, roofvogels vangen, schieten en vergiftigen? Welke preventieve maatregelen zijn hieromtrent opgenomen in de “Interventiestrategie Roofvogelvervolging”?

Samen met het OM denk ik, naast de reguliere strafrechtelijke aanpak van roofvogelvervolging, aan de inzet van de volgende instrumenten:
• het informeren van de doelgroepen over de consequenties van normoverschrijdend gedrag;
• het in de publiciteit brengen van zaken tegen verdachten van roofvogelvervolging (handhavingscommunicatie);
• vergroting van de kennis bij de doelgroepen over het probleem van roofvogelvervolging en het wegnemen van misvattingen daaromtrent;
• het benaderen van brancheorganisaties van de doelgroepen om de mogelijkheden van samenwerking te onderzoeken;
• intrekking van jachtakten van jagers die zich schuldig maken aan roofvogelvervolging. Deze maatregelen zijn opgenomen in de “Interventiestrategie Roofvogelvervolging” van het OM.

4
Op welke wijze zal de evaluatie naar de werking van de “Interventiestrategie Roofvogelvervolging” worden vormgegeven? Welke criteria worden hierbij gehandhaafd om te bepalen of de strategie succesvol is geweest?

Het OM zal de evaluatie van de “Interventiestrategie Roofvogelvervolging” ter hand nemen. Ten behoeve van de evaluatie vindt doorlopend monitoring van de effecten van de handhavingsaanpak plaats.
De bedoeling is overigens de interventiestrategie voor de roofvogelvervolging te integreren met de brede interventiestrategie die nu voor de drie natuurwetten (Natuurbeschermingswet 1998, Flora- en faunawet, Boswet) wordt ontwikkeld. Deze interventiestrategie wordt opgezet volgens het principe van programmatisch handhaven. Dit houdt in dat het handhavingsbeleid een cyclisch karakter heeft. Naar aanleiding van opgedane ervaringen kunnen eventueel bijstellingen van de interventiestrategie, handhavingspraktijk of wetgeving plaatsvinden.

5
Hoe denkt u, gelet op het feit dat roofvogelvervolging vooral voorkomt in het vrije veld, gebieden die niet worden gecontroleerd door bijvoorbeeld Buitengewone opsporingsambtenaren (Boa’s) van Staatsbosbeheer en andere natuurbeheerders, in deze gebieden de Flora- en Faunawet te handhaven in het kader van roofvogelvervolging?

Toezicht en opsporing in deze gebieden vinden plaats door de politie en de AID.

6 en 7
Is het waar dat de AID alleen nog dode roofvogels laat onderzoeken door het Centraal Instituut voor Dierziekte Controle (CIDC) wanneer er een aanwijsbare dader is? Zo ja, waarom wordt dit zo gedaan?

Deelt u de mening dat het van belang is om dode roofvogels te registreren en te onderzoeken om een juist inzicht te krijgen in gebieden waar roofvogelvervolging plaatsvindt, in de methoden van vervolging, in de mate waarin dat gebeurt en in mogelijke daders? Bent u bereid meer gelden beschikbaar te stellen om alle roofvogels die onder verdachte omstandigheden zijn gedood te laten onderzoeken door het Centraal Instituut voor Dierziekte Controle?

Het is zeker van belang een juist inzicht te krijgen in, onder meer, zogenoemde hot spots. In dit verband komt een functie toe aan de Groendesk van de AID. Daar kunnen meldingen van de bij de handhaving mede betrokken organisaties inzake mogelijke roofvogelvervolging worden geregistreerd. Gecombineerd met andere reeds beschikbare informatie, onder meer uit eerdere onderzoeken en informatie van natuurbeheerders en particulieren, is er zo voldoende informatie voorhanden om inzicht te hebben in de zogenoemde hot spots.
Het maken van kosten voor onderzoek door het CIDC is alleen zinvol, indien er een daderspoor is dat daadwerkelijk tot aanhouding van een verdachte kan leiden. Alleen in dat geval laat de AID dode roofvogels onderzoeken. Het beschikbaar stellen van meer gelden ten behoeve van onderzoek door het CIDC is derhalve niet aan de orde.


DE MINISTER VAN LANDBOUW, NATUUR EN
VOEDSELKWALITEIT,


G. Verburg