Kamer­vragen aan de minister van LNV over de bijen­sterfte


Vragen van het lid Thieme aan de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit over de bijensterfte

  1. Kent u het bericht “massale bijensterfte kan een ramp worden”1?
  2. Kunt u aangeven hoe groot de populatie wilde bijen op dit moment nog is in Nederland en hoe zich dit aantal verhoudt tot de situatie een eeuw geleden? Waaraan wijt u de teruggang van wilde bijen met name en welk onderzoek is daar naar verricht?
  3. Kunt u aangeven of binnen het huidige onderzoek naar bijen ook aandacht wordt besteed aan de populatieontwikkeling van wilde bijen in ons land en de mate waarin zij met uitsterven worden bedreigd? Zo ja, wanneer zullen de resultaten daarvan beschikbaar komen? Zo neen, waarom niet en bent u bereid daar alsnog onderzoek naar te doen?
  4. Kunt u aangeven op welke wijze u zorg draagt voor het behoud van kennis en ervaring in het bijen houden nu de huidige groep imkers in Nederland sterk aan het vergrijzen is en of u bereid bent het beroep van bijen houden op te nemen in het curriculum van de agrarische scholen?

(1) De Gelderlander, 10 juli 2008.

Antwoorddatum: 2 sep. 2008

Geachte Voorzitter,

Het lid Thieme (PvdD) heeft naar aanleiding van een bericht in ‘De Gelderlander’ over bijensterfte enkele vragen gesteld, die ik hierbij beantwoord.

1
Kent u het bericht ‘’Massale bijensterfte kan een ramp worden’’?

Ja, ik ken dit artikel.

2
Kunt u uiteenzetten hoe groot de populatie wilde bijen op dit moment nog is in Nederland en hoe dit aantal zich verhoudt tot de situatie een eeuw geleden? Waaraan wijt u de teruggang van wilde bijen met name? Welk onderzoek is daarnaar verricht?

De populatie in het wild levende honingbijen is sinds de opkomst van de Varroa-mijt nihil. Wilde bijen zijn er wel. Dat betreft in totaal ruim driehonderd soorten, waarvan sommige sociaal leven (vormen nesten, of volkjes, bijvoorbeeld hommels) en heel veel soorten die solitair leven (ieder wijfje verzorgt haar eigen broednestje). Soms vormen solitaire bijen wel een soort van gemeenschappen, bijvoorbeeld veel nesten vlak bij elkaar, of soms zelfs nesten met een gezamenlijke ingang. Er zijn wel gegevens over het aantal soorten dat wordt waargenomen, en in welke gebieden en regio’s, maar exacte gegevens over populatie¬groottes (hoeveel individuen per oppervlakte) zijn lastig te verzamelen. De vertaalslag van het aantal waargenomen individuen naar het aantal werkelijk aanwezige individuen is nauwelijks te maken.
Het aantal wilde bijen blijkt terug te lopen als opnamen uit de vijftiger jaren worden vergeleken met recente opnamen in Nederland en in Engeland (hierover stond recent artikel in Science). Anderzijds was het beeld voor andere insecten zoals bijvoorbeeld zweefvliegen wat genuanceerder; sommige soorten namen ook toe. Van de ruim driehonderd soorten wilde bijen staat een groot aantal op de rode lijst, en is al jaren niet meer waargenomen. Van de bijen hebben vooral de meer gespecialiseerde exemplaren (die slechts op een of enkele soorten bloemen vliegen) het meest te leiden.
Parallel met de afname van bijen blijken ook veel soorten van bijen afhankelijke bloem¬planten achteruit te gaan. Het is moeilijk aan te geven of het één het gevolg is van het andere, maar het lijkt duidelijk dat de afname van bloemen en bijen samen verband houdt met het achteruitgaan van geschikte milieus voor zowel bloemen als bijen, onder andere ook als gevolg van de intensivering van de landbouw sinds de jaren vijftig van de vorige eeuw. Ook verschraling van de natuur die sindsdien is opgetreden, speelt waarschijnlijk een rol.

3
Kunt u uiteenzetten of binnen het huidige onderzoek naar bijen ook aandacht wordt besteed aan de populatie-ontwikkeling van wilde bijen in ons land en de mate waarin zij met uitsterven worden bedreigd? Zo ja, wanneer zullen de resultaten daarvan beschikbaar komen? Zo neen, waarom niet en bent u bereid daar alsnog onderzoek naar te doen?

Zoals in bovenstaande vraag al is beantwoord, wordt er onderzoek gedaan naar de aanwezigheid van (populaties) wilde bijen in Nederland. Dit wordt gedaan door stichting EIS Nederland (European Invertebrate Survey), voor een groot deel op basis van opnamen door vrijwilligers. Daarnaast is hier veel aandacht aan besteed in het grote EU-programma ‘ALARM”, waarvan Nederlandse onderzoekers deel uitmaken. ALARM heeft heel veel resultaten gepubliceerd, net als voor de Nederlandse situatie de stichting EIS heeft gedaan.

4
Kunt u uiteenzetten op welke wijze u zorg draagt voor het behoud van kennis en ervaring in het bijenhouden nu de huidige groep imkers in Nederland sterk aan het vergrijzen is? Bent u bereid het beroep van bijenhouden op te nemen in het curriculum van de agrarische scholen?

Zie het antwoord dat ik op een vergelijkbare vraag van de vaste Kamercommissie voor LNV heb gegeven.

DE MINISTER VAN LANDBOUW, NATUUR EN
VOEDSELKWALITEIT,




G. Verburg