Aanvul­lende kamer­vragen aan de minister van landbouw, Natuur en Voed­sel­kwa­liteit over weigering kippen te redden na brand in schuur


1. Kent u het bericht ‘Overlevende kippen brand aan lot overgelaten’ ?
2. Is het waar dat de dieren die de brand in Nijkerk overleefd hebben aan hun lot zijn overgelaten en dat aangeboden hulp om de dieren op te vangen is geweigerd door de eigenaars? Zo ja, in hoeverre zijn de eigenaars in overtreding van artikel 36 van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren? Zo neen, wat is dan de toedracht?
3. Is het waar dat de AID heeft geweigerd in te grijpen na melding van het ontstane dierenleed, met als argument dat “het toch om mestkippen ging die niet ouder worden dan 45 dagen”? Zo ja, wat is uw mening over de weigering van de AID om in te grijpen? Zo neen, hoe luidt dan de toedracht?
4. Deelt u de mening dat artikel 36 van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren net zozeer opgaat voor productiedieren zoals mestkippen als voor andere dieren? Zo ja, bent u bereid om de AID op te dragen alsnog verbaliserend op te treden indien blijkt dat dieren aan hun lot zijn overgelaten? Zo neen, waarom niet?
5. Is het juist dat de AID heeft gesteld dat het lot van de gedupeerde dieren na de brand niet de eerste prioriteit zou hebben? Zo ja, deelt u deze mening? Zo neen, wat is dan de reden van het niet ingrijpen van de AID?
6. Bij wie ligt volgens u de verantwoordelijkheid voor de opvang van de dieren die de brand overleefden?
7. Deelt u de mening dat het onthouden van zorg en opvang aan deze dieren een strafbaar feit zou kunnen zijn? Zo ja, bent u bereid de AID alsnog op te dragen daar onderzoek naar te doen? Zo neen, waarom niet?

Antwoorddatum: 16 apr. 2008

Geachte Voorzitter,

Hierbij doe ik u de antwoorden toekomen op de vragen die gesteld zijn door het lid Thieme (PvdD) over de weigering kippen te redden na brand in schuur.

1
Kent u het bericht ‘Overlevende kippen brand aan lot overgelaten’? 1)

Ja.

2, 3, 4 en 5
Is het waar dat de dieren die de brand in Nijkerk overleefd hebben aan hun lot zijn overgelaten en dat aangeboden hulp om de dieren op te vangen is geweigerd door de eigenaars? Zo ja, in hoeverre zijn de eigenaars in overtreding van artikel 36 van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren? Zo neen, wat is dan de toedracht?

Deelt u de mening dat artikel 36 van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren net zozeer opgaat voor productiedieren zoals mestkippen als voor andere dieren? Zo ja, bent u bereid om de AID op te dragen alsnog verbaliserend op te treden, indien blijkt dat dieren aan hun lot zijn overgelaten? Zo neen, waarom niet?

Deelt u de mening dat het onthouden van zorg en opvang aan deze dieren een strafbaar feit zou kunnen zijn? Zo ja, bent u bereid de AID alsnog op te dragen daar onderzoek naar te doen? Zo neen, waarom niet?

Is het waar dat de AID heeft gesteld dat het lot van de gedupeerde dieren na de brand niet de eerste prioriteit zou hebben? Zo ja, deelt u deze mening? Zo neen, wat is dan de reden van het niet ingrijpen van de AID?


Artikel 36 van de Gezondheids- en welzijnswet verbiedt het toebrengen van pijn of letsel zonder redelijk doel of met overschrijding van wat voor het bereiken van dat doel toelaat¬baar is. Dit verbod geldt met betrekking tot alle diersoorten. Gezien de bericht¬geving acht ik het niet waarschijnlijk dat er sprake is geweest van een overtreding van dit artikel.

Het onthouden van de nodige verzorging is verboden op grond van artikel 37 van de Gezondheids- en welzijnswet. Er is echter geen melding gedaan van het onthouden van de nodige verzorging. Wel is op 4 maart jl. de AID telefonisch benaderd door een burger met het verzoek haar te assisteren bij het verlenen van hulp aan de kippen die de brand op het pluimveebedrijf in Nijkerk hadden overleefd. Dit verzoek kwam naar aanleiding van beelden van loslopende kippen op het bedrijf bij het televisieprogramma “Hart van Nederland”, en de weigering van de pluimveehouder haar toe te laten op zijn erf met als doel de kippen weg te halen, aldus de burger. Het verlenen van assistentie bij het betreden van een erf is echter alleen mogelijk op verzoek van een burgemeester of hulp¬verlenende instanties ter plaatse. Dit is aan de burger uitgelegd.

Op basis van de verklaring van de burger en het beschikbare beeldmateriaal kon niet worden opgemaakt dat de pluimveehouder niet de nodige maatregelen zou nemen ten aanzien van de dieren die de brand hadden overleefd. Ook de diverse hulpverlenende instanties die op het bedrijf aanwezig waren of waren geweest hebben geen melding gedaan van het feit dat de eigenaar de dieren de nodige verzorging onthield. Omdat in deze situatie sprake was van overmacht diende de houder tevens in de gelegenheid te worden gesteld de noodzakelijke maatregelen te treffen.

Gelet op voorgaande is besloten géén controle op het bedrijf te verrichten en te vertrouwen op de gebruikelijke procedure waarbij hulpverlenende instanties melding doen wanneer er aanwijzingen zijn dat een houder of eigenaar van dieren de nodige verzorging onthoudt en daarmee artikel 37 van de Gezondheids- en welzijnswet overtreedt.

6
Bij wie ligt volgens u de verantwoordelijkheid voor de opvang van de dieren die de brand overleefden?

De primaire verantwoordelijkheid voor de opvang van de dieren die de brand hebben overleefd ligt bij de eigenaar of verzorger van de dieren.

7
Is het waar dat de Algemene Inspectiedienst (AID) heeft geweigerd in te grijpen na melding van het ontstane dierenleed, met als argument dat “het toch om mestkippen ging die niet ouder worden dan 45 dagen”? Zo ja, wat is uw mening over de weigering van de AID om in te grijpen? Zo neen, hoe luidt dan de toedracht?


De betreffende medewerker van de AID was op de hoogte van het feit dat het een bedrijf met legkippen betrof. Een opmerking aangaande de levensverwachting van “mestkippen” is derhalve niet gemaakt. Voor de werkelijke reden geen controle op het betrokken bedrijf te verrichten verwijs ik u naar het antwoord op de vragen 2 t/m 5.

DE MINISTER VAN LANDBOUW, NATUUR EN
VOEDSELKWALITEIT,


G. Verburg