Spoed­debat vergun­ningen veehou­de­rijen Natura 2000-gebieden


8 april 2009

Mevrouw Ouwehand (PvdD):
Voorzitter. Waar ik eindigde met mijn interruptie, wil ik met mijn betoog beginnen. Ik vind dan dat de Raad van State een zeer zinnige uitspraak heeft gedaan. De Raad van State zegt namelijk: het enkele feit dat onder het voor 1 oktober 2005 geldende wettelijke regime geen verzoek omtrent handhaving is ingediend en niet handhavend is opgetreden tegen de maatschap betekent niet dat de op genoemde datum bestaande ammoniakemissies en daarmee samenhangende ammoniakdepositie als bestaand recht in het kader van de toepassing van de NB-wet 1998 mag worden beschouwd. Dat is een relevant punt. Wij kunnen nu wel doen alsof die Natuurbeschermingswet niet is gewijzigd en alsof die helemaal niet bestaat, maar zij is er wel. Als je tegen ondernemers zegt "een milieuvergunning is goed genoeg, let maar op, wij gaan daar niet op handhaven", dan komt er een moment waarop je hard met je neus tegen de muur loopt en dat de rechter toch zegt: "maar zo werkt het niet." Het lijkt erop dat als het gaat om de bescherming van natuur in Nederland wij een abonnement op vernietigende uitspraken van de Raad van State hebben. Ik noem: de mosselvergunningen, de kokkelvergunning en het interim-toetsingskader ammoniak. Keer op keer zegt de Raad van State: zo gaat het niet. Als je namelijk een veehouderij hebt die in de buurt van een natuurgebied ligt, dan moet worden getoetst of de vervuiling die je met je veestapel veroorzaakt niet te veel schade toebrengt aan de kwetsbare natuur in je achtertuin. Men is dan gewoon vergunningplichtig op grond van de Natuurbeschermingswet.
Het ministerie vond het kennelijk niet nodig dat men dat zou zijn. De Natuurbeschermingswet kende dan ook een zeer moeizame start en het heeft lang geduurd voordat alles rond was. Nederland begon met de herziening in 1998. Daarom is dat jaartal aan de naam van de wet verbonden. Nederland werd door Europa op de vingers getikt, want de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn werd onvoldoende geïmplementeerd. Uiteindelijk duurde het tot 2005 voordat de wet eindelijk van kracht was. Ik vraag de minister of zij of haar ministerie ervoor heeft gekozen om het bestaand gebruik te legaliseren en, zo ja, welke risicoanalyse daaraan ten grondslag heeft gelegen. De bevoegdheid is overgedragen aan de provincies. Nu blijkt dat zij daar geen raad mee weten. Nu blijkt ook dat de beleidslijn, die inhoudt dat als je een milieuvergunning hebt je de NB-wetvergunning er gratis bij krijgt, niet klopt. Ik wil concreet van de minister van Landbouw horen welke risicoanalyses destijds zijn gemaakt. Hadden de juristen op het ministerie van LNV de gevolgen niet moeten voorzien? Hoe groot is de rechtszekerheid als je goochelt met risico's bij de toekenning van bestaande rechten?
Voorzitter. Concreet wil ik weten waarom men dit niet had kunnen zien aankomen. Ik heb het sterke vermoeden dat men met de grote legaliseringstruc op het ministerie van LNV de grote vriend van de boeren wil uithangen en dat wij op deze manier, als je alles goed in aanmerking neemt, uiteindelijk de grote vijand van de boeren zijn. Hierover krijg ik graag meer duidelijkheid.

De heer Koopmans (CDA):
Voorzitter. Vindt mevrouw Ouwehand dat een varkenshouder die bijvoorbeeld met zijn bedrijf 2 kilometer van een NB-wetgebied verwijderd is en die ervoor kiest om biologisch te werk te gaan en zijn dieren in de wei te houden, terwijl hij voorheen zijn dieren binnen hield, in de gelegenheid moet worden gesteld om zo met zijn dieren om te gaan?

Mevrouw Ouwehand (PvdD):
Ik vind dat alle varkenshouders hun varkens buiten moeten laten lopen, maar u weet welke voorwaarden onze partij daarbij laat gelden. Wij gaan eerst na hoeveel dieren wij überhaupt in Nederland kunnen hebben, gelet op de kaders die onze natuurbeschermingsverplichting met zich meebrengt.

De heer Koopmans (CDA):
Voorzitter. Dit is theorie. Gewoon, boer Jansen …

De voorzitter:
Wilt u aan mij overlaten om te bepalen wie wanneer spreekt en niet zelf meteen het woord nemen? Ik zou dat fijn vinden.

De heer Koopmans (CDA):
Ik zei ook: voorzitter. Ik dacht u te zien knikken.

De voorzitter:
Nee. Laat ik u geruststellen: ik heb geen Parkinson. U kunt nog een afrondende opmerking maken.

De heer Koopmans (CDA):
Maar ik wil wel een echt antwoord op de door mij gestelde vraag.

De voorzitter:
Dan had u mevrouw Ouwehand moeten laten uitspreken. U rondt af.

De heer Koopmans (CDA):
Mevrouw Ouwehand, vindt u dat een boer die zijn dieren op een biologische manier wil gaan houden en zich met zijn bedrijf in een natuurbeschermingsgebied bevindt, zijn bestaand bedrijf daarvoor mag ombouwen, ja of nee?

Mevrouw Ouwehand (PvdD):
De heer Koopmans weet ook dat het bestaande systeem zoveel dilemma's voor de Partij voor de Dieren oproept, dat zij daar niet in zal meegaan. Als de vraag echter concreet voorligt, blijven voor ons de randvoorwaarden natuur, milieu en dierenwelzijn. Als dat niet lukt en niet verenigbaar is, kan zo'n bedrijf helemaal niet op zo'n plek. Dan kiezen we daarvoor.

TWEEDE TERMIJN
Mevrouw Ouwehand (PvdD):
Ik ben niet tevreden over datgene wat wij in dit debat met elkaar hebben gewisseld. Als het gaat om de natuurbeschermingswetgeving en de consequenties die wij daaraan moeten verbinden -- ik doel dan op wat er wel en niet mogelijk is voor ondernemend Nederland en in dit geval specifiek voor de veehouderij -- schuiven wij de confrontatie keer op keer voor ons uit. Maar op een zeker moment komt die confrontatie. Nu heeft de Raad van State een uitspraak gedaan. Ik denk dat dit een heel verstandige uitspraak is. Ik herhaal de vraag die ik in eerste termijn heb gesteld. Op een gegeven moment is de beleidslijn geworden dat, als je een milieuvergunning hebt, een vergunning op grond van de Nb-wet niet nodig is. Wij weten dat de milieuwetgeving inzake ammoniak op dat moment al flink was uitgekleed. Dat is een keuze, maar ook een risico. Ik kan mij niet voorstellen dat daarover destijds niet door het ministerie van LNV is nagedacht. Ik wil daarom graag die risicoanalyse. Het is uiteindelijk toch gegoochel met de rechtszekerheid van de ondernemers. Het mag duidelijk zijn dat wij daarvan om meerdere redenen geen voorstander zijn. Ik wil graag dat de minister in tweede termijn alsnog ingaat op mijn vraag over die analyse en die beleidslijn. Ik wil weten wat de gevolgen daarvan zouden kunnen zijn.

Mevrouw Ouwehand (PvdD):
Ik heb een fundamenteel punt. De minister is zowel in eerste als in tweede termijn niet ingegaan op mijn vraag hoe destijds op het ministerie de impliciete beleidslijn is onderbouwd. Ik hecht eraan dat ik een goed antwoord op deze vraag krijg. Wij hebben het vandaag alleen maar gehad over "de uitspraak ligt er en hoe nu verder?". Er is echter een politieke verantwoordelijkheid voor de wijze waarop deze uitspraak tot stand is gekomen.

Minister Verburg:
De vraag is ook terecht; mevrouw Ouwehand heeft gelijk. Toen ik haar aan de interruptiemicrofoon zag verschijnen, wist ik direct dat ik haar vraag had overgeslagen. Ik bied daarvoor mijn excuses aan. Mevrouw Ouwehand heeft gevraagd of er een risicoanalyse is gemaakt bij de decentralisatie van de verantwoordelijkheid. Het antwoord op die vraag is "nee". Er is geen risicoanalyse geweest, omdat deze niet nodig was. Met de Natuurbeschermingswet is destijds niets anders gedaan dan de Habitatrichtlijn ten uitvoer te leggen.

Mevrouw Ouwehand (PvdD):
Dit was niet helemaal mijn vraag. Het ging niet alleen over die overdracht. Het ging over de totstandkoming van de al dan niet impliciete beleidslijn dat een milieuvergunning genoeg zou zijn en een Nb-vergunning dus niet nodig was. Of u hebt geen goede juristen op uw departement gehad, of het is een bewuste keuze geweest waarop de Kamer geen controle heeft kunnen uitoefenen. Er ontstaat een rare politieke situatie als u daarover geen verantwoording kunt afleggen.