Schrif­te­lijke inbreng over het wijzi­gings­be­sluit stik­stof­re­ductie en natuur­ver­be­tering


18 januari 2021

Algemeen

De leden van de fractie van de Partij voor de Dieren hebben kennisgenomen van het Wijzigingsbesluit stikstofreductie en natuurverbetering en hebben daar nog een aantal vragen en opmerkingen over.

  1. Inleiding

De leden van de PvdD-fractie zijn zeer teleurgesteld dat het programma stikstofreductie en natuurverbetering tot op heden niet is opgesteld. Het is al bijna 20 maanden geleden dat de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State de PAS-uitspraak deed, maar nog steeds holt de natuurkwaliteit achteruit en zijn grote reductiemaatregelen niet geïmplementeerd. Vanwege het amendement Van Otterloo/Dik-Faber[1] ligt de eerste resultaatsverplichting nu vast op 2025; vier jaar vanaf nu. Wanneer voorziet de minister dat het programma stikstofreductie en natuurverbetering in werking zal treden, zodat het over vier jaar de benodigde resultaten zal leveren? Kan de minister daarbij uiteenzetten op welke manier het programma tot stand zal komen?

Daarbij vragen deze leden zich af of hoe het programma stikstofreductie en natuurverbetering in verhouding staat tot de maatregelen die zijn genoemd in de Kamerbrief over de structurele aanpak stikstof.[2] Zo is de provinciale subsidieregeling voor de gerichte opkoop van piekbelasters al open gesteld, terwijl het programma nog niet is vastgesteld. Vormt deze gerichte opkoopsubsidie voor piekbelasters nu wel of geen onderdeel van het programma stikstofreductie en natuurverbetering? En begrijpen deze leden het goed dat zowel de bron- als natuurherstelmaatregelen die het programma voorschrijft opgenomen zullen worden in de te actualiseren beheerplannen voor de Natura 2000-gebieden?

2. Programma stikstofreductie en natuurverbetering

2.1 Strekking, doelstelling en uitvoering

De leden van de fractie van de PvdD hebben grote zorgen over de uitwerking van de omgevingswaardes die vast zijn gelegd in de wet stikstofreductie en natuurverbetering. Omdat deze omgevingswaardes geformuleerd zijn in termen van het percentage oppervlakte van habitats die onder de kritische depositiewaarde (kdw) zouden moeten zitten, is het gevaar levensgroot dat gestuurd zal worden op het (marginaal) verbeteren van die natuurgebieden waarvan de kdw het minst overschreden is. De habitattypen waarvan de kdw meerdere malen overschreden is – en die daarmee het ernstigst lijden onder de stikstofdeken – kunnen uit het oog verloren worden, omdat met dat areaal de omgevingswaardes niet efficiënt te bereiken zijn. De minister stelt dat: “Bij het opstellen van het programma kan desgewenst worden gekozen voor prioritering van bepaalde gebieden of habitats, gegeven de verschillen in grootte van de opgave.” Hoe gaat de minister hierbij voorkomen dat juist ingezet wordt op de gebieden met de kleinste reductieopgave om tot onder de kdw te komen? Want dat zou betekenen dat de zwaarst belaste gebieden aan hun lot worden overgelaten – en juist dat is funest voor de natuur. Graag een reactie van de minister.

Bovendien krijgen provincies met dit wijzigingsbesluit slechts een uitvoeringsverplichting voor de stikstofreductie- en natuurherstelmaatregelen waar zij zelf mee hebben ingestemd. Ziet de minister het risico dat er provincies kunnen zijn – mogelijk juist diegene die de grootste stikstoflast hebben – die niet in zullen stemmen met (een deel van) de maatregelen uit het programma? Erkent de minister dat dit grote problemen kan opleveren, omdat het Rijk gebonden is aan resultaatsverplichtingen, maar de provincies niet? Op welke manier is de minister voornemens provincies te bewegen en, indien nodig, te dwingen om bepaalde maatregelen te nemen?

Kan de minister aangeven waarom zij heeft gekozen voor een vervangingsmogelijkheid voor de door de provincies te nemen maatregelen? Deelt de minister de zorg dat provincies hiernaar zullen grijpen om pijnlijkere maatregelen, maar waarvan de stikstofeffecten goed te voorspellen zijn (zoals uitkoop van bedrijven), te vervangen door makkelijker geaccepteerde maatregelen, maar waarvan de effecten uiterst onzeker zijn (zoals subsidies voor technische investeringen)? Deelt de minister het inzicht dat niet alleen de effecten van technische maatregelen zeer onzeker zijn, maar dat ze ook schaalvergroting in de hand werken (omdat de investeringen terug verdiend moeten worden) en daarmee niet bijdragen aan de omschakeling naar natuur-inclusieve kringlooplandbouw? De leden van de PvdD-fractie roepen de minister op om de volledige regie te nemen in het opstellen van het programma en de vervangingsmogelijkheid voor maatregelen door provincies te schrappen.

Hoe verhouden de nadere regels aan het programma, zoals uitgewerkt in het voorliggende Wijzigingsbesluit, zich tot het amendement Futselaar en De Groot[3] dat regelt dat provinciale gebiedsplannen uitgewerkt worden voor het bereiken van de omgevingswaardes? De leden van de fractie van de PvdD vragen zich tevens af wat de stand van zaken is van de gebiedsgerichte aanpakken voor stikstofreductie, waarvan de minister reeds in november 2019 stelde dat deze processen van start waren gegaan.[4] Komen al deze gebiedsgerichte aanpakken nu alsnog samen in een nationaal programma, dat vervolgens weer provinciaal uitgewerkt wordt, zoals het genoemde amendement regelt? De leden ontvangen graag opheldering over dit proces. Tevens vragen deze leden wat de stand van zaken is betreffende het wetsvoorstel dat de vrijwillige warme sanering van boerenbedrijven mogelijk moet maken, dat ook in de Kamerbrief van 1 november 2019 aangekondigd werd.[5]

2.3 Tussendoelen

De leden van de PvdD-fractie vernemen graag van de minister voor wanneer het eerste tussendoel in het programma stikstofreductie en natuurverbetering wordt voorzien, gegeven dat de eerste resultaatsverplichting vaststaat voor 2025. Op welke termijn wordt voorzien dat de eerste maatregelen genomen worden teneinde het eerste tussendoel te halen?

Zal het programma, gezien het aangenomen amendement Futselaar/De Groot[6] dat een omgevingswaarde stelt voor 2035, ook doorlopen tot 2035, in plaats van het oorspronkelijk voorziene 2030?

  1. Partiële vrijstelling van de Natura 2000-vergunningplicht voor bouwen, slopen en aanleggen
    1. Reikwijdte vrijstelling

De leden van de fractie van de PvdD zijn zeer kritisch over de toevoeging van de wegenbouw aan de partiële vrijstelling van de vergunningplicht. Deze leden wijzen erop dat het aanleggen of verbreden van wegen doorgaans gepaard gaat met een toename van het weggebruik en daarmee met een permanente toename van de stikstofuitstoot. Kan de minister bevestigen dat de vergunningsvrijstelling louter geldt voor activiteiten die een tijdelijke stikstofuitstoot veroorzaken? Kan de minister bevestigen dat de vrijstelling bij de wegenbouw daarom alleen geldt voor onderhoudswerkzaamheden en uitdrukkelijk niet voor het aanleggen van extra asfalt?

4.5 Reductie in de bouwsector

De leden van de PvdD-fractie vernemen graag van de minister op basis van welke analyse is gekozen voor een ambitie van 60% stikstofreductie in 2030 voor de bouwsector. Realiseert de minister zich dat “de sector [aan heeft gegeven] onder voorwaarden zelfs op een kortere termijn dan 10 jaar de emissies met 80% te kunnen terugdringen”?[7] Waarom heeft de minister daar niet voor gekozen? Waarom slaat de minister hiermee het advies van de commissie Remkes in de wind om juridisch vast te leggen dat de bouwsector in (maximaal) tien jaar de emissies met 80% reduceert om zo een vergunningsvrijstelling juridisch verdedigbaar te maken?

Daarnaast vragen deze leden of het klopt dat dit convenant met de bouwsector vrijwillig is en slechts vrijwillige maatregelen zal bevatten. Op welke manier voorziet de minister de juridische vastlegging, zoals de commissie Remkes adviseert en waardoor zekerheid geboden wordt dat de emissiereductie ook daadwerkelijk plaats zal vinden? Deelt de minister het inzicht dat wanneer het convenant slechts een inspanningsverplichting behelst (en geen resultaatsverplichting), dezelfde fout wordt gemaakt als met de Programmatische Aanpak Stikstof, waarbij al vooraf ‘stikstofruimte’ wordt uitgegeven zonder dat deze daadwerkelijk wordt gecompenseerd?

Tenslotte wijzen deze leden de minister erop dat de eerste geheel elektrische hijskraan nog geen jaar geleden pas op de markt kwam.[8] Op welke termijn voorziet de minister de grootschalige uitrol van elektrisch bouw- en sloopmaterieel? Wordt een dergelijk tijdspad vastgelegd, of wordt er slechts gewerkt met (vrijblijvende) projecties van de verwachte ontwikkelingen?


[1] Kamerstuk 35600 nr. 21

[2] Kamerstuk 35334 nr. 82

[3] Kamerstuk 35 600 nr. 50

[4] Kamerbrief 32670-193

[5] Kamerbrief 32670-193

[6] Kamerstuk 35600 nr. 49

[7] Niet alles kan overal, Eindadvies over structurele aanpak op lange termijn, Adviescollege Stikstofproblematiek, 8-06-2020, p. 85

[8] https://nos.nl/artikel/2325923-wereldprimeur-de-eerste-elektrische-hijskraan-van-30-meter-hoog.html