Schrif­­­­te­­­­lijke inbreng over de evaluatie van de Wet dieren


13 januari 2021

Inbreng Partij voor de Dieren SO over de Evaluatie van de Wet dieren

De Nederlandse veehouderij draait om massa en zogenaamde efficiëntie. Het hele systeem is zo ingericht dat dieren maximaal worden uitgebuit tegen minimale kosten. Fokbeleid en voermanagement zijn in het algemeen al jaren gericht op het alsmaar verder verhogen van de ‘productie’ per dier: extra biggetjes per worp, steeds extremere melkproductie per koe, meer vlees bij kuikens, meer borstvlees bij eenden, extra tepels bij zeugen, grotere bekkens bij koeien om te kunnen bevallen van dikbilkalfjes, etc. Met ernstige gezondheidsproblemen, structureel lijden en een schrikbarend hoge sterfte onder de dieren als gevolg. Als het dier ‘op’ is, wordt het afgevoerd naar het slachthuis: het lot van zo’n 640 miljoen dieren per jaar.

Daar tegenover staat slechts minimale wettelijke bescherming voor dieren, vastgelegd in de Wet dieren en onderliggende besluiten, vol uitzonderingen en open normen die niet handhaafbaar zijn.

En hierop moet vervolgens worden gecontroleerd en gehandhaafd door een uitgeklede toezichthouder die door gebrek aan capaciteit en kwaliteit twee derde van haar taken niet goed kan uitvoeren volgens recent onderzoek van Deloitte[1].

De minister benadrukt in haar begeleidende brief bij de voorliggende evaluatie dat de Wet dieren niet is ingevoerd om het beschermingsniveau van het dier te verhogen. En dat is dan ook niet gebeurd.

De leden van de fractie van de Partij voor de Dieren hebben kennisgenomen van de stukken over de evaluatie van de Wet dieren en gaan hierover op een later moment graag in debat met de minister. Allereerst is het goed dat deze wet überhaupt is geëvalueerd. Dat was een grote gemiste kans bij de voorganger van deze wet: de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren (GWWD). Deze kaderwet werd in 1992 ingevoerd en bleef vervolgens voor een groot deel oningevuld. Zonder dat de GWWD werd geëvalueerd en dus ook zonder dat er lessen uit getrokken konden worden, werd deze wet vervangen door de Wet dieren die in 2013 in werking trad. Mede hierdoor is er, zoals de minister zelf ook schrijft, in deze nieuwe wet niets veranderd om dieren in Nederland een betere wettelijke bescherming te bieden. De leden vinden dit onbegrijpelijk. Dierenwelzijn kan niet worden overgelaten aan de markt, daar maak je heldere en handhaafbare regelgeving voor. Maar deze les lijkt bij het ministerie van landbouw nog altijd niet te zijn doorgedrongen.

In de Wet dieren wordt de intrinsieke waarde van dieren erkend (artikel 1.3). Deze erkenning is echter een wassen neus zolang de wet verder bestaat uit open normen, uitzonderingen voor bepaalde diergroepen en/of uitzonderingen voor economische doeleinden. Dergelijke uitzonderingen op geformuleerde regelgeving zijn vrijwel per definitie strijdig met de intrinsieke waarde van dieren. Het artikel waarin de intrinsieke waarde wordt erkend heeft ook slechts beperkte waarde omdat deze bepaling geen zelfstandig handhaafbare norm is. Het verplicht slechts de overheid om het belang van het dier expliciet mee te wegen bij het stellen van regels bij of krachtens de wet en bij het nemen van op die regels gebaseerde besluiten. Maar in de praktijk delft dit belang vaak het onderspit wanneer dit wordt afgezet tegen economische belangen.

Dieren worden geofferd op het altaar van de economie. De wetgeving die dieren zou moeten beschermen, staat veel te veel toe. De laatste jaren verschenen er verschillende undercover gemaakte beelden die de dagelijkse realiteit laten zien in slachthuizen en in stallen met varkens, eenden of legkippen. Hierop zijn vaak vreselijke dingen te zien. Maar de meeste handelingen die te zien zijn, zijn gewoon toegestaan volgens de wet: het houden van moederzeugen tussen stangen, waardoor ze nauwelijks kunnen bewegen, het afknippen van staartjes en het vijlen van tandjes bij pasgeboren biggetjes, het aan hun poten ophangen van spartelende kippen aan slachthaken. Ingrepen worden nog altijd dagelijks uitgevoerd. Ondanks beloften van opeenvolgende bewindspersonen om hier mee te stoppen. Zogende jongen in de zuivelindustrie mogen direct van hun moeder worden gescheiden, terwijl dit bij andere zoogdieren verboden is.

De leden vragen de minister dan ook om economische belangen te schrappen als uitzonderingsgrond. Het ‘nee, tenzij’-principe staat volgens de minister voorop bij de Wet dieren. Maar in de praktijk worden economische belangen opgevoerd als legitieme grond om alles te doen met dieren wat volgens dit principe in beginsel juist verboden is. Dit staat haaks op de beloften van eerdere kabinetten: uiterlijk in 2022 zal het perspectief van het dier, het natuurlijk gedrag en de natuurlijke behoeften van dieren leidend zijn. Houderijsystemen zouden worden aangepast aan het dier in plaats van andersom. De intrinsieke waarde van het dier en het natuurlijk gedrag van dieren mogen niet langer opzij worden geschoven voor economische belangen.

Een tweede fundamenteel probleem met de Wet dieren en onderliggende besluiten vormen de open normen. Wetten en regels die dieren zouden moeten beschermen zijn zo ruim geformuleerd dat ze op uiteenlopende manieren kunnen worden uitgelegd. Dit zorgt voor onduidelijkheid, discussie en maakt effectieve handhaving in de praktijk vaak onmogelijk. Dit is ook bij het advies van bureau Risicobeoordeling & onderzoek van de NVWA (BuRo) over de evaluatie van de Wet dieren wederom een belangrijke conclusie: “Het ontbreekt aan handvaten in de onderliggende regelgeving voor een goede beheersing van de risico’s voor dierenwelzijn of voor vereisten voor goed dierenwelzijn.”

Dit is een groot en structureel probleem. BuRo: “Van de 109 beoordeelde welzijnsconsequenties (ook wel welzijnsproblemen genoemd) uit de risicobeoordelingen roodvlees, zuivel, pluimveevlees, eieren en plantaardige diervoederketen komt het merendeel – al dan niet direct herleidbaar - terug in de wet- en regelgeving als een kwalitatief doelvoorschrift, ook wel een open norm.”

Een voorbeeld van zo’n open norm is de luchtkwaliteit in stallen. Daarvan zegt de wet dat die niet schadelijk mag zijn voor de dieren. Maar dit is niet zomaar objectief vast te stellen. Het heeft tot medio 2018 geduurd tot er kon worden gecontroleerd aan de hand van een protocol. Hier was wel eerst een noodkreet voor nodig van een maatschappelijke organisatie die constateerde dat varkens massaal ziek werden van de giftige staldampen. Gevolgd door een ruim 73.000 euro kostend onderzoek van de Universiteit Wageningen. Dit terwijl EFSA al in 2011 concludeerde dat er een concreet, meetbaar maximum van 20ppm moet worden gesteld aan de ammoniakconcentratie in stallen, omdat een hogere concentratie nadelige gevolgen kan hebben op de fysiologie en het gedrag van varkens[2]. Duitsland heeft deze norm wettelijk vastgelegd.

Is dit de weg die de minister voor zich ziet voor de invulling van alle overige open normen in de Wet dieren en de onderliggende besluiten, vragen de leden? En zo ja, wat is het budget dat hiervoor wordt gereserveerd en wat is het beoogde tijdspad daarbij?

Onduidelijkheid over de wettelijke kaders zorgt niet alleen voor onvoldoende wettelijke bescherming voor dieren, het zorgt ook voor grote spanningen op de werkvloer in slachthuizen, wanneer een welwillende NVWA-dierenarts wil optreden tegen misstanden die eerder werden goedgekeurd door een minder strenge collega, bleek uit het onderzoek van 2Solve in 2019.[3]

En ook sectorpartijen hebben behoefte aan duidelijkheid over de open normen, schrijft Berenschot in het eindrapport over de evaluatie van de Wet dieren. In dit rapport wordt tevens gesteld dat het door toezichthouders en handhavers als lastig wordt ervaren om bewijslast rond te krijgen vanwege de open normen. “Het nader invullen van de open normen c.q. het ‘maken van jurisprudentie’ door

normen te stellen door de toezichthouder levert volgens hen lange en heftige discussies op met de bedrijven/sectoren.” De leden vragen de minister hoeveel tijd de NVWA ter beschikking heeft voor het opbouwen van dossiers en het verzamelen van bewijslast.

Het probleem van open normen is niet nieuw. Bij de evaluatie van het Dierentuinenbesluit die in 2008 werd uitgevoerd naar aanleiding van de aangenomen motie Ouwehand, werd al geconstateerd dat de werking en beoordeling van open normen heel sterk afhankelijk is van de invulling door de dierhouder en de toezichthouder. Sindsdien is door verschillende instanties, waaronder de NVWA, gewaarschuwd voor de problemen die open normen met zich meebrengen. Zo schreef BuRo in 2015 bijvoorbeeld: “Het open karakter van diverse voorschriften in de vigerende dierenwelzijnswetgeving (artikel 1.6 en 1.7 Besluit houders van dieren) bemoeilijkt de vaststelling van de naleving ervan en belemmert daarmee effectief toezicht op en handhaving van deze regelgeving.[4] Een ambtsvoorganger van de minister schreef in 2012: “Wel signaleer ik dat er beperkingen en belemmeringen zijn bij de inzet van toezicht en handhaving voor welzijnsverbetering. Daarbij denk ik aan de handhaving van open normen en aan het huidige handhavinginstrumentarium dat de NVWA ter beschikking staat. Er ligt hier een gezamenlijke uitdaging voor de overheid en de sector om te bezien waar verbetering mogelijk is.”[5]

De leden vragen de minister of zij erkent dat dit probleem al jaren bekend is bij het ministerie. Kan de minister uiteenzetten welke open normen op dit moment nader worden uitgewerkt door het ministerie en de NVWA? Wat is hierbij het tijdspad?

Wat gaat de minister doen met de constatering van BuRo dat zeven welzijnsproblemen uit de door hen opgestelde risicobeoordelingen helemaal niet terugkomen in de wet- en regelgeving, zoals de gezondheidsproblemen als gevolg van fokkerij bij rundvee en afwijkingen van skeletbouw bij eenden, vleeskuikens en (groot)ouderdieren? Hier komt dierenleed rechtstreeks voort uit de wijze waarop deze dieren worden gefokt en gebruikt. En hier zal dan ook zo snel mogelijk de grondoorzaak voor dit leed moeten worden aangepakt. De leden wijzen hierbij ook op de conclusie van de oud-Inspecteur-Generaal van de NVWA in de managementreactie bij het BuRO advies over waterverstrekking in de vleeskuikensector[6]: “Uit onderliggend onderzoek blijkt dat er in de vleeskuiken(ouderdier)houderij sprake is van een problematiek die feitelijk vraagt om een systeemwijziging. (…) Zolang het systeem van de vleeskuiken(ouderdier)houderij zo is ingericht dat hier links- of rechtsom voor het dierenwelzijn belangrijke risico’s uit voortkomen, leidt dit tot een meer dan gemiddeld benodigde inzet van toezichtcapaciteit om deze risico’s tot aanvaardbare proporties terug te dringen.”

De leden zien dat de minister erkent dat er nog altijd diersoorten zijn in Nederland die –onzichtbaar weggestopt in stallen- nog altijd nauwelijks wettelijke bescherming kennen en dat ook voor deze diersoorten specifieke regelgeving nodig is. Dit geldt voor bijvoorbeeld vleeskuikenouderdieren en opfokleghennen. Tegelijk wijst zij hiervoor naar Europa om een gelijk speelveld te houden. Herinnert de minister zich dat zij eindverantwoordelijk is voor dierenwelzijn in Nederland, vragen de leden zich af?

Tot slot roepen de leden van de fractie van de Partij voor de Dieren de minister op om het verbod op het zelf doden van dieren uit te breiden naar alle categorieën dieren die niet voor productie worden gehouden. Het is niet te verantwoorden dat dit verbod momenteel slechts geldt voor honden, katten en ganzen.

In besloten internetgroepen voor dieren’liefhebbers’ worden tips uitgewisseld hoe hobbyfokkers van ‘overtollige’ hamsters of cavia’s kunnen afkomen. Tips als: ‘slaan met een baksteen of hamer’ worden daar afgewisseld met tips om een stoeptegel op het nestje te gooien. Deze methoden zijn volgens de verstrekkers van deze tip niet strafbaar, omdat het niet strafbaar is om dieren te doden, zolang dat niet met pijn gepaard gaat. Is de minister het met deze redeneertrant eens? Zo nee, is zij bereid om het doden van dieren strafbaar te stellen, zodat in voorkomende gevallen de politie niet eerst hoeft te bewijzen dat de dieren geleden hebben door de gewelddadige en barbaarse dood?


[1] Deloitte, 2020. Onderzoek of de capaciteit van de NVWA toereikend is voor het actuele en toekomstige takenpakket.

[2] https://efsa.onlinelibrary.wil...

[3] 2Solve, 2019, Feitenonderzoek toezichtsketen en tekortkomingen hierin kleine- en middelgrote slachthuizen Noord-Nederland

[4] BuRo, 2015. Risicobeoordeling roodvleesketen Rund, varken, paard, schaap en geit.

[5] Kamerstuk 28 286 Nr. 608

[6] https://www.nvwa.nl/documenten...