Inbreng Verslag Wijziging van de Wet gewas­be­scher­mings­mid­delen en biociden


15 juni 2010

De leden van de fractie van de Partij voor de Dieren hebben kennis genomen van het wetsvoorstel ter implementatie van Europese regelgeving op het gebied van het duurzaam gebruik van gewasbeschermingsmiddelen, alsmede van de voortgang van het convenant Duurzame gewasbescherming en de beantwoording van de vragen over de wet gewasbeschermingsmiddelen. De leden hebben hier enkele opmerkingen en vragen over.

Het stelt de leden van de fractie van de Partij voor de Dieren teleur dat de afgesproken reductie van 95% van de impact van bestrijdingsmiddelen niet gehaald zal worden. Uit de evaluaties blijkt dat het middelengebruik in Nederland nog steeds veel te hoog is en dat dit zelfs stijgt in plaats van afneemt. De leden van de fractie van de Partij voor de Dieren begrijpen dan ook niet waar het optimisme van de minister ten aanzien van de voortgang van het convenant vandaan komt. De Partij voor de Dieren wijst op de behoefte aan actuele cijfers over de werkelijke milieubelasting door bestrijdingsmiddelen tegemoet. Wanneer kan de Kamer deze cijfers tegemoet zien?

De leden van de fractie van de Partij voor de Dieren maken zich zorgen over de gevolgen van het hoge gebruik van bestrijdingsmiddelen voor de biodiversiteit en voor de kwaliteit van het oppervlakte- en grondwater en de bodem. Deze leden gaan ervan uit dat de minister, gelet op de niet behaalde reducties, deze zorgen deelt. De fractie van de Partij voor de Dieren gaat er ook van uit dat de milieudoelen gehandhaafd blijven en niet naar beneden worden bijgesteld. Graag een bevestiging van deze punten door de minister.

Nu geconstateerd moet worden dat vrijwillige afspraken onvoldoende bijdragen aan de reductie van de milieubelasting als gevolg van bestrijdingsmiddelen, is de vraag op welke wijze de minister precies gaat bijsturen om de afgesproken doelen wel te halen. Is de minister voornemens om op korte termijn met nieuwe regelgeving te komen om zeker te stellen dat de milieubelasting van het oppervlaktewater inderdaad met ten minste 95% gereduceerd wordt? Zo ja, op welke termijn en wijze zal dit gebeuren? Zo neen, waarom niet en op welke wijze wordt er dan wel voor gezorgd dat de belasting van bestrijdingsmiddelen omlaag gaat? Waarom is de huidige wetswijziging niet aangegrepen om wijzigingen door te voeren die hiertoe bij kunnen dragen? De leden achten het onwenselijk als met aanvullende regelgeving gewacht wordt tot na het aflopen van de convenantperiode in 2011. Deelt de minister de mening dat het waarborgen van de milieukwaliteit snel ingrijpen vereist?

De leden van de fractie van de Partij voor de Dieren lezen in de voortgang van het convenant Duurzame Gewasbescherming dat er een certificatiestelsel in werking is getreden dat onder andere betrekking heeft op het aanprijzen van bestrijdingsmiddelen. De Partij voor de Dieren vindt reclame voor bestrijdingsmiddelen überhaupt een weinig duurzame gedachte en is benieuwd of de minister daar ook zo over denkt. Voor wat betreft het certificatiestelsel vraagt de PvdD zich af aan welke voorschriften nu precies moet worden voldaan bij de marketing van bestrijdingsmiddelen. En: welk effect verwacht de minister hier precies van? Kan de minister (tussen)doelen stellen waarop haar aanpak na verloop van tijd door de Kamer kan worden beoordeeld? In dit kader willen de leden de minister tevens vragen te reageren op uitspraken van prof. Van Lenteren in zijn afscheidsrede aan de universiteit Wageningen. Hij wees erop dat de bestrijdingsmiddelenindustrie en de overheid de toepassing van biologische bestrijding belemmert en dat biologische bestrijding hierdoor nog steeds slechts een marginale rol speelt in de landbouw. Prof. Van Lenteren wees er verder op dat de lage prijs van bestrijdingsmiddelen een oorzaak is voor de nog te geringe toepassing van biologische bestrijders en hij stelt voor de milieukosten van de chemische middelen te verrekenen in de kostprijs. De leden van de fractie van de Partij voor de Dieren vinden dit een interessant idee, en vragen de minister hierop in te gaan, indachtig het ‘de vervuiler betaalt-principe’. Welke mogelijkheden ziet de minister voor het internaliseren van de milieukosten van bestrijdingsmiddelen in de kostprijs van deze producten? Ziet de minister met de Partij voor de Dieren hierin een kans om het gebruik van chemische middelen verder te reduceren? Op welke wijze wil de minister bewerkstelligen dat vaker gebruik wordt gemaakt van biologische bestrijders? En hoe ziet zij de rol van de overheid met betrekking tot biologische bestrijders? Deelt de minister de mening dat de overheid tot nu toe een belemmerende rol hierin heeft gespeeld? Op welke wijze is zij voornemens dit te veranderen?

Nefyto, de brancheorganisatie van de agrochemische industrie in Nederland, heeft kennelijk een voorstel gedaan om Nederland te positioneren als het Europese centrum voor kleine toepassingen. De leden van de fractie van de Partij voor de Dieren zijn daar verbaasd over, gezien de afspraak dat de milieudruk van bestrijdingsmiddelen moet worden verminderd. Wat doet een voorstel van een organisatie die de belangen van de producenten van chemische bestrijdingsmiddelen behartigt eigenlijk in de voortgangsrapportage van een convenant dat erop gericht is de milieudruk van deze middelen te verminderen? De PvdD krijgt hier graag meer uitleg over.

De leden van de fractie van de Partij voor de Dieren maken zich zorgen over het effect van een verdere harmonisering van het toelatingsbeleid voor bestrijdingsmiddelen op het milieu dat middels de voorliggende wetswijziging wordt geïmplementeerd. De gedwongen wederzijdse erkenning van nationale toelatingen binnen een zone en de eenzijdige toelating van o.a. behandeld zaaizaad voor de hele Unie kunnen volgens deze leden een zeer schadelijk effect hebben op het milieu. Kan de minister nader specificeren in welke mate en op welke wijze Nederland de bevoegdheid behoudt om eigen toelatingen te doen en om eigen regels te stellen omtrent het op de markt brengen en het gebruik van bestrijdingsmiddelen? Kan de minister voorbeelden geven van nationale omstandigheden die het afwijken van een toelatingsbesluit door een andere lidstaat wel en niet rechtvaardigen? De leden van de fractie van de Partij voor de Dieren achten het essentieel voor de bescherming van de kwaliteit van onze leefomgeving dat Nederland naar eigen inzicht middelen kan verbieden met het oog op het milieu of de volks- en diergezondheid. Deelt de minister deze mening en op welke wijze wil zij daar uitvoering aan geven?

Kan de minister aangeven welk gevolgen de verordening heeft voor de reeds toegestane of juist verboden middelen in de verschillende lidstaten? Enkele lidstaten hebben bijvoorbeeld een verbod uitgevaardigd op het gebruik van imidacloprid. Welk effect zal de verordening hierop hebben? Is het waar dat deze nationale verboden in stand gehouden kunnen worden? Op welke wijze kan een lidstaat na het van kracht worden van de verordening in de toekomst nog zulke verboden uitvaardigen, gesteld dat een andere lidstaat gelegen in dezelfde zone wel een toelating verschaft voor hetzelfde middel? Indien dit niet mogelijk is, kan de minister dan aangeven op welke wijze het milieu hierbij gebaat is?

De leden van de fractie van de Partij voor de Dieren maken zich zorgen over de kwaliteit van het oppervlaktewater in relatie tot bestrijdingsmiddelen. Het is in de ogen van deze leden noodzakelijk de milieubelasting van het oppervlaktewater door bestrijdingsmiddelen drastisch te reduceren, zeker waar het gaat om oppervlaktewater dat gebruikt wordt voor de productie van drinkwater. De richtlijn duurzaam gebruik biedt lidstaten de mogelijkheid gebieden aan te wijzen waar het gebruik van bestrijdingsmiddelen wordt verboden. De leden achten het wenselijk dat zowel Natura2000 gebieden, belangrijke KRW gebieden als oppervlaktewateren die gebruikt worden voor de productie van drinkwater als beschermde gebieden aangewezen worden, zodat het gebruik van bestrijdingsmiddelen daarbinnen daadwerkelijk geminimaliseerd kan worden. Deelt de minister deze mening, en op welke wijze wil zij hier uitvoering aan geven? Zo neen, hoe zal zij dan de kwaliteit van het oppervlaktewater dusdanig gaan verbeteren en borgen dat de drinkwatervoorziening niet in gevaar komt? Op welke wijze worden bestrijdingsmiddelen getoetst bij een aanvraag voor toelating op de gevolgen op de waterkwaliteit, en specifiek op de gevolgen voor drinkwaterbronnen? Acht de minister de huidige wijze van toetsen afdoende om risico´s uit te sluiten? Wanneer andere lidstaten de toetsing voor een toelating op zich nemen, hoe kan er voor gezorgd worden dat ook deze toets voldoende waarborg geeft voor de gewenste milieukwaliteit van onder andere drinkwaterbronnen? De leden van de fractie van de Partij voor de Dieren maken zich hier zorgen over. Zij stellen voor om ook bij een toelatingsaanvraag voor een zone waarbij een andere lidstaat de toetsing op zich neemt, het college voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden te vragen een toetsing uit te voeren van dit middel. Deelt de minister de mening dat dit een beter en betrouwbaarder beeld van de effecten van de toelating zal geven? Is zij bereid het college te vragen altijd een nationale toetsing uit te voeren voor een toelating, ook als een andere lidstaat ook een toetsing uitvoert? Zo neen, waarom niet en hoe kan dan de kwaliteit van de Nederlandse leefomgeving gewaarborgd worden?

De leden van de fractie van de Partij voor de Dieren zijn benieuwd naar de inhoud die gegeven zal worden aan het nationale actieplan. Welke ideeën bestaan daar momenteel over? Zal dat actieplan ook stevig inzetten op alternatieven voor chemische bestrijding, en zo ja, op welke wijze? Welke partijen zullen betrokken worden bij het opstellen van het actieplan? Zullen dat alleen de gebruikers, producenten en handelaren van bestrijdingsmiddelen zijn, of worden hierbij ook andere belanghebbenden zoals milieu- en natuurorganisaties, burgers en drinkwaterbedrijven bij betrokken? Wanneer zal er gestart worden met het opstellen van dit plan, en wanneer begint de consultatieperiode?

De leden van fractie van de Partij voor de Dieren zijn verbaasd en teleurgesteld over de opstelling van de minister en de partners in het convenant wat de ‘kleine teelten’ betreft. Kan de minister inzicht geven op welke wijze de inzet op veel bestrijdingsmiddelen in kleine teelten zou bijdragen aan duurzame landbouw en een gezonde leefomgeving? Zou niet veel meer de inzet moeten zijn op het uitdragen van bijvoorbeeld de resultaten van de pilots met functionele agrobiodiversiteit (FAB) waaruit blijkt dat met de inzet van akkerranden chemische bestrijding niet nodig is?

Op welke wijze wordt bepaald welke stoffen ‘onmisbaar’ zouden zijn, en op welke wijze worden deze stoffen dan getoetst op milieu- en gezondheidseffecten? Welke invloed heeft een negatief advies vanuit het oogpunt van volks- of diergezondheid of milieueffecten nog wanneer een stof eenmaal als ‘onmisbaar’ wordt gekenmerkt? Hoe verloopt de procedure in het toelaten van ‘onmisbare’ stoffen?

De leden van fractie van de Partij voor de Dieren maken zich zorgen over de uitwerking van de artikelen 53 en 54 van de verordening in het voorliggende wetsvoorstel. De verordening geeft aan dat ook bijzondere omstandigheden en experimenteel gebruik een toelating vereisen. Waarom is er in het voorliggende wetsvoorstel voor gekozen dit niet over te nemen, maar hier een afwijking van het bestaande toetsingskader van te maken? Welke consequenties heeft dit voor de toelatingsprocedure? Kan de minister aangeven welke omstandigheden worden gekenmerkt als ‘bijzonder’ en hoe de procedure verloopt bij dit soort aanvragen? Hoe is de bevoegdheid hiervoor vormgegeven? Welke rol speelt de minister in het toestaan van afwijkingen, en welke rol speelt het college hierin?