Bijdrage Ouwehand Debat over de benoeming van de Voor­zitter van de Tweede Kamer.


22 juni 2010

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Voorzitter. Ik wil de kandidaten danken voor de bereidwilligheid om de zware functie van voorzitter van onze Kamer te bekleden. Mijn fractie heeft met veel belangstelling de brieven gelezen. De fractie van de Partij voor de Dieren hecht veel waarde aan een voorzitter die bereid en in staat is boven de partijen te gaan staan, los van de vraag of die groot of klein zijn. Mijn fractie vindt het van groot belang dat het voorzitterschap door een Kamerlid wordt bekleed dat in het verleden met respect en diplomatie heeft gesproken met en over mede-Kamerleden, ondanks eventuele politieke verschillen van inzicht.

Verder meent mijn fractie dat het de komende kabinetsperiode extra van belang is om het dualisme tussen Kamer en kabinet te bevorderen. Op welke wijze denken beide kandidaten de dualiteit tussen Kamer en kabinet te kunnen bevorderen? Graag een reactie daarop.

Dan enkele vragen aan de heer Aptroot. Hij heeft als Kamerlid een nadrukkelijk politiek profiel en schuwt de provocatie niet. Op welke wijze denkt hij daar afstand van te kunnen doen als Voorzitter? In het verleden heeft de heer Aptroot in niet mis te verstane bewoordingen te kennen gegeven wat hij vindt van het aantal Kamervragen dat in dit huis wordt gesteld. Hoe ziet hij dat in het licht van zijn kandidatuur?

Dan een aantal vragen aan mevrouw Verbeet. Op welke punten wil zij haar gevoerde beleid continueren en welke veranderingen in het Voorzitterschap stelt zij voor, mocht zij die voor ogen hebben? In haar sollicitatiebrief noemt zij spoeddebatten en het vragenuur als ergernis. Welke ideeën om deze ergernissen weg te nemen heeft zij, zonder dat dit tot gevolg heeft dat individuele leden of kleinere fracties minder democratische mogelijkheden krijgen?

Hoe denken beide kandidaten over een versterking van de controlerende taak van de Kamer met betrekking tot de inhoud, dit mede gezien in het licht van de scheve verhouding tussen inhoudelijke ondersteuning van Kamerleden en bewindslieden? Als Kamerlid moet je het met anderhalve of tweeënhalve medewerker immers opnemen tegen departementen waar duizenden ambtenaren de ministers terzijde staan.

Ook de besluitvorming op Europees niveau blijft van groot belang en van invloed op vele beleidsterreinen. We moeten als parlement nog actiever onze bijdrage aan die Europese besluitvorming leveren. Hebben de kandidaten daar concrete ideeën over?

En, niet onbelangrijk, hoe gaat de nieuwe Voorzitter de bewindslieden aansporen om daadwerkelijk antwoord te geven op vragen die de leden van dit huis in deze zaal en in commissiezalen aan hen stellen? De ervaring leert ons dat de Kamer veel te vaak met een kluitje in het riet wordt gestuurd en dat er geen echte en volledige antwoorden worden gegeven op vragen vanuit de Tweede Kamer. Welke visie hebben de kandidaten daarop en hoe willen zij gaan voorkomen dat het voortdurend een "kluitje in het riet"-verhaal wordt?

Tot slot. Hoe gaan de kandidaten de samenwerking tussen de Eerste en de Tweede Kamer verbeteren, gezien het feit dat er bijvoorbeeld regelmatig fricties zijn bij de planning van de behandeling van wetsvoorstellen?

Nogmaals dank aan deze twee kandidaten voor hun bereidheid om de taak op zich te nemen.

(...)

Mevrouw Ouwehand (PvdD):
De heer Aptroot is nog niet ingegaan op mijn vraag over zijn houding ten aanzien van de rechten van individuele Kamerleden. Ik doel daarmee op het recht om individueel Kamervragen te stellen. Het is vast toeval dat hij aan deze vraag nog niet is toegekomen.

De heer Aptroot (VVD):
Ja, dat is toeval. Het is heel duidelijk dat een Kamerlid het recht heeft om vragen te stellen, of dat nu hier in de zaal is of schriftelijk. De basis van ons werk is het recht om vragen te stellen, naast het budgetrecht en het recht op informatie. De Grondwet verwijst er zelfs naar. Ik vind dat wij er allemaal voor moeten waken, de voorzitter in het bijzonder, dat als een Kamerlid vragen heeft en informatie wil, hij die ook krijgt. Het is goed dat als hier om een brief wordt gevraagd, een verzoek om informatie wordt gedaan, eigenlijk automatisch de houding is: dat doen wij met elkaar als iemand daar behoefte aan heeft. Dat vind ik de basis van ons werk, dat wij de informatie kunnen krijgen die wij nodig hebben. Ieder beoordeelt dat zelf.

Mevrouw Ouwehand (PvdD):
Dit klinkt mooi en ik zou het graag aannemen van de heer Aptroot. Ik heb echter toch een vraag over eerdere uitlatingen van hem. Hij heeft zich eerder nogal kritisch uitgelaten over Kamerleden die gebruikmaakten van dat recht om niet één, maar misschien tien Kamervragen te stellen. Het zou prachtig zijn als hij afstand kan nemen van die woorden. Ik denk echter wel dat het nodig is om er iets dieper op in te gaan, gezien deze uitlatingen van hem. Het kan nu niet zomaar een belofte zijn. De fractie van de PvdD hecht eraan dat de voorzitter van de Kamer de rechten van de Kamerleden voluit verdedigt en daar vol voor staat.

De heer Aptroot (VVD):
Daar kunnen de leden van op aan. Ik heb mij wel eens kritisch uitgelaten over ook het aantal spoeddebatten. Ik heb mij ook wel eens kritisch uitgelaten over het aantal vragen. Als wij dagelijks tientallen schriftelijke vragen gaan stellen, moeten wij ons afvragen of wij het goed hebben georganiseerd. Dan hadden wij misschien ergens een algemeen overleg moeten houden. Er is wel sprake van een zekere inflatie met betrekking tot schriftelijke vragen, het melden van mondelinge vragen en spoeddebatten. Daarmee toen wij onszelf tekort. Daarmee worden de instrumenten ook bot. Ik zou graag zien dat wij een en ander zo organiseren dat de noodzaak om een spoeddebat te houden en om continu vragen te stellen, vermindert. Ik heb wel eens wekenlang geen vragen gesteld en vervolgens in één week drie. Ik vroeg mijzelf toen af of ik aan het hypen was. Dat was niet het geval. Ik vond drie keer een moment waarop ik vond dat ik echt informatie nodig had. Uiteindelijk beslist het individuele Kamerlid.