Inbreng SO Wijziging Besluit houders van dieren


17 maart 2014

De leden van de fractie van de Partij voor de Dieren hebben kennis genomen van de brief van de minister van Economische Zaken over de wijziging van het Besluit houders van dieren vanwege de overname van de welzijnsvoorschriften van de product- en bedrijfschappen. Deze leden hebben vragen en opmerkingen die zij de minister van Economische Zaken graag willen voorleggen.

De leden van de fractie van de PvdD vragen zich af waarom de minister er niet voor gekozen heeft om – nu het besluit toch gewijzigd wordt- de welzijnsnormering aan te scherpen op grond van de meest recente onderzoeksgegevens over de welzijnsproblematiek bij vleeskuikens, kalkoenen en konijnen. Een aantal van deze welzijnsregels zijn gebaseerd op gedateerd wetenschappelijk onderzoek. De leden van de fractie van de PvdD vragen de minister de te wijzigen welzijnsregels opnieuw te bekijken en hierin hogere ambities te stellen.

De leden van de fractie van de PvdD constateren dat de welzijnsnormen voor ouderdieren van vleeskuikens gebaseerd zijn op conclusies van de RDA uit 1996. De leden van de fractie van de PvdD constateren dat daardoor in de voorgenomen wijziging van het Besluit nieuwe wetenschappelijke inzichten ontbreken. In 1996 concludeerde de RDA dat ouderdieren van vleeskuikens chronisch honger lijden omdat ze sterk beperkt worden in hun voer- en drinkgedrag vanwege de hoogproductiviteit in het eieren leggen. De leden van de PvdD concluderen dat dit ernstig ongerief, wat zich uit in agressief gedrag tijdens voermomenten, nog steeds aanwezig is. Welke maatregelen gaat de minister treffen om de chronische honger onder ouderdieren van vleeskuiken te stoppen? In recentere wetenschappelijke onderzoeken, uitgevoerd door bijvoorbeeld ASG (2007), pleiten wetenschappers voor een systeemaanpassing en een traag groeiend ras. De leden van de fractie van de PvdD vernemen graag of de minister bereid is om deze recentere wetenschappelijke inzichten om te zetten in regelgeving. Is de minister bereid om toe te werken naar een verbod op de plofkip? Is de minister bereid om kooihuisvesting uit te faseren en, naast het verbod op de verrijkte kooi, tevens per 1 januari 2021 een verbod op koloniehuisvesting in te stellen? Zo nee, waarom niet?

De leden van de fractie van de PvdD constateren dat de minister het te accepteren uitvalspercentage onder kalkoenen één op één overneemt van de productschappen. Pas bij een uitval hoger dan 10% bij mannelijke dieren en 6% bij vrouwelijke dieren volgen verbetermaatregelen. De leden van de fractie van de PvdD vinden deze percentages ethisch niet aanvaardbaar. Is de minister bereid tot een verlaging van deze percentages zodat verbetermaatregelen voor het welzijn en de gezondheid van kalkoenen eerder genomen worden? De leden van de fractie van de PvdD vragen zich ook bij de categorie vleeskalkoenen af waarom de minister uitgaat van regelgeving die gebaseerd is op een rapport uit 2000 terwijl er recentere wetenschappelijke publicaties zijn over het ongerief bij kalkoenen. Zo heeft de ASG (2009) geïdentificeerd dat ook in deze sector er sprake is van een snelle groeisnelheid wat leidt tot plofkalkoenen. Onderzoeksresultaten in Duitsland wijzen uit (Berk, 2006) dat bij overdekte uitlopen het uitvalspercentage en bewegingsstoornissen afnamen en een vermindering optrad van huid- en veerbeschadigingen. Is de minister bereid om binnen de voorgenomen wijziging recente wetenschappelijke adviezen over te nemen en binnen de aangekondigde wijziging eisen op te nemen voor een uitloop met goede strooiselkwaliteit voor kalkoenen?

De leden van de fractie van de PvdD hebben kennis genomen dat de minister bij de wijziging van het Besluit houders van dieren uit wil gaan van het plan van aanpak 2010-2016 wat de konijnensector heeft opgesteld. Waarom gaat de minister niet uit van het onafhankelijke onderzoek van de Wetenschapswinkel Rechtsgeleerdheid van de Universiteit Utrecht (2002) waarin geconcludeerd wordt dat het welzijn van konijnen in kooisystemen onaanvaardbaar wordt aangetast. De leden van de fractie van de PvdD maken hierbij de vergelijking met de leghennen in batterijsystemen waar inmiddels ook een verbod op geldt vanwege ernstige dierenwelzijnsaantasting. De leden van de fractie van de PvdD constateren dat binnen dit plan van aanpak welzijnsverbeteringen worden aangebracht binnen het onnatuurlijke systeem van kooihuisvesting. Vanwege de hoge mate van ernstig ongerief in de konijnenhouderij (eendagskonijnen, afwijkend stereotiep gedrag, apathie, voetzoolaandoeningen door draadgazenbodems, hoge uitval, onvoldoende bewegingsruimte) willen de leden van de fractie van de PvdD benadrukken dat het nemen van grotere stappen dan die het plan van aanpak voorziet, essentieel is voor het welzijn en de gezondheid van konijnen. Is de minister bereid om toe te werken naar welzijnssystemen waarin de konijnen niet in kooien worden gehuisvest? Zo ja, op welke termijn? Zo nee, waarom niet?

De leden van de fractie van de PvdD hebben geconstateerd dat de minister voor het welzijn van nertsen uitgaat van de artikelen van de Wet verbod Pelsdierhouderij, waarbij nertsenhouders tot 1 januari 2024 de mogelijkheid krijgen om hun bedrijf uit te blijven oefenen. In het te wijzigen Besluit houders van dieren gaat de minister uit van een speenleeftijd van 8 weken. Wetenschappelijke inzichten van ASG (2007) geven aan dat een dergelijke vroege speenleeftijd leidt tot een hoge mate van stress met gevolgen als staart- en vachtbijten en andere stereotiepen. Is de minister bereid om de speenleeftijd te verhogen naar natuurlijke normen, 11-14 weken? Zo nee, waarom niet?

De leden van de fractie van de PvdD constateren dat de minister in de voorgenomen wijziging van het Besluit houders van dieren zich alleen maar richt op een beperkt aantal diercategorieën. Is de minister bereid om tevens te kijken naar verbeteringen voor het welzijn binnen andere diercategorieën zoals bij geiten, schapen, waterbuffels, struisvogels of eenden? Zo ja, op welke wijze en op welke termijn? Zo nee, waarom niet?

De leden van de fractie van de PvdD constateren dat productschappen zich tevens richten op thema’s als het transport en het slachten cq. het doden van dieren. Kan de minister aangeven wanneer hij voornemens is deze onderdelen van de Wet Dieren in werking te laten treden? Kan de minister aangeven wat het percentage kalkoenen is, zwaarder dan zeven kilo en bestemd voor internationaal transport, vervoerd worden in containers? De leden van de fractie van de PvdD constateren dat er over het welzijn van konijnen tijdens transport weinig bekend is. Is de minister bereid om daar specifiek onderzoek naar uit te laten voeren? Is de minister bereid om wettelijke eisen te stellen aan het verstrekken van voer en water aan eendagskuikens tijdens het transport zodat de sterfte onder eendagskuikens afneemt? Is de minister bereid om eisen te stellen aan het doden van kalveren enkel en alleen omdat zij te licht zijn? Is de minister bereid om het doden van eendagskuikens en het doden van eendagskonijnen tegen te gaan? Op welke wijze gaat het kabinet de aangenomen motie Thieme (28286-688) uitvoeren over een verbod op het levend aanhangen van pluimvee?

Vragen en opmerkingen van de leden van de PvdD-fractie

De leden van de PvdD-fractie vragen waarom de minister er niet voor gekozen heeft om – nu het besluit toch gewijzigd wordt- de welzijnsnormering aan te scherpen op grond van de meest recente onderzoeksgegevens over de welzijnsproblematiek bij vleeskuikens, kalkoenen en konijnen. Een aantal van deze welzijnsregels zijn gebaseerd op gedateerd wetenschappelijk onderzoek. Zij vragen de minister de te wijzigen welzijnsregels opnieuw te bekijken en hierin hogere ambities te stellen.

Antwoord:

Bij de omzetting van de productschapsregelgeving met betrekking tot de publieke taken is er in overleg met de sector voor gekozen om deze regelgeving inhoudelijk zoveel als mogelijk één op één over te nemen. Dit om redenen van continuïteit in de uitvoering en de voortvarendheid van het omzettingsproces. Daarom geldt als uitgangspunt dat de welzijnsregels niet worden aangescherpt bij de omzetting van de productschapsregelgeving.

De leden van de PvdD-fractie constateren dat de welzijnsnormen voor ouderdieren van vleeskuikens gebaseerd zijn op conclusies van de Raad voor Dierenaangelegenheden (RDA) uit 1996 en dat daardoor in de voorgenomen wijziging van het onderhavige Ontwerpwijziging, nieuwe wetenschappelijke inzichten ontbreken. In 1996 concludeerde de RDA dat ouderdieren van vleeskuikens chronisch honger lijden omdat ze sterk beperkt worden in hun voer- en drinkgedrag vanwege de hoge productiviteit in het eieren leggen. Dit ernstige ongerief, wat zich uit in agressief gedrag tijdens voermomenten, is nog steeds aanwezig. Welke maatregelen gaat de minister treffen om de chronische honger onder ouderdieren van vleeskuiken te stoppen? In recentere wetenschappelijke onderzoeken, uitgevoerd door bijvoorbeeld Animal Science Group (ASG) (2007), pleiten wetenschappers voor een systeemaanpassing en een traag groeiend ras. Is de minister bereid om deze recentere wetenschappelijke inzichten om te zetten in regelgeving?

Antwoord:

Uit onderzoek[1] blijkt dat voerderbeperking bij vleeskuikenmoederdieren zoals deze wordt toegepast in het huidige houderijsysteem leidt tot ongerief. Onbeperkt voeren is echter geen oplossing omdat dat tot ander ongerief leidt zoals vervetting en gezondheidsproblemen. De vleespluimveefokkerij is sterk internationaal georganiseerd met drie grote fokkerijorganisaties. Het fokken van andere rassen of andere eigenschappen waar dit probleem zich niet voordoet dient derhalve in een internationale context te gebeuren. Om te bepalen of het ongerief als gevolg van de voerbeperking in het huidige houderijsysteem verminderd kan worden, wordt in Groot-Brittannië onderzoek gedaan naar indicatoren voor honger en frustratie van de voeropnamemotivatie. Op kleine schaal wordt gewerkt aan houderijsystemen met trager groeiende kuikens. Hier is voederbeperking minder noodzakelijk en worden de dwergmoederdieren – met name in de legperiode- nagenoeg onbeperkt gevoerd.

[1] Linken naar enkele EFSA rapporten met betrekking tot welzijn van vleeskuikenouderdieren:

http://www.efsa.europa.eu/en/supporting/doc/295e.pdf#page=67

http://www.efsa.europa.eu/en/supporting/doc/295e.pdf

Linken naar enkele rapporten van WUR:

http://edepot.wur.nl/217695: Feeding Broiler Breeder Flocks in Relation to Bird Welfare Aspects

http://edepot.wur.nl/295775: Effect van verschillende energie/eiwit verhoudingen in het voer tijdens de opfok- en legperiode

De leden van de PvdD-fractie vragen of de minister bereid is om toe te werken naar een verbod op de plofkip?

Antwoord:

Het kabinet onderschrijft de ambitie voor een diervriendelijke en duurzame pluimveehouderij. Om dit te bereiken worden twee sporen gevolgd, namelijk het verhogen van het wettelijk niveau van dierenwelzijn voor vleeskuikens in Europees verband en het stimuleren van het bedrijfsleven om via de markt extra stappen te zetten conform de aanpak van het Verbond van Den Bosch. Het marktspoor vergt een integrale aanpak waarbij dierenwelzijn, gezondheid, milieu, duurzame grondstoffen in samenhang worden bezien en waarbij tevens een economische afweging aan de orde is. Er moet wel een afzetmarkt zijn voor duurzaam pluimveevlees waarvoor consumenten bereid zijn een redelijke prijs te betalen. Naast de scharrelkip wordt met de Kip van Morgen een eerste belangrijke stap gezet door de Nederlandse supermarkten en keten- en marktpartijen. In de Kip van Morgen wordt een ander vleeskuikenras gebruikt, dat minder snel groeit en minder vatbaar is voor ziektes. Behalve voor het dierenwelzijn is dit positief voor het terugdringen van het antibioticumgebruik.

Is de minister bereid om kooihuisvesting uit te faseren en, naast het verbod op de verrijkte kooi, tevens per 1 januari 2021 een verbod op koloniehuisvesting in te stellen? Zo nee, waarom niet?

Antwoord:

Sinds 1 januari 2012 gelden er regels over de zogenoemde koloniehuisvesting als kooihuisvesting in Nederland. Vanwege het Europese legbatterijverbod hebben legpluimveehouders in dit nieuwe systeem geïnvesteerd. Het niet meer toestaan van koloniehuisvesting zou de Nederlandse legsector ten opzichte van de andere lidstaten op sterke achterstand zetten omdat in deze lidstaten kooisystemen zijn toegestaan. De keuze voor kooihuisvesting is een individuele ondernemersbeslissing, waarbij marktperspectieven worden afgewogen tegen andere aspecten, zoals de mogelijkheid om een omgevingsvergunning verleend te kunnen krijgen. Hoewel de markt naar verwachting kleiner zal worden, zal er een markt voor in Europa geproduceerde kooieieren blijven voor zowel tafeleieren als voor verwerking door de levensmiddelenindustrie.

Verder constateren deze leden dat de minister het te accepteren uitvalspercentage onder kalkoenen één op één overneemt van de productschappen. Pas bij een uitval hoger dan 10% bij mannelijke dieren en 6% bij vrouwelijke dieren volgen verbetermaatregelen. Zij vinden deze percentages ethisch niet aanvaardbaar. Is de minister bereid tot een verlaging van deze percentages zodat verbetermaatregelen voor het welzijn en de gezondheid van kalkoenen eerder genomen worden?

Antwoord:

Zoals beantwoord op een eerdere vraag van uw fractie, is er bij de omzetting van de productschapsregelgeving met betrekking tot de publieke taken in overleg met de sector voor gekozen om deze regelgeving inhoudelijk zoveel als mogelijk één op één over te nemen.Daarnaast ga ik er van uit dat de kalkoenenhouders niet wachten tot genoemde percentages zijn bereikt voordat ze verbetermaatregelen nemen. Sinds 2011 zijn ze verplicht om een bedrijfsbehandelplan en een bedrijfsgezondheidsplan op te stellen op basis van een fysieke inspectie van het bedrijf door de dierenarts. Er vindt jaarlijks een evaluatie van de plannen plaats. In verband met deze plannen komt de dierenarts gemiddeld eens in de twee à drie weken op het bedrijf. Daarbij zal ook de oorzaak van een te hoge uitval worden besproken.

De leden van de PvdD-fractie vragen ook waarom de minister bij de categorie vleeskalkoenen uitgaat van regelgeving die gebaseerd is op een rapport uit 2000 terwijl er recentere wetenschappelijke publicaties zijn over het ongerief bij kalkoenen. Zo heeft de ASG (2009) geïdentificeerd dat ook in deze sector er sprake is van een snelle groeisnelheid wat leidt tot plofkalkoenen. Onderzoeksresultaten in Duitsland wijzen uit dat bij overdekte uitlopen het uitvalspercentage en bewegingsstoornissen afnamen en een vermindering optrad van huid- en veerbeschadigingen (Berk, 2006). Is de minister bereid om binnen de voorgenomen wijziging recente wetenschappelijke adviezen over te nemen en binnen de aangekondigde wijziging eisen op te nemen voor een uitloop met goede strooiselkwaliteit voor kalkoenen?

Antwoord:

Ik verwijs u naar mijn antwoord op een andere vraag van uw fractie over de één op één overname van de regels.

Deze leden lezen verder dat de minister bij het onderhavige Ontwerpwijziging uit wil gaan van het plan van aanpak 2010-2016 dat de konijnensector heeft opgesteld. Waarom gaat de minister niet uit van het onafhankelijke onderzoek van de Wetenschapswinkel Rechtsgeleerdheid van de Universiteit Utrecht (2002) waarin geconcludeerd wordt dat het welzijn van konijnen in kooisystemen onaanvaardbaar wordt aangetast?

Antwoord:

Ik verwijs u naar mijn antwoord op een andere vraag van uw fractie over de één op één overname van de regels.

Deze leden maken hierbij de vergelijking met de leghennen in batterijsystemen waar inmiddels ook een verbod op geldt vanwege ernstige dierenwelzijnaantasting. Zij constateren dat binnen dit plan van aanpak welzijnsverbeteringen worden aangebracht binnen het onnatuurlijke systeem van kooihuisvesting. Vanwege de hoge mate van ernstig ongerief in de konijnenhouderij (eendagskonijnen, afwijkend stereotiep gedrag, apathie, voetzoolaandoeningen door draadgazenbodems, hoge uitval, onvoldoende bewegingsruimte) willen zij benadrukken dat het nemen van grotere stappen dan die het plan van aanpak voorziet, essentieel is voor het welzijn en de gezondheid van konijnen. Is de minister bereid om toe te werken naar welzijnssystemen waarin de konijnen niet in kooien worden gehuisvest? Zo ja, op welke termijn? Zo nee, waarom niet?

Antwoord:

Met de welzijnshokken die vanaf april 2016 verplicht worden, krijgen de moederdieren meer ruimte, de mogelijkheid zich op te richten, een platform om zich terug te trekken, een matje tegen beschadiging van hun voetzolen en verrijkingsmateriaal. Hiermee wordt voldaan aan punt 7 van de bijlage bij Richtlijn 98/58/EG. Deze hokken worden inmiddels al bij 85% van de voedsters gebruikt.De welzijnshokken worden niet gezien als eindstation. Dit wordt ook aangegeven door de konijnenhouders in hun Plan van Aanpak 2010-2016 (TK 2009-2010, 28286, nr. 422). Experimenten met volledige groepshuisvesting zijn tot nu toe niet geslaagd door de agressie tussen de moederdieren. Daarom werkt de sector aan een systeem van semi-groepshuisvesting, waarbij het moederdier twee weken na het werpen met haar jongen in een groep met andere moederdieren met jongen wordt gehuisvest. De vleeskonijnen worden na het spenen in groepen gehuisvest. Voor een deel van de konijnen gaat het om het nieuwe parksysteem, waar grotere hokken meer oppervlakte per dier, plateaus en hokverrijking bieden.

De leden van de PvdD-fractie hebben geconstateerd dat de minister voor het welzijn van nertsen uitgaat van de artikelen van de Wet verbod Pelsdierhouderij, waarbij nertsenhouders tot 1 januari 2024 de mogelijkheid krijgen om hun bedrijf uit te blijven oefenen. In de onderhavige ontwerpwijziging gaat de minister uit van een speenleeftijd van acht weken. Wetenschappelijke inzichten van ASG (2007) geven aan dat een dergelijke vroege speenleeftijd leidt tot een hoge mate van stress met gevolgen als staart- en vachtbijten en andere stereotiepen. Is de minister bereid om de speenleeftijd te verhogen naar natuurlijke normen van 11-14 weken? Zo nee, waarom niet?

Antwoord:

De intrinsieke waarde van het dier vormt het uitgangspunt van de Wet dieren, alsook van de huidige Gezondheids- en welzijnswet voor dieren. Bij de omzetting van de Verordening welzijnsnormen nertsen (PPE) naar het ontwerpbesluit is voor de minimale speenleeftijd een leeftijd in weken vastgesteld, in plaats van de datum 1 juli. Een leeftijd in weken geeft meer garanties dan het vaststellen van een datum. De minimum speenleeftijd is vastgesteld op 8 weken zoals voorgeschreven in de aanbeveling van de Raad van Europa over pelsdieren, ter uitvoering van het Europees Verdrag inzake de bescherming van landbouwhuisdieren. Dit sluit ook aan bij de aanbeveling van het WUR-rapport “Scheiden van dieren”, waarin beschreven staat dat de optimale leeftijd voor het spenen op 8 tot 11 weken ligt.

Deze leden constateren ook dat de minister zich in het onderhavige besluit richt op een beperkt aantal diercategorieën. Is de minister bereid om tevens te kijken naar verbeteringen voor het welzijn binnen andere diercategorieën zoals geiten, schapen, waterbuffels, struisvogels of eenden? Zo ja, op welke wijze en op welke termijn? Zo nee, waarom niet?

Antwoord:

Met het Besluit houders van dieren gaan voor alle voor productie te houden dieren algemene huisvestings- en verzorgingsnormen gelden. Dus ook voor de door u genoemde diercategorieën. Beoogde inwerkingtreding van dat besluit is 1 juli 2014.

De leden van de PvdD-fractie constateren dat productschappen zich tevens richten op thema’s als het transport en het slachten cq. het doden van dieren. Kan de minister aangeven wanneer hij voornemens is deze onderdelen van de Wet dieren in werking te laten treden?

Antwoord:
De eisen voor borging van het welzijn tijdens het doden van dieren voor productie van dierlijke producten zijn neergelegd in de Europese verordening nr. 1099/2009, die van kracht is geworden op 1 januari 2013. De eisen inzake de bescherming van dieren tijdens het vervoer en daarmee samenhangende activiteiten zijn neergelegd in Europese verordening nr. 1/2005 en zijn van kracht geworden op 1 januari 2009. Enkele uitvoeringsbepalingen voor beide verordeningen zijn onder de Wet dieren neergelegd in het Besluit houders van dieren en de bijbehorende Regeling houders van dieren. De beoogde inwerkingtreding van deze onderdelen van de Wet Dieren is 1 juli 2014.

Kan de minister aangeven wat het percentage kalkoenen is zwaarder dan zeven kilo en bestemd voor internationaal transport, die vervoerd worden in containers?

Antwoord:

Alle in Nederland gehouden kalkoenen worden in het buitenland (Duitsland voor 99%, en België) geslacht. De getransporteerde dieren zijn vrijwel allemaal zwaarder dan 7 kg. Het vervoer naar Duitsland wordt conform de daar geldende regels gedaan in kratten met een hoogte van 40 cm.

Deze leden constateren dat er over het welzijn van konijnen tijdens transport weinig bekend is. Is de minister bereid om daar specifiek onderzoek naar uit te laten voeren?

Antwoord:

Aandachtspunten voor het welzijn van konijnen tijdens transport zijn in een EFSA-rapport uit 2011 verwoord. In dit rapport wordt, op basis van verzameld onderzoek, beschreven waarop gelet moet worden om het welzijn van konijnen gedurende het transport te bewaken. Daarom vind ik het niet nodig om aanvullend onderzoek naar transport op te starten.

Is de minister bereid om wettelijke eisen te stellen aan het verstrekken van voer en water aan eendagskuikens tijdens het transport zodat de sterfte onder eendagskuikens afneemt?

Antwoord:

Ik verwijs hiervoor naar de beantwoording door de staatsecretaris van Economische Zaken van de vragen in het schriftelijk overleg over QLL van 4 februari jl. (TK2013-2014, 26991, nr 397).

Is de minister bereid om eisen te stellen aan het doden van kalveren enkel en alleen omdat zij te licht zijn?

Antwoord:

Ik verwijs u naar het antwoord van de staatssecretaris van Economische Zaken op een vraag van het lid Thieme van 20 september 2010 inzake lichte kalveren (TK 2010-2011, 28286, nr. 424) en de Kamerbrief van 16 oktober 2013 (TK 2013-2014, 28286, nr. 653) over moties en toezeggingen aangaande het ontwerpbesluit houders van dieren, waarin ingegaan wordt op de aangehouden motie van het lid Thieme over het laten gelden van artikel 1.9 van het Besluit houders van dieren voor alle gehouden dieren (Kamerstuk 2013-2014, 31 389, nr. 97). Met de artikelen 1.9 en 1.10 van het Besluit houders van dieren wordt invulling gegeven aan het «nee, tenzij beginsel» voor het doden van dieren. De gevallen waarin dieren mogen worden gedood, zijn opgenomen in artikel 1.10 (ondraaglijk lijden, gevaar voor mens en dier, wettelijk voorschrift etc.), de diersoorten waarvoor deze regels gelden in artikel 1.9. Het lid Thieme (PvdD) heeft de staatssecretaris tijdens het notaoverleg gevraagd alle diersoorten onder de reikwijdte van artikel 1.9 te brengen. In de nota van toelichting bij het Besluit houders van dieren wordt aangegeven dat er voor is gekozen om in eerste instantie slechts een beperkt aantal diersoorten aan te wijzen (katten, honden en ganzen). Het vergelijkbare artikel 43 van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren is nooit in werking getreden wegens gebrek aan consensus over de aan te wijzen situaties en zorg ten aanzien van de handhaafbaarheid. Ook in de consultatie leverde het onderhavige artikel de nodige discussie op. Juist door met een beperkt aantal soorten, waarover weinig discussie is, te starten, wordt beoogd ervaring op te doen. Het is de bedoeling bij de eerstkomende evaluatie te kijken of het artikel kan worden uitgebreid met andere diersoorten. Wanneer een dier wordt gedood in andere gevallen dan ter verkrijging van dierlijke producten, zal in de toekomst de artikelen 1.12 - 1.14 van het Besluit houders van dieren gelden. Het is de verantwoordelijkheid van de houder om die artikelen na te leven.

Is de minister bereid om het doden van eendagskuikens tegen te gaan?

Antwoord:

Over het doden van eendagskuikens wordt u binnenkort door de staatssecretaris van Economische Zaken geïnformeerd.

Is de minister bereid om het doden van eendagskonijnen tegen te gaan?

Antwoord:

Binnen de konijnenhouderij is het algemeen gebruikelijk om worpen te standaardiseren in de eerste dagen na het werpen. Om te voorkomen dat te kleine konijntjes in het nest wegkwijnen, hetgeen veel ongerief geeft, is het gebruikelijk dat ze door de veehouder gedood worden. Hierbij dient de veehouder zich te houden aan de regels die gelden voor het doden van dieren. In het ‘Plan van Aanpak Welzijn voor de konijnenhouderij 2010-2016’ (TK 2009-2010, 28286, nr. 422) is beschreven op welke wijze invulling gegeven wordt aan het terugdringen van de uitval van konijnen door ziekte en selectie.

Op welke wijze gaat het kabinet de aangenomen motie Thieme (TK 28286 nr. 688) uitvoeren over een verbod op het levend aanhangen van pluimvee?

Antwoord:

Over de wijze van uitvoering van de aangenomen motie Thieme (TK 2013-2014, 28286 nr. 688) zal de staatssecretaris van Economische Zaken u binnenkort informeren.