Inbreng SO over de bescherming van omwo­nenden tegen bestrij­dings­mid­delen


20 maart 2014

Inbreng Schriftelijk Overleg van de Partij voor de Dieren over de bescherming van omwonenden tegen bestrijdingsmiddelen

De leden van de fractie van de Partij voor de Dieren hebben met instemming het rapport van de Gezondheidsraad over Gewasbescherming en omwonenden gelezen, evenals de kabinetsreactie daarop. De Partij voor de Dieren heeft immers in 2011 al aangedrongen op blootstellingsonderzoek en betere bescherming van omwonenden tegen landbouwgif, waarna het toenmalige kabinet besloot advies te vragen aan de Gezondheidsraad over de gesignaleerde problemen. De leden van de Partij voor de Dieren zijn blij dat het advies er eindelijk ligt, en constateren dat de Gezondheidsraad haar zorgen onderschrijft en goede aanbevelingen doet voor reductie van de ongewenste blootstelling van omwonenden en passanten aan landbouwgif. De leden van deze fractie zijn eveneens verheugd dat het kabinet heeft laten weten de aanbevelingen van de Gezondheidsraad (grotendeels) over te willen nemen. De Partij voor de Dieren ziet dit als een belangrijke stap in de erkenning van de problemen die het hoge gebruik van landbouwgif in Nederland met zich meebrengt voor de gezondheid en het woongenot van de mensen in de buitengebieden die regelmatig geconfronteerd worden met de gifspuit in hun directe leefomgeving.

De leden van de fractie van de Partij voor de Dieren hebben ook met belangstelling kennisgenomen van het rapport van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) ‘Verkenning van mogelijkheden voor onderzoek naar blootstelling aan gewasbeschermingsmiddelen bij omwonenden[1]’ dat in opdracht van het ministerie van Infrastructuur en Milieu is opgesteld ter voorbereiding van het blootstellingsonderzoek onder omwonenden dat de Gezondheidsraad aanbeveelt.

De leden van de fractie van de Partij voor de Dieren maken graag gelegenheid van dit Schriftelijk Overleg om over de drie genoemde stukken nadere vragen te stellen ter voorbereiding van het plenaire debat over de bescherming van omwonenden tegen bestrijdingsmiddelen.

Toelatingsmethoden
De leden van de fractie van de Partij voor de Dieren zijn blij dat het kabinet het advies van de Gezondheidsraad overneemt om de huidige toegelaten middelen opnieuw te beoordelen op basis van aanvullende beoordelingsmethoden vanuit Engeland en Duitsland, waarin het risico voor omwonenden wél is meegenomen –in tegenstelling tot de tot nu toe geldende toetsingspraktijk in Nederland. Kan het kabinet deze methoden nader toelichten, en kan zij tevens zeggen wanneer de huidige toegelaten middelen allemaal opnieuw beoordeeld zullen zijn?

Deelt het kabinet de mening van de leden van de Partij voor de Dieren dat de Nederlandse land- en tuinbouwsituatie uniek is ten opzichte van de rest van Europa? Immers, Nederland staat na Japan en Korea op de derde plek wereldwijd met het meeste gebruik van bestrijdingsmiddelen per hectare. De bollen-, sier- en fruitteelt in Nederland is groot. Ook langs deze teelten wonen –in ons dichtbevolkte land- veel mensen, en grenzen deze percelen ook vaak aan natuurgebieden. Bovendien heeft Nederland- waterland, in vergelijking met andere landen, relatief veel oppervlaktewater. Deelt het kabinet de mening dat deze unieke omstandigheden het ook noodzakelijk maken om in Nederland nauwkeuriger te kijken naar toelating en gebruik van bestrijdingsmiddelen? Zo ja, is het kabinet bereid om de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden zodanig aan te passen dat het amendement Koopmans c.s. (KS 32 372 Nr 41) die Nederlandse regels onmogelijk maakt, ongedaan wordt gemaakt? Zo nee, waarom niet, en op basis van welke wetenschappelijke literatuur en belangenafweging komt het kabinet tot dit besluit?

Goede klachtenstructuur
De leden van de Partij voor de Dieren-fractie onderschrijven de opmerkingen van de Gezondheidsraad over het gemis aan een heldere meld- en klachtenstructuur voor mensen die zich zorgen maken of vragen hebben over het gifgebruik in hun omgeving. De Gezondheidsraad merkt op dat het vorig jaar door de Partij voor de Dieren en stichting Bollenboos geopende meldpunt Gifklikker.nl een voorbeeld is van een initiatief dat eigenlijk door de overheid zelf had moeten worden genomen. Het kabinet lijkt de aanbeveling voor het inrichten van een duidelijke klachtenstructuur door de overheid echter niet over te nemen. Kan het kabinet toelichten waarom zij deze aanbeveling niet overneemt en schetsen welke stappen burgers in de huidige situatie zelf allemaal moeten zetten om hun zorgen en klachten kunnen uiten?

Spuitvrije zones en afstandseisen

De leden van de fractie van de Partij voor de Dieren delen met het kabinet de mening dat het gewenst is om ook voor gevoelige bestemmingen een spuitvrije zone in te voeren. Zij kunnen de redenering van het kabinet, dat stelt dat deze zones op dit moment juridisch lastig te realiseren zouden zijn, echter niet goed volgen. Immers, de uitspraken van de Raad van State hierover, waar het kabinet naar verwijst, zijn gedaan onder de toen geldende regelgeving. Dat daarin op dit moment wellicht te weinig aanknopingspunten zijn voor gemeenten om spuitvrije zones in te stellen, zouden de leden van de fractie van de Partij voor de Dieren zich nog voor kunnen stellen. Maar het staat het kabinet toch vrij om een wetswijziging in te dienen bij de Kamer om het instellen van deze zones wettelijk te regelen? De Partij voor de Dieren wijst er nadrukkelijk op dat de Richtlijn duurzaam gebruik juist het voorzorgsbeginsel voorop stelt. Kan het kabinet dat bevestigen en reageren op deze beleidslijn en de mogelijkheden om zelf een wetswijziging in te dienen? Op welke termijn verwacht het kabinet het gevraagde advies van de landsadvocaat hierover?

Metam-natrium
De leden van de fractie van de Partij voor de Dieren maken zich grote zorgen over het gebruik van metam-natrium, het grondontsmettingsmiddel dat al sinds 1991 op de lijst staat van te saneren stoffen wegens de grote risico’s voor de volksgezondheid en de flora en fauna. Ondanks een eerder Europees verbod wordt het omstreden middel in Nederland anno 2014 nog steeds gebruikt. Na een oproep van een meerderheid van de Kamer (Tweede Kamer, vergaderjaar 2013–2014, Aanhangsel van de Handelingen 1108) om de ontheffing voor het gebruik van metam-natrium in te trekken, heeft de staatssecretaris laten weten geen gehoor te willen geven aan de wens van de Kamer. In plaats daarvan, zo kondigde zij aan, gaat zij in gesprek met de sector over de alternatieven. Ondertussen is er ook in de Tweede Kamer een motie aangenomen waarin de regering wordt verzocht om de Kamer voor 1 mei te informeren over de brede toepasbaarheid van de alternatieven. Op welke wijze gaat de staatssecretaris deze motie uitvoeren?

De toelating van metam-natrium in Nederland verloopt eind 2014. Intrekken van deze toelating zou juridisch onmogelijk zijn, schetste de staatssecretaris. De Partij voor de Dieren vindt dat de staatssecretaris in elk geval geen ontheffing had moeten verlenen voor een frequenter gebruik van dit middel dan in de toelating is geregeld en is teleurgesteld dat zij dat toch, in navolging van minister Verburg en staatssecretaris Bleker, heeft gedaan.

Het moge duidelijk zijn dat de Partij voor de Dieren, samen met een flink deel van de Kamer, vindt dat het onverantwoord is het gebruik van metam-natrium nog langer toe te staan dan nodig is. Kan de staatssecretaris bevestigen dat zij juridisch niet gebonden is om na het verlopen van de huidige toelating, eind 2014, de huidige toelating te verlengen of een nieuwe toelating af te geven? Zo nee, kan zij uitvoerig uiteenzetten waarom zij verplicht zou zijn een toelating te verlengen of een nieuwe af te geven? Op grond van welke wettelijke bepalingen zou dat dan zijn?

De leden van de PvdD-fractie willen graag weten of er inmiddels al aanvragen liggen voor dan wel een verlenging van de huidige toelating, dan wel een nieuwe toelating van deze stof? Is de staatssecretaris bereid om geen onomkeerbare stappen te zetten bij het toekennen van deze eventuele aanvragen alvorens de Kamer de kans heeft gehad met haar in debat te gaan over de aanvragen en over de alternatieven voor deze giftige stof.

Is de staatssecretaris met de leden van de PvdD-fractie van mening dat, gezien de ernstige incidenten die zich hebben voorgedaan met dit middel, ook wanneer het volgens de gebruiksvoorschriften werd toegepast, het in de tussentijd van belang is dat omwonenden van te voren en achteraf weten welke percelen met metam-natrium bewerkt zijn, zodat zij voorzorgsmaatregelen kunnen nemen om zichzelf te beschermen? Zo nee, waarom niet, en hoe wil de staatssecretaris dan voorkomen dat er meer mensen ernstig onwel worden en zelfs blijvende gezondheidsschade oplopen door het gebruik van dit middel, zoals helaas het geval was in Oudemirdum? Is de staatssecretaris bereid om per direct een meldingsplicht in te voeren voor het gebruik van metam-natrium, waarbij omwonenden en passanten middels waarschuwingsborden op het perceel erop attent worden gemaakt dat het perceel behandeld is of wordt met metam-natrium? Zo nee, waarom niet? Bij het gebruik van metam-natrium moet een melding gedaan worden bij de NVWA, is de staatssecretaris bereid om deze meldingen op perceelniveau openbaar te maken zodat ook mensen die bijvoorbeeld een fietstochtje hebben gepland door Drenthe zich goed kunnen informeren over de risico’s, en daar eventueel hun route op aan kunnen passen? Zo nee, waarom niet?

Blootstellingsonderzoek
De leden van de fractie van de Partij voor de Dieren lezen dat het kabinet voornemens is om in 2014 een pilot uit te voeren ten behoeve van het blootstellingsonderzoek. In de voorbereidende studie hiervoor van het RIVM staat dat zij het noodzakelijk acht om ook voordat het spuitseizoen van start gaat metingen te verrichten. Wanneer is het kabinet voornemens om deze pilot op te starten, en tot hoelang wil zij de studie laten doorlopen? Hoe ziet zij dit in relatie tot het spuitseizoen dat momenteel al van start is gegaan? Wordt ook de periode van grondontsmetting met metam-natrium of Mocap gemeten? Is al bekend welke partners in het consortium deel zullen nemen, en wie de coördinerende rol op zich zal nemen?

De leden van de fractie van de Partij voor de Dieren willen graag weten op welke wijze omwonenden en hun vertegenwoordigers betrokken zullen worden bij (de pilot voor) het blootstellingsonderzoek. Het RIVM heeft voor hun verkenning voor het blootstellingsonderzoek al een aantal personen van buiten het RIVM geconsulteerd, maar deze leden merken op dat dit alleen personen van onderzoeksinstellingen en van de agrarische sector betreft. De leden van de PvdD-fractie vinden het een gemiste kans dat het RIVM niet het voorbeeld van de Gezondheidsraad volgde en van meet af aan alle stakeholders heeft betrokken, deelt het kabinet die mening?

De leden van de PvdD-fractie lezen dat het onderzoek moet aansluiten bij activiteiten die inmiddels zijn ingezet voor duurzaam gebruik van gewasbeschermingsmiddelen, en willen hier graag een nadere onderbouwing van. Worden driftarme spuitdoppen verrekend? Wordt de profylactische toepassing (zoals bollen dompelen in neonicotinoiden) van bestrijdingsmiddelen wel of juist niet meegewogen? Immers, profylactisch gebruik van bestrijdingsmiddelen past per definitie niet in duurzaam gebruik van bestrijdingsmiddelen, daar dit betekent dat bestrijdingsmiddelen alleen ingezet mogen worden als laatste redmiddel. Toch is dit gangbare praktijk, zeker ook in de bollenteelt. Graag een reactie van het kabinet over hoe zij dit precies zien en bedoelen.

De leden van de fractie van de Partij voor de Dieren betreuren het dat het RIVM zegt dat er volgens de commissie van de Gezondheidsraad aanwijzingen zijn dat omwonenden gezondheidsrisico’s kunnen lopen door het gebruik van chemische gewasbeschermingsmiddelen, maar is er geen hard bewijs voor zou zijn. De Gezondheidsraad heeft nadrukkelijk niet gezegd dat er geen hard bewijs zou zijn. De frase in het RIVM-rapport doet naar mening van de leden van de PvdD-fractie afbreuk aan de urgentie van een blootstellingonderzoek, kan het kabinet hierop reflecteren?

De leden van de fractie van de Partij voor de Dieren willen graag weten hoe het kabinet het vraagstuk ziet over het vergelijken van de gevonden concentraties tijdens het blootstellingsonderzoek met de nu geldende grenswaarden. Het RIVM constateert terecht dat de bestaande grenswaarden geëvalueerd moeten om te bepalen of alle relevante gezondheidseffecten daarin meegenomen zijn. Voor een aantal stoffen, waaronder acetamiprid, heeft de EFSA al geconcludeerd dat de bestaande grenswaarden niet veilig zijn en naar beneden bijgesteld zouden moeten worden om gezondheidsschade te voorkomen. Aan de andere kant is het volgens de leden van de PvdD-fractie voor de mensen die meedoen met het blootstellingsonderzoek wel van belang om te weten wanneer de concentraties die bij hen gevonden worden de huidige grenswaarden overschrijden. Hoe wil het kabinet hiermee omgaan? Wanneer en op welke wijze worden de huidige grenswaarden geëvalueerd, en wellicht op basis van deze evaluatie bijgesteld? De leden van d efractie van de Partij voor de Dieren zijn ook benieuwd hoe het kabinet aankijkt tegen de belangrijke vraag die het RIVM opwerpt ten opzicht van het communiceren met de deelnemers van het blootstellingsonderzoek over de bij hun gevonden concentraties bestrijdingsmiddelen. Het RIVM constateert dat het belangrijk is om vooraf na te denken over hoe te handelen als bijvoorbeeld heel hoge waarden in een urinemonster worden aangetroffen. Hoe is het kabinet van plan hiermee om te gaan? Deelt het kabinet de mening dat het van belang is om mensen goed te informeren over hun individuele resultaten, zodat zij zelf de afweging kunnen maken hoe vervolgens te handelen in deze situatie? Als gedurende het veldonderzoek blijkt dat er toch een grote blootstelling plaatsvindt moeten mensen wellicht in staat worden gesteld zichzelf te beschermen. Het onderzoek moet daarop berekend zijn met een noodscenario. Er mag niet worden afgewacht tot alle resultaten bekend zijn. Van tevoren moet duidelijk zijn op welk moment er tussentijds gecommuniceerd moet worden over individuele uitslagen en welke gevolgen dat moet hebben voor zowel de bevolkingsgroep waar die persoon toe behoort als het hele onderzoek. Kan het kabinet aangeven of zij deze mening deelt, zo nee, waarom niet, en hoe zij voornemens is om hiermee om te gaan? Zullen de GGD-en en huisartsen wel weten wat ze moeten doen, wanneer er hoge concentraties en/of gezondheidsschade wordt aangetroffen bij omwonenden, wie (wellicht) het gevolg zijn van het hoge gebruik van bestrijdingsmiddelen? Tot nu toe is gebleken dat er niet voldoende kennis en/of betrokkenheid was bij het thema pesticiden en omwonenden. Is het kabinet voornemens om GGD-en, huisartsen, en andere medisch specialisten zoals longartsen voor te lichten over deze specifieke gezondheidsrisico’s en –schade, zeker in de gebieden waar veel bollen- en fruitteelt plaatsvindt?

De leden van de fractie van de Partij voor de Dieren zijn benieuwd hoe in het blootstellingsonderzoek omgegaan zal worden met het feit dat omwonenden niet alleen in hun huis en tuin worden blootgesteld aan bestrijdingsmiddelen, maar ook bijvoorbeeld op school, onderweg daarnaar toe, en wanneer zij recreëren in hun eigen gebied? Deze leden denken dat het bijvoorbeeld voor de hand zou kunnen liggen om ook in gevoelige bestemmingen zoals scholen en kinderdagverblijven metingen te doen van concentraties van bestrijdingsmiddelen in contactmedia, deelt het kabinet die mening? Hoe houdt het kabinet rekening met het feit dat omwonenden die deelnemen aan het onderzoek zich op de hoogte stellen van de problematiek en dus niet buiten blijven staan bij bespuitingen met pesticiden? Niemand zal zich vrijwillig als menselijk filtreerpapiertje in de achtertuin opstellen. Laat staan dat hij zijn kinderen nog langer laat blootstellen. Het risicobewustzijn van deelnemers, dat hoe dan ook ontstaat ten gevolge van die deelname, beïnvloedt de resultaten, deelt het kabinet die mening? Mensen die niet goed op de hoogte zijn van de risico’s van de bespuitingen door hun agrarische buurman zullen eerder geneigd zijn in de tuin te blijven zitten wanneer er gespoten wordt of is, terwijl omwonenden die meedoen aan het blootstellingsonderzoek eerder naar binnen zullen gaan op dit soort momenten, en de ramen en deuren zullen sluiten. Deelt het kabinet deze inschatting, en zo nee, waarom niet? Op welke wijze wordt hiermee rekening gehouden in de analyse van de resultaten? De leden van de PvdD-fractie vragen zich ook af of alle blootstellingsroutes wel goed in beeld zijn op dit moment? In het rapport van de Gezondheidsraad ontbrak bijvoorbeeld wat ons betreft de directe orale inname die ontstaat als je in de tuin even een boterhammetje eet of luidkeels een lied aanheft. Deze blootstellingsroutes zijn ook nog niet meegenomen in het BROWSE-model dat momenteel in ontwikkeling is in Europees verband. Toch is het belangrijk dat aan deze alledaagse scenario’s wel aandacht wordt besteed, deelt het kabinet die mening?

Ook bij het selecteren van de telers kan volgens de leden van de PvdD-fractie een bepaalde bias in het onderzoek sluipen. Zeker in de bollen- en fruitteelt worden met regelmaat illegale stoffen aangetroffen bij telers. Het feit dat het kabinet aankondigt de handhaving op te schroeven, ook met betrekking tot het naleven van de gebruiksvoorschriften laat ook zien dat veel telers regelmatig de wet en de gebruiksvoorschriften overtreden. Wanneer telers deelnemen aan het onderzoek ligt het in de rede om te verwachten dat zij zich, beter dan hun collega’s en wellicht ook beter dan zij zelf voorheen, zullen houden aan de gebruiksvoorschriften, en daardoor minder middelen zullen gebruiken. De blootstelling van omwonenden aan bestrijdingsmiddelen zal in de praktijk dan ook hoger liggen dan er in het blootstellingsonderzoek naar voren zal komen, kan he kabinet dat bevestigen? Op welke manier zal daarmee om worden gegaan in de analyse van de resultaten van het blootstellingsonderzoek?

Deelt het kabinet de mening van de leden van de PvdD-fractie dat ongerustheid onder de bevolking niet alleen iets is dat gemanaged moet worden, maar dat daarin belangrijke aanwijzingen kunnen schuilen bij het onderzoek naar de risico’s van bestrijdingsmiddelen voor omwonenden? Deelt het kabinet ook de mening dat deze ongerustheid niet weg gecommuniceerd kan worden, omdat met beter communicatie tussen telers en omwonenden het probleem van potentiele gezondheidsschade nu eenmaal niet weggenomen wordt? Over gepercipieerd risico: in het geval van bestrijdingsmiddelen is het niet zozeer het risico dat groot wordt geacht door omwonenden, maar gaat het om het feit dat er bestrijdingsmiddelen worden gebruikt in onze leefomgeving zonder dat vooraf onderzoek is gedaan of dat wel kon. Het is dus anders gesteld dan met andere zaken zoals fijnstof, of aardbevingen waarvan wel duidelijk is wat de risico’s zijn en hoe de afwegingen politiek zijn met betrekking tot de veiligheid van de burger. Kan het kabinet dat bevestigen? In het geval van pesticiden is het eigenlijk zo dat we het zo ver hebben laten komen dat mensen nu dienen als ‘proefdier’ om zo achteraf vast te stellen of chronische blootstelling aan pesticiden via de eigen leefomgeving eigenlijk wel kan. De vergelijking van gepercipieerd risico versus werkelijk risico is hier dus eigenlijk helemaal niet relevant, volgens de leden van de fractie van de Partij voor de Dieren. Graag een reactie hierop van het kabinet.

De leden van de PvdD-fractie wijzen erop dat het waarschijnlijk niet mogelijk is om vanuit een klankbordgroep waarin daadwerkelijk alle belanghebbenden gelijkelijk zijn vertegenwoordigd een werkelijk helemaal gedragen onderzoeksvoorstel te krijgen. De belangen van de telers en hun belangenbehartigers enerzijds en de omwonenden anderzijds lopen heel ver uiteen. Die kritische noot die er onherroepelijk zal blijven moet wat deze leden betreft ruimte krijgen binnen de klankbordgroep, deelt het kabinet die mening? Deelt zij ook de mening dat het voor een klankbordgroep van belang is om de voorwaarden en doelen door deze groep zelf te laten formuleren? De leden van de PvdD-fractie wijzer er tevens op dat niet verwacht kan worden dat de klankbordgroep met een mond naar buiten communiceert, deelt het kabinet die mening? Is het kabinet bereid om toe te zeggen dat leden van de klankbordgroep geen zwijggebod opgelegd zullen krijgen, zoals helaas in andere gevallen wel is gebeurd – denk aan het onderzoek naar schaliegas? Zullen er ook onafhankelijk wetenschappers in de klankbordgroep zitten nemen, of alleen leken vanuit omwonendengroepen of de belangenorganisaties zoals LTO en KAVB?

[1] http://www.rivm.nl/dsresource?objectid=rivmp:238477&type=org&disposition=inline&ns_nc=1