Inbreng SO Stimu­lering Duurzame Ener­gie­pro­ductie 2018


21 december 2017

Inbreng PvdD Stimulering Duurzame Energieproductie (SDE+) 2018

De leden van de PvdD-fractie zijn van mening dat de overheid de taak heeft om aanjager van de energietransitie te zijn. De regeling Stimulering Duurzame Energieproductie is momenteel een van haar belangrijkste instrumenten daarvoor. De leden hebben daarom enkele vragen en opmerkingen.

Vervuiler betaald

Voor de leden van de PvdD-fractie geldt dat het principe ‘de vervuiler betaalt’ leidend moet zijn in energiebeleid. Helaas worden in het huidige beleid de grootste verbruikers en uitstoters juist het meest ontzien. De energiebelasting heeft namelijk een degressieve structuur waarbij grootverbruikers in verhouding minder betalen dan huishoudens. De leden hebben hierover enkele vragen. Hoe wordt de marktprijs voor energie vastgesteld in de berekening van de SDE+ vergoeding en is hier de energiebelasting in verwerkt? Klopt het dat de ontvangers van de SDE+ vergoeding over het algemeen langlopende contracten hebben met grootverbruikers? Zo ja, betekent dit dat de degressieve structuur van de energiebelasting leidt tot hogere SDE+ vergoedingen (het verschil tussen de kostprijs en marktprijs is in dit geval immers het grootst)? Klopt het dat wanneer de milieuschade van fossiel energieverbruik voldoende ingeprijsd zou worden via een progressieve belastingstructuur (waarbij grootverbruikers verhoudingsgewijs meer betalen), er meer geld beschikbaar is voor duurzame energieprojecten vanuit de SDE+ regeling (het verschil tussen de kostprijs en de marktprijs is in dit geval immers het laagst)? Kunt u een inschatting maken van de hoeveelheid gelden die vanuit de SDE+ regeling zouden vrijvallen voor duurzame energieprojecten indien de energieprijs milieuschade voldoende zou beprijzen?

Doelstelling Duurzame energie

De leden van de PvdD-fractie hebben in de Nationale Energieverkenning (NEV) gelezen dat het niet gaat lukken om de afgesproken doelstelling te halen om over drie jaar 14 procent van de Nederlandse energie duurzaam op te wekken. Tot onze teleurstelling zien de leden in het regeerakkoord echter dat er nauwelijks plannen voor duurzame energie zijn aangekondigd. Mogelijk zwakt de groei van duurzame energie zelfs af, omdat de financiering ervan moet gaan concurreren met die van CO2-opslag (ook al heeft de minister aangegeven dat de financiering van de CO2-opslag niet direct uit de SDE+ regeling zal gaan).

Welke rol heeft duurzame energie volgens de minister in de energietransitie? Wanneer verwacht de minister tot een volledig duurzame energievoorziening te komen? Hoe garandeert de minister dat het aandeel duurzame energie de komende jaren aanzienlijk sneller zal groeien dan de prognose in de NEV?

Erkent de minister dat CO2-reducerende maatregelen zoals CO2-opslag, niet duurzaam kunnen worden genoemd, omdat ze de bron van vervuiling niet aanpakken en geen blijvende verandering teweeg brengen? Hoe voorkomt de minister dat de SDE+ subsidie besteedt wordt aan hernieuwbare energie die slechts op papier CO2 reduceren, zoals mestvergisters? Kan de minister inzichtelijk maken hoeveel CO2 er wordt bespaard met mestvergisting?

Op welke wijze worden nieuwe technologieën gesteund die bijdragen aan het opschalen van duurzame energie (slimme energienetwerken, smart grids etc.)?

Zonne-energie

De leden van de PvdD-fractie hebben kennisgenomen van wijzigingen in de SDE+ voor de zonnesector. Er wordt een nieuwe systematiek ingevoerd voor zonne-energie, waarbij een onderscheid wordt gemaakt tussen eigen verbruik en het leveringsdeel aan het net. Nu de zonnesector niet is geconsulteerd over deze methodiek en over de bijbehorende bedragen, leidt dit mogelijk tot vertraging in de projecten. Immers, voor deze nieuwe methodiek moeten de business cases opnieuw worden gemaakt. Deelt de minister de mening dat vertraging zeer onwenselijk is, omdat we juist alle zeilen moeten bijzetten om het doel van 14% duurzame energie in 2020 te halen? Is de minister bereid om de invoering van deze methodiek uit te stellen, zodat de sector zich hier beter op kan voorbereiden? En is de minister vervolgens bereid om in overleg met de sector te treden over de nieuwe methodiek?

De leden van de PvdD-fractie hebben kennis genomen van de zorgen uit de zonnesector dat met de voorgestelde regeling voor zonne-energie bepaalde projecten geen sluitende business case meer zullen hebben. Dat geldt met name voor grote daken, waar een grote variatie aan projecten is. Hebben deze signalen de minister ook bereikt? Zo ja, wat is hij van plan om hiermee te doen?

Consumentenperceptie

De leden van de PvdD-fractie hebben met interesse kennisgenomen van een recent onderzoek van Motivaction[1]. Hieruit blijkt dat een ruime meerderheid van de Nederlanders meer duurzame energie wil, voornamelijk via zon, wind en waterkracht (en dus niet uit biomassa en mestvergisters). Maar, doordat het aandeel energie duurzame energie vele malen te hoog wordt ingeschat, ontbreekt het vaak aan een gevoel van urgentie om wat te veranderen. Opgeteld komen de inschattingen van verschillende soorten hernieuwbare energie op 45 procent energie uit, ziet Motivaction. Dat is bijna acht keer meer dan de werkelijke situatie. De minister zegt er belang aan te hechten om iedereen achter de noodzakelijke energietranitie te krijgen. Deelt de minister dat daar ten minste voor nodig is dat burgers een realistisch beeld hebben van de werkelijkheid? Hoe zorgt de minister ervoor dat burgers een realistisch beeld krijgen van het aandeel duurzame energie?

[1] https://www.motivaction.nl/kennisplatform/nieuws-en-persberichten/duurzame-energie-we-denken-dat-het-vanzelf-wel-goed-komt

Beantwoording minister

Voor de leden van de PvdD-fractie geldt dat het principe «de vervuiler betaalt» leidend moet zijn in energiebeleid. Helaas worden in het huidige beleid de grootste verbruikers en uitstoters juist het meest ontzien. De energiebelasting heeft namelijk een degressieve structuur waarbij grootverbruikers in verhouding minder betalen dan huishoudens. Deze leden hebben hierover enkele vragen. Hoe wordt de marktprijs voor energie vastgesteld in de berekening van de SDE+ vergoeding en is hier de energiebelasting in verwerkt? Klopt het dat de ontvangers van de SDE+ vergoeding over het algemeen langlopende contracten hebben met grootverbruikers? Zo ja, betekent dit dat de degressieve structuur van de energiebelasting leidt tot hogere SDE+ vergoedingen (het verschil tussen de kostprijs en marktprijs is in dit geval immers het grootst)? Klopt het dat wanneer de milieuschade van fossiel energieverbruik voldoende ingeprijsd zou worden via een progressieve belastingstructuur (waarbij grootverbruikers verhoudingsgewijs meer betalen), er meer geld beschikbaar is voor duurzame energieprojecten vanuit de SDE+ regeling (het verschil tussen de kostprijs en de marktprijs is in dit geval immers het laagst)? Kunt u een inschatting maken van de hoeveelheid gelden die vanuit de SDE+ regeling zouden vrijvallen voor duurzame energiepro-jecten indien de energieprijs milieuschade voldoende zou beprijzen?

De energieprijs die in de SDE+ wordt gehanteerd is de jaarlijks gemid-delde marktwaarde. Voor elektriciteitsopties is dit grotendeels gebaseerd op de APX-prijs. Voor warmte- en groengasprojecten de TTF-prijs. Daarbij wordt er enkel rekening gehouden met de energiebelasting indien er sprake is van energie die niet aan het net wordt geleverd, maar zelf wordt gebruikt. Het is dus niet zo dat als SDE+ ontvangers vooral aan grootver-bruikers zouden leveren de subsidiebedragen dan hoger zouden zijn. Voor projecten die een deel van de opgewekte energie zelf gebruiken, wordt rekening gehouden met het marginale belastingtarief dat voor die categorie geldt. Hierbij wordt gekeken naar het belastingtarief dat geldt voor het merendeel van de projecten en wordt geen onderscheid gemaakt naar type aanvrager. Voor sommige categorieën die betrekking hebben op de productie van warmte geldt dat het subsidiebedrag voor deze projecten lager zou zijn, indien er sprake was van een progressieve belastingstructuur. Daarbij dient opgemerkt te worden dat voor geen enkele categorie wordt uitgegaan van het belastingtarief voor de hoogste verbruikersklasse. Indien het belastingtarief in deze schijf zou worden verhoogd, zal dit dus geen effect hebben op de kasuitgaven voor de SDE+.

De leden van de PvdD-fractie hebben in de NEV gelezen dat het niet gaat lukken om de afgesproken doelstelling te halen om over drie jaar 14 procent van de Nederlandse energie duurzaam op te wekken. Tot onze teleurstelling zien deze leden in het regeerakkoord echter dat er nauwe-lijks plannen voor duurzame energie zijn aangekondigd. Mogelijk zwakt de groei van duurzame energie zelfs af, omdat de financiering ervan moet gaan concurreren met die van CO2-opslag (ook al heeft de Minister aangegeven dat de financiering van de CO2-opslag niet direct uit de SDE+ regeling zal gaan). Welke rol heeft duurzame energie volgens de Minister in de energietran-sitie? Wanneer verwacht de Minister tot een volledig duurzame energie-voorziening te komen? Hoe garandeert de Minister dat het aandeel duurzame energie de komende jaren aanzienlijk sneller zal groeien dan de prognose in de NEV?

Het kabinet stelt de reductie van CO2-uitstoot centraal. Energiebesparing en hernieuwbare energie zijn daarbij middelen om dit CO2-reductiedoel te realiseren. Bij een specifiek CO2-reductiedoel zal een bepaalde verhouding hernieuwbare energie en energiebesparing kosteneffectief zijn. Maar deze optimale verhouding is enkel achteraf vast te stellen. Hierdoor is op dit moment niet aan te geven of en zo ja wanneer de energievoorziening volledig op hernieuwbare bronnen gebaseerd zal zijn. Een garantie dat het aandeel hernieuwbare energie de komende jaren aanzienlijk sneller zal groeien dan de prognose in de NEV is eveneens niet te geven.

Erkent de Minister dat CO2-reducerende maatregelen zoals CO2-opslag, niet duurzaam kunnen worden genoemd, omdat ze de bron van vervuiling niet aanpakken en geen blijvende verandering teweeg brengen? Hoe voorkomt de Minister dat de SDE+ subsidie besteedt wordt aan hernieuwbare energie die slechts op papier CO2 reduceren, zoals mestvergisters? Kan de Minister inzichtelijk maken hoeveel CO2 er wordt bespaard met mestvergisting?

Ik vind het van belang dat maatregelen bijdragen aan de energietransitie op de korte en lange termijn. Daarbij ga ik uit van de definities zoals deze internationaal worden gehanteerd. Zowel de productie van hernieuwbare energie als het voorkomen van de uitstoot of het opslaan van vrijgekomen CO2 zorgen ervoor dat minder broeikasgassen worden uitgestoten en in de atmosfeer komen. Zowel CCS als mestvergisting zorgen ervoor dat CO2, of in het geval van vergisting het krachtige broeikasgas methaan, niet wordt uitgestoten. Dit voorkomt klimaatverandering. Dit is niet anders bij een zonne-energie of windenergie project. Op welke wijze worden nieuwe technologieën gesteund die bijdragen aan het opschalen van duurzame energie (slimme energienetwerken, smart grids, et cetera)? Deze technologieën worden gesteund via het innovatie-instrumentarium, bijvoorbeeld via de Topsector Energie. Met name het onderdeel binnen de Topsector dat zich focust op de gebouwde omgeving (Urban Energy) zet in op onderwerpen als slimme energienetwerken en smart grids. Zo wordt ingezet op het ontwikkelen van energiesystemen die gebruik maken van diverse databronnen om elektriciteitsmarkten, en mogelijk ook markten voor andere energiedragers, flexibel en toekomstbestendig te maken.

De leden van de PvdD-fractie hebben kennisgenomen van wijzigingen in de SDE+ voor de zonnesector. Er wordt een nieuwe systematiek ingevoerd voor zonne-energie, waarbij een onderscheid wordt gemaakt tussen eigen verbruik en het leveringsdeel aan het net. Nu de zonnesector niet is geconsulteerd over deze methodiek en over de bijbehorende bedragen, leidt dit mogelijk tot vertraging in de projecten. Immers, voor deze nieuwe methodiek moeten de business cases opnieuw worden gemaakt. Deelt de Minister de mening dat vertraging zeer onwenselijk is, omdat we juist alle zeilen moeten bijzetten om het doel van 14% duurzame energie in 2020 te halen? Is de Minister bereid om de invoering van deze methodiek uit te stellen, zodat de sector zich hier beter op kan voorbereiden? En is de Minister vervolgens bereid om in overleg met de sector te treden over de nieuwe methodiek?

Het is niet juist dat de zonne-energie sector niet over deze wijziging geconsulteerd zou zijn. Eind 2015 heeft ECN reeds aangegeven dat er kritisch moet worden gekeken naar de berekening van het subsidiebedrag voor zon-PV. Dit heeft geresulteerd in een conceptadvies voor de SDE+ 2018 in het voorjaar van 2017, waarbij ECN is uitgegaan van een andere berekeningsmethode voor zon-PV. Dit advies is uitgebreid geconsulteerd. Hiervoor is ook door het ministerie meermaals contact geweest met betrokken brancheorganisaties. De ingevoerde wijzigingen zijn dus zeker niet onaangekondigd of niet eerder besproken met de sector. Wel ben ik mij er terdege van bewust dat de wijzigingen neerkomen op een verlaging van het subsidiebedrag, waardoor het mogelijk is dat er minder projecten worden ontwikkelt dan het geval zou zijn bij een hoger subsidiebedrag. De subsidiebedragen in de SDE+ worden op dit moment nog steeds zodanig vastgesteld dat het merendeel van de projecten met dit bedrag gereali-seerd moet kunnen worden. Een risico op overstimulering kan daarbij echter nooit een goede wijze zijn om de groei van projecten te stimuleren.

De leden van de PvdD-fractie hebben kennisgenomen van de zorgen uit de zonnesector dat met de voorgestelde regeling voor zonne-energie bepaalde projecten geen sluitende business case meer zullen hebben. Dat geldt met name voor grote daken, waar een grote variatie aan projecten is. Hebben deze signalen de Minister ook bereikt? Zo ja, wat is hij van plan om hiermee te doen?

Deze signalen hebben mij ook bereikt. Echter, het is niet zo dat de ingevoerde wijzigingen bij projecten met grote daken leiden tot een niet sluitende businesscase, vanwege de grote variatie aan projecten. Het aandeel eigen gebruik wordt namelijk per project berekend. Projecten met een ander aandeel eigen gebruik dan gemiddeld ondervinden dus geen nadeel van deze wijziging. Andere redenen waarom deze wijzigingen bij projecten met grote daken zouden leiden tot een niet sluitende busines-scase zijn bij mij niet bekend.

De leden van de PvdD-fractie hebben met interesse kennisgenomen van een recent onderzoek van Motivaction. Hieruit blijkt dat een ruime meerderheid van de Nederlanders meer duurzame energie wil, voorna-melijk via zon, wind en waterkracht (en dus niet uit biomassa en mestver-gisters). Maar, doordat het aandeel energie duurzame energie vele malen te hoog wordt ingeschat, ontbreekt het vaak aan een gevoel van urgentie om wat te veranderen. Opgeteld komen de inschattingen van verschil-lende soorten hernieuwbare energie op 45 procent energie uit, ziet Motivaction. Dat is bijna acht keer meer dan de werkelijke situatie. De Minister zegt er belang aan te hechten om iedereen achter de noodzake-lijke energietransitie te krijgen. Deelt de Minister dat daar ten minste voor nodig is dat burgers een realistisch beeld hebben van de werkelijkheid? Hoe zorgt de Minister ervoor dat burgers een realistisch beeld krijgen van het aandeel duurzame energie?

Ik vind het belangrijk dat burgers (maar ook bedrijven, industrie, maatschappelijke organisaties) een realistisch beeld hebben over hernieuwbare energie. Overheden, bedrijven en burgers staan met het omschakelen naar hernieuwbare energie namelijk voor een forse opgave; er moet heel veel gebeuren om de gestelde klimaatdoelen te behalen. Daarom grijp ik meerdere gelegenheden aan om de urgentie te onder-strepen en een realistisch beeld te schetsen. Ook in de toekomst zal ik aandacht blijven vragen voor de grote opgave die de transitie is, waarbij niet alleen de overheid, maar vooral ook bedrijven en huishoudens stappen zullen moeten zetten. In de Klimaatwet en het Klimaat- en Energieakkoord die medio 2018 verwacht worden, zal aangegeven worden welke stappen overheden, bedrijven, maatschappelijke organisaties gaan zetten om toe te werken naar de beoogde CO2-reductie waarbij ook de informatievoorziening naar burgers en bedrijven een belangrijke gezamenlijke verantwoordelijkheid is.