Inbreng SO ontwerp­be­sluit wijziging van het Besluit gebruik mest­stoffen


24 juni 2014

De leden van de fractie van de Partij voor de Dieren hebben met afkeuring kennis genomen van het ontwerpbesluit houdende wijziging van het Besluit gebruik meststoffen en willen graag nog enkele vragen beantwoord zien.

De leden van de fractie van de Partij voor de Dieren zien dat de meeste maatregelen zien op uitvoering van het vijfde actieprogramma nitraatrichtlijn. Zij hebben er al eerder op gewezen dat naar hun mening deze aanpak, die zich alleen richt op end-of-pipe maatregelen in plaats van een echt effectieve aanpak aan de bron, zonde is van tijd en geld. Alleen het verminderen van de mestproductie in Nederland door een forse krimp van de veestapel kan naar mening van de leden van de Partij voor de Dieren-fractie de grote problemen die het enorme Nederlandse mestoverschot met zich meebrengt oplossen.

De leden van de fractie van de PvdD hebben met grote zorg kennis genomen van de voorgenomen vrijstelling voor het gebruik van runderdrijfmest ter bestrijding van winderosie. Het is de leden duidelijk dat de staatssecretaris het economisch belang van enkelen hier voorrang geeft boven het publieke belang van een gezond milieu. Niet duidelijk is waarom zij hiervoor kiest. Zij geeft zelf aan dat er prima alternatieven beschikbaar zijn, en dat de Technische Commissie Bodem deze maatregel ten sterkste afraadt. In tegenstelling bij wat zij onder punt 4. Milieueffecten aangeeft, heeft zij de te verwachte negatieve gevolgen van deze maatregel voor het milieu niet beschreven. De leden van de PvdD-fractie zien graag een uitgebreide beschrijving van deze milieueffecten tegemoet. Zij vragen de staatssecretaris daarbij ook in te gaan op de maatschappelijke kosten van deze milieueffecten. Zowel op de korte termijn, bijvoorbeeld extra beheermaatregelen in het kader van de PAS, als op de langere termijn, door een verslechtering van het oppervlakte- en grondwater en het niet of pas later en tegen meer kosten halen van de doelen van de Kaderrichtlijn Water en de Nitraatrichtlijn. De staatssecretaris schrijft dat de besparing voor ondernemers door deze maatregel ongeveer 50 euro per hectare is, de TCB schrijft dat de alternatieven goede resultaten geven en niet veel duurder zijn. De de leden van de Partij voor de Dieren-fractie zien dat ook geen enkele overtuigende reden om de negatieve milieueffecten van deze maatregel maar te accepteren. Graag een nadere onderbouwing van deze keuze. Ook de TCB constateert dat een onderbouwing van deze keuze ontbreekt. Waar heeft het kabinet eigenlijk adviesorganen zoals de TCB voor als hun adviezen in de wind worden geslagen?

De leden van de PvdD-fractie kunnen het gezien de nog steeds grote overbemesting in grote delen van ons land goed voorstellen dat de staatssecretaris de norm voor fosfaat verlaagt. Zij willen de staatssecretaris echter graag een vraag stellen over de handhaving ervan. Kan de staatssecretaris toelichten op welke wijze deze norm, en de norm voor stikstof, gehandhaafd worden? De leden van de PvdD-fractie willen de staatssecretaris hierover graag een casus voorleggen. Een bezorgde inwoner van Zeeland meldde aan deze leden de volgende situatie: Een weiland tegenover deze meneer, dat grenst aan een natuurgebied, wordt volgens hem 6 tot 8 keer per jaar bemest. Deze meneer had sterk de indruk dat de normen overschreden werden op dit perceel, en nam daarover contact op met de NVWA. Hij ontving het volgende antwoord:

“Op basis van het uitrijden van dierlijke meststoffen op één perceel van het bedrijf kan niet nagegaan worden of het bedrijf aan de mestregelgeving, het stelsel van gebruiksnormen voldoet. Om te beoordelen of een bedrijf aan de mestwetgeving (stelsel van gebruiksnormen) voldoet moet een rekensom gemaakt worden. De basis voor die berekening staat in de meststoffenwet zelf. In het kort komt het hierop neer dat op basis van de beginvoorraad, productie, aanvoer, afvoer en eindvoorraad van dierlijke meststoffen op een bedrijf wordt berekend of het bedrijf binnen de wettelijke gebruiksnormen blijft. Bij een controle of een bedrijf voldoet aan de gebruiksnormen moeten de hiervoor genoemde posten worden gecontroleerd waarna berekend wordt hoeveel mest er op het bedrijf is gebruikt en daar moet het bedrijf dan voldoende landbouwgrond voor hebben. De berekening of een veehouder aan de mestwetgeving heeft voldaan wordt dus niet gedaan op basis van het aantal keren dat er mest uitgereden is op een perceel. Dat zou ook lastig zijn omdat niet bekend is hoeveel m3 er daadwerkelijk wordt uitgereden gedurende een heel jaar en wat het gehalte aan stikstof en fosfaat is van die mest van het eigen bedrijf wat wordt uitgereden”.

Kan de staatssecretaris hierop reageren? Vindt zij dat de NVWA in dit geval adequaat heeft opgetreden? Enkele maanden geleden heeft een woordvoerder van de ZLTO zelf aangegeven dat waarschijnlijk 40% van de mest in het zuiden van Nederland illegaal verhandeld wordt[1], kan de staatssecretaris zich dat herinneren? Dit gegeven, dat de staatssecretaris niet kon bevestigen noch ontkennen, is volgens de leden van de PvdD-fractie een teken aan de wand dat erop kan duiden dat de fosfaat- en stikstofnormen op grote schaal overschreden worden, om makkelijk af te kunnen komen van illegale mest. Graag een reactie. Deelt de staatssecretaris de mening dat het controleren van de bemestingsnormen een onmisbaar onderdeel is van een effectieve aanpak van de overbemesting en de illegale handel in mest? Zeker wanneer de NVWA een melding binnenkrijgt over het vermoeden dat door een bedrijf de bemestingsnormen (fors) worden overtreden? Zo ja, op welke wijze wil zij dit gaan vorm geven? Zo nee, waarom niet, en op welke wijze wil zij dan overbemesting en fraude met mest effectief gaan bestrijden?

[1] http://www.boerderij.nl/Home/Nieuws/2014/1/Zwarte-mest-remt-mestverwerking-1439310W/