Inbreng SO Nationale teelt­be­voegdheid genetisch gema­ni­pu­leerde orga­nismen


22 december 2014

Inbreng Partij voor de Dieren Schriftelijk Overleg Nationale teeltbevoegdheid genetisch gemodificeerde organismen

De leden van de Partij voor de Dieren-fractie hebben kennis genomen van het compromis dat is bereikt tussen de Raad, het Europarlement en de Europese Commissie over de nationale bevoegdheid om teelt van genetisch gemanipuleerde gewassen te beperken of te verbieden, en ook van de kabinetsappreciatie daarvan. Zij willen graag nog enkele vragen daarover stellen.

Voor de leden van de fractie van de Partij voor de Dieren is het van groot belang dat landen zelf kunnen bepalen of zij teelt van gentechgewassen op hun grondgebied wel of niet willen toestaan. Op dit moment worden landen door de Europese Commissie gedwongen om akkoord te gaan met dit soort teelten. Dat, terwijl de teelt van genetisch gemanipuleerde gewassen risico’s met zich meebrengt. Vermenging van gentechteelten met wilde planten en met gewassen van biologische en gangbare boeren is bijna niet te voorkomen, terwijl heel veel consumenten – terecht – geen gentech in hun voedsel willen. De leden van de PvdD-fractie vinden het dus een goede zaak dat er nieuwe regelgeving in de maak is waardoor landen de teelt van gentech in hun land kunnen beperken of verbieden. De juridische houdbaarheid van deze regels, de procedure om te komen tot een beperking of een verbod en de gronden waarop landen dat wel en niet mogen doen, zijn echter lastige punten in de discussie over deze nieuwe regels. De leden van de Partij voor de Dieren vrezen dat het huidige compromisvoorstel landen te weinig ruimte en juridische zekerheid biedt om te komen tot verboden op de teelt van gentechgewassen. Om deze reden heeft de PvdD-fractie begin dit jaar een motie ingediend om de inzet van Nederland voor deze nieuwe regels aan te scherpen. De motie, die werd aangenomen door een meerderheid van de Kamer, vroeg de regering om extra gronden voor een verbod op gentechgewassen in te brengen in het voorstel dat op dat moment werd bediscussieerd door de lidstaten. De Kamer vindt dat sociaal-economische en ethische overwegingen, aanvullende milieugronden zoals de effecten van extra bestrijdingsmiddelengebruik bij gengewassen, het toepassen van het voorzorgsbeginsel,
het willen vrijwaren van conventionele en biologische landbouw van besmetting met ggo’s en het willen garanderen van keuzevrijheid van consumenten, allen als reden moeten kunnen gelden om een verbod op gentechgewassen te kunnen instellen. Vindt de staatssecretaris al deze redenen terug in het huidige compromisvoorstel, waar zij van plan is om mee in te stemmen? De leden van de PvdD-fractie zouden het op prijs stellen als de staatssecretaris in haar antwoord op elk van de genoemde gronden in zou gaan, en zou willen aangeven in welke mate en op welke wijze het huidige voorstel aan de motie tegemoet komt.

Een groot aantal van de aanvullingen op het voorstel waar de motie van de Partij voor de Dieren-fractie om verzocht, is later ook ingebracht als amendement door het Europees parlement. Deze amendementen zijn besproken in een triloog tussen de EU, de Raad en het Europarlement. Uit het compromisvoorstel dat nu voorligt blijkt dat een zeer groot aantal amendementen gewoonweg is afgeschoten door de Raad, en dus niet terugkomt in het voorstel dat nu naar alle waarschijnlijkheid zal worden aangenomen en omgezet zal worden in wetgeving. Hoe kijkt de staatssecretaris terug op deze triloog? Wat is de inzet geweest van Nederland? Op welke manier heeft ze de wens van de Kamer, om bijvoorbeeld aanvullende milieucriteria mee te nemen als grond voor een verbod, geprobeerd uit te voeren? En als ze dat inderdaad heeft geprobeerd, welke landen lagen dan dwars in het omarmen van deze wens van het Europarlement en de Kamer?

Een van de belangrijkste discussies over welke gronden wel en niet mogen worden gebruikt om over te gaan tot een verbod op een specifiek gewas, gaat over de aanvullende milieudoelen, die dus niet al aan de orde zijn geweest in de risicobeoordeling van de EFSA (European Food Safety Authority), zoals bijvoorbeeld het effect dat een bepaald gengewas kan hebben op het gebruik van bestrijdingsmiddelen. Het effect van herbicidetolerante gentechgewassen blijkt immers te zijn dat er veel meer landbouwgif gebruikt wordt dan bij andere gewassen. De leden van de Partij voor de Dieren vinden het van groot belang dat een lidstaat dit gegeven kan gebruiken om een verbod op gengewassen te rechtvaardigen.

Een andere belangrijke reden om een nationaal verbod op gentech te willen afkondigen, kan het beschermen van de biologische en gangbare landbouw zijn tegen onbedoelde vermenging met gengewassen. Deze grond was eerder onderdeel van het voorstel zoals dat besproken werd in de Europese Raad. Kan de staatssecretaris aangeven in hoeverre deze grond nog onderdeel uitmaakt van het compromisvoorstel? Deze grond was ook expliciet opgenomen in de aangenomen motie over aanvullende voorwaarden aan het teeltvoorstel. Toch lezen zij in kabinetsbrieven over dit voorstel dat de staatssecretaris zich verzet tegen opname van ‘landbouwdoeleinden’ als grond voor een nationale verbod of beperking. Is de staatssecretaris bereid dit verzet te staken en gewoon de gehele motie goed uit te voeren?

De leden van de PvdD-fractie hebben tevens grote moeite met het verzet van de staatssecretaris tegen het opnemen van een passage over het instellen van wettelijke voorzieningen over co-existentie. Co-existentiemaatregelen zijn absoluut noodzakelijk om gangbare en biologische teelten te beschermen tegen besmetting met gentechgewassen, kan de staatssecretaris dat bevestigen? De staatssecretaris zegt dat dit aspect in Nederland al goed geregeld is, en dat wetgeving op dit punt overbodig zou zijn. De leden van de PvdD-fractie betwijfelen of het in Nederland wel zo goed geregeld is, en of boeren dit toch besmet zijn geraakt wel afdoende gecompenseerd zullen worden. Maar de discussie hier is natuurlijk breder: niet in elk land zijn er op dit punt al afspraken gemaakt, kan de staatssecretaris dat bevestigen? En de grensoverschrijdende co-existentie, om het risico af te dekken dat bijvoorbeeld Belgische gentechteelten Nederlandse oogsten besmetten zonder dat de Nederlandse boeren dan in aanmerking komen voor schadevergoedingen, lijkt de leden van de PvdD-fractie bij uitstek een punt om Europees te regelen. Waarom verzet de staatssecretaris zich daartegen? Is zij bereid haar voorbehoud op dit punt te laten varen?

Volgens de leden van de fractie van de Partij voor de Dieren hebben de gentechfabrikanten met deze nieuwe regels nog steeds een veel te grote invloed op het beleid van de lidstaten. Voordat een land een verbod of beperking in kan stellen moet ze aan de aanvrager van de toelating van een specifiek gentechgewas vragen of haar land, of een gedeelte ervan, buiten de toelatingsaanvraag gehouden mag worden. Dat vinden de leden van de PvdD-fractie niet acceptabel. Zij vinden dat de bedrijven hiermee veel te veel macht krijgen, is de staatssecretaris dat met hen eens? Zo nee, waarom niet? De leden van de PvdD-fractie vinden het ook van groot belang dat een regering op elk moment een toelating kan heroverwegen. Met andere woorden, als er al een gentechgewas is goedgekeurd voor teelt in een land, en er zijn redenen dat deze toelating wordt beperkt of in het geheel wordt ingetrokken, moet dat mogelijk zijn. Deze leden wijzen bijvoorbeeld op de mogelijkheid dat veranderde politieke omstandigheden de belangrenafweging meer in het voordeel van milieubescherming en keuzevrijheid zullen doen uitvallen. Het voorstel zoals dat tot nu toe werd besproken creëerde deze mogelijkheden niet. Een toelating werd daarin als het ware onherroepbaar, tenzij er wetenschappelijk onderbouwde nieuwe feiten zouden zijn van onaanvaardbare milieurisico’s. En zelfs dan, werd de bevoegdheid om een toelating in te trekken, beperkt door de welwillendheid van de Europese Commissie, die een eindoordeel over de aangevoerde redenen en hun wetenschappelijke onderbouwing zou geven. De leden van de PvdD-fractie vinden dit onverteerbaar, en niet in lijn met de geest van het voorstel, waarin de bevoegdheden voor het al dan niet toestaan van gentechteelt op hun grondgebied juist weer bij de lidstaten zou komen te liggen. Op welke manier wordt er in het huidige voorstel omgegaan met reeds afgegeven toelatingen voor teelt van gentech in een land? En hoe ziet de staatssecretaris dat in het licht van de bezwaren die de leden van de Partij voor de Dieren-fractie daar bij hebben?

De leden van de fractie van de Partij voor de Dieren horen graag hoe de planning van dit voorstel, en de later omzetting ervan in wetgeving, er ongeveer uit zal zien. De nieuwe Europese Commissaris heeft ook aangekondigd aan de slag te willen gaan met een algehele herziening van de gentech-regelgeving, waarbij ook de toelatingsprocedure voor import van gentechgewassen uit andere landen op de schop zal worden genomen. Op welke termijn zal dit traject ingezet worden? Wat zal de inzet zijn van de Commissaris hierbij, en hoe staat de staatssecretaris daar in? Graag een reactie.