Bijdrage Ouwehand AO Land­bouwgif


22 december 2014

Bijdrage Ouwehand AO Landbouwgif

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Voorzitter. Nederland is een bijzonder land: veel mensen, veel oppervlaktewater, veel intensieve landbouw. Dat heeft zo zijn voordelen, maar het heeft ook nadelen. Samen met Korea en Japan staat Nederland in de top drie van landen met het hoogste gifgebruik per hectare. Vroeger leek dat een voordeel, omdat het ons veel voedsel opleverde, maar langzaam groeit het besef dat daar ook grote nadelen aan kleven. Insecten, zoals de bijen en de vlinders, die we nodig hebben om onze gewassen en wilde planten te bestuiven, sterven door het gif. Weidevogels, die deze insecten nodig hebben als voedsel, worden steeds zeldzamer. En mensen die langs de akkers wonen, lopen risico's met hun gezondheid. Luchtwegproblemen, huidaandoeningen en ontwikkelingsachterstand bij kinderen behoren tot de reële risico's van het leven op het platteland als daar met gif wordt gespoten.

Het besef groeit dat het zo niet langer kan en dat we het voorzorgsbeginsel moeten hanteren. Een meerderheid van de Kamer heeft vijf verschillende moties gesteund om een verbod in te stellen op het gebruik van gif dat risico's met zich brengt voor de gezondheid van bijen: de neonicotinoïden, glyfosaat en hormoonverstorende stoffen. Die stoffen moeten niet alleen worden verboden voor gemeenten, maar ook particulieren moeten die niet meer gebruiken. Er zijn schimmelbestrijdingsmiddelen die een risico zijn voor de gezondheid van mensen, en er is ook nog metam-natrium.

Het kabinet is deze moties welwillend tegemoet getreden, dat moet ik eerlijk zeggen. Het heeft eerst geprobeerd de Europese aanpak te volgen. Ik heb er dan ook vertrouwen in dat het kabinet serieus met de zorgen van de Kamer om wil gaan. Maar we moeten dan wel concluderen dat de analyse van het kabinet van de mogelijkheden om deze moties ook uit te voeren, wat hiaten heeft. Het parlement is hier om het kabinet te controleren, maar ook om mee te denken over routes die we zouden kunnen bewandelen om ervoor te zorgen dat we kunnen doen wat deze Kamer wil, namelijk vanuit het voorzorgsbeginsel deze gifstoffen te verbieden. Dat heeft de Partij voor de Dieren gedaan, omdat we in de stukken van het kabinet een aantal belangrijke analyses misten. Omdat het te ver voert om dat in zes minuten te bespreken, heb ik een actieplan geschreven. Dat wil ik graag via de griffie overhandigen aan het kabinet. Ik heb voldoende exemplaren om ze ook uit te kunnen delen aan de woordvoerders.

Wat opvalt, is dat het kabinet stelt dat de juridische mogelijkheden om de moties uit te voeren beperkt zouden zijn. Er zitten echter een paar belangrijke elementen niet in de analyse van het kabinet. Er zijn andere Europese lidstaten waar al vergelijkbare verboden op het houden van deze middelen gelden. In Denemarken is bijvoorbeeld het gebruik van glyfosaat in zijn geheel verboden. In Hongarije gelden verboden op voor bijen gevaarlijke middelen. Polen heeft fipronil in de ban gedaan. Als zij dat kunnen, kunnen andere landen, zoals Nederland, dat ook. De regering hoeft niet bang te zijn voor juridische claims als zij de zogenaamde reguliere procedure opstart. Het kabinet hanteert de veronderstelling dat er een causaal verband moet zijn, voordat je überhaupt een procedure mag opstarten waarin je zegt: we zijn bezorgd over de gevaren van deze middelen en we willen graag ons voornemen uitspreken om die van de markt te halen. Je hoeft dat causale verband echter niet aan de voorkant van de procedure op te starten. Dat kan tijdens die procedure blijken.

Ik wijs de regering op uitspraken van het Europese Hof. De regering zegt namelijk dat zij het voorzorgsbeginsel niet kan hanteren, omdat de verordening die hierover gaat, zelf al vorm zou geven hieraan. Het Europese Hof zegt echter dat het voorzorgsbeginsel juist van het bevoegde gezag vereist dat zij passende maatregelen neemt om specifieke potentiële risico's voor de menselijke gezondheid, de veiligheid en het milieu te voorkomen door de bescherming van die belangen zwaarder te laten wegen dan economische belangen. De artikelen van de verordening waar het kabinet naar verwijst, moeten er dan ook in het licht van het voorzorgsbeginsel uit worden gelegd. Tijdens een reguliere procedure wordt via hoor en wederhoor onderzocht of het middel nog voldoet aan de toelatingseisen en of het middel tot onaanvaardbare effecten leidt. De Partij voor de Dieren wijst erop dat dit bewijs ook volgens uitspraken van het Europese Hof niet al geleverd hoeft te zijn voorafgaand aan het opstarten van deze procedure. Wetenschappelijke onzekerheid is voldoende om maatregelen te nemen ter bescherming van mens of milieu. Dat blijkt immers ook uit eerder uitspraken van het Europese Hof.

De Partij voor de Dieren vertrouwt het kabinet op de wens om moties die zijn aangenomen door deze Kamer ook daadwerkelijk uit te voeren. We constateren dat in de juridische analyse die het kabinet heeft gemaakt, een aantal belangrijke vormen van jurisprudentie ontbreken. Dat biedt kansen. Ik wil het kabinet dan ook oproepen om goed te kijken naar de mogelijkheden die er wel degelijk liggen, zodat de moties alsnog kunnen worden uitgevoerd en de gifstoffen waar de Kamer haar zorgen over heeft uitgesproken, de schimmelbestrijders, de neonicotinoïden, glyfosaat en metam-natrium, via de daartoe geëigende wegen en het opstarten van de reguliere procedure van de markt worden gehaald. De notitie die ik zojuist heb aangeboden, zou daar een goede basis voor kunnen zijn.

De heer Geurts (CDA): Ik vind dat mevrouw Ouwehand wel heel grote stappen zet. Er is een vermoeden en dan gaan we gelijk onze hele voedselproductie in Nederland maar als een eiland beschouwen en gaan we die in gevaar brengen. Ik wil mevrouw Ouwehand nog eens wijzen op een artikel in Trouw dat gaat over het lievelingsvoedsel van bijen. Daarin wordt ernaar verwezen dat we bepaalde bloemenmengsels zaaien in Nederland en dat, als we een ander bloemenmengsel zouden zaaien, het al een stuk beter kan gaan met de bijen.

Verder stond in augustus 2014 een artikel in de Elsevier over de grote groene gifgekte. Ik wil dat ook even voorleggen aan mevrouw Ouwehand. In dat artikel staat: er is een samenhang, maar er is geen oorzakelijk verband. Probeert mevrouw Ouwehand nu om, zoals in dit artikel staat, te bewijzen dat de ooievaars baby's brengen? In de meeste Nederlandse provincies is er namelijk een samenhang tussen het aantal geboortes en het aantal ooievaars. Dat is een samenhang, maar nog geen oorzakelijk verband. Ik krijg hier graag een reactie van mevrouw Ouwehand op.

De voorzitter: We zitten in de tijd van bijzondere verhalen.

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Ik constateer dat het CDA buitengewone belangstelling heeft voor de voortplanting in Nederland. Waar het CDA natuurlijk naartoe wil, is dat we blijven handelen zoals we tot nu toe hebben gedaan. De middelen zijn toegelaten en wat de waarschuwingen ook zijn over de mogelijke risico's, we blijven de middelen toepassen. Als dat betekent dat we over tien jaar grote dikke spijt hebben, dan vindt het CDA dat prima. De Partij voor de Dieren vindt dat niet en heeft daarom een motie ingediend, met steun van een meerderheid van de Kamer -- niet van het CDA -- waarin de regering wordt opgeroepen om het voorzorgsbeginsel toe te passen. De Partij van de Dieren wijst op de wetenschappelijke waarschuwingen over de effecten van deze gifstoffen. Ik noem er een: de groep neonicotinoïden. Die gifstoffen kunnen wel 7.000 keer sterker zijn DDT. We weten allemaal dat we van DDT grote spijt hebben gekregen. De Partij voor de Dieren wil dat drama niet nog een keer laten gebeuren en zegt dus dat we vanuit het voorzorgsbeginsel die middelen beter van de markt kunnen houden totdat is aangetoond dat het zeker weten geen kwaad kan. Dan draai je het dus om.

De heer Geurts (CDA): Ik had een vrij brede vraag gesteld en ik hoopte ook op een vrij breed antwoord, maar ik krijg eigenlijk helemaal geen antwoord.

Het CDA is een gezinspartij en dus hebben wij inderdaad belangstelling hebben hoe het allemaal tot stand komt. Dat klopt. De manier waarop de Partij van de Dieren dat probeert te ventileren en naar buiten draagt, dat vind ik echter zeer ernstig. Want nogmaals, er kan een samenhang zijn, maar er hoeft nog geen oorzakelijk verband te zijn. Ik maak mij er toch wel wat zorgen over dat mevrouw Ouwehand op deze manier, zonder wetenschappelijke onderbouwing, de voedselproductie in Nederland ernstig in gevaar gaat brengen.

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Dat bestrijd ik. Als je op de korte termijn kijkt, dan lijkt het gebruik van kunstmest en pesticiden inderdaad altijd winstgevend te zijn, maar op de lange termijn, als we de bijen daadwerkelijk verliezen als belangrijke bestuivers van onze voedselgewassen, dan kan de schade voor de landbouwsector oplopen tot 3,8 miljard euro per jaar. Ook als je sec vanuit het landbouwperspectief zou willen kijken -- de Partij voor de Dieren kijkt ook heel graag naar de volksgezondheid in het algemeen en naar de toekomst van de aarde en het behoud van de ecologie als waarde in zichzelf -- dan lijkt me dat alleen al reden om voorzichtig te zijn en niet alleen te kijken naar de kortetermijnwinsten van een jaar lang alle mogelijke schades aan je gewassen voorkomen door alles dood te spuiten of via deze nieuwe methode dood te maken, maar ook voor de lange termijn te kijken wat dit betekent voor de landbouw. Samenwerken met de natuur levert op de lange termijn toch echt meer op dan met chemische middelen alles doodspuiten. Bijen zijn gratis helpers voor de landbouw. Als we ze verliezen, kost ons dat wel 3,8 miljard euro. Dat zou voor het CDA ook een onwenselijk scenario moeten zijn.

Mevrouw Jacobi (PvdA): Het is jammer dat er zo'n discussie ontstaat bij het debat over vergroening. Ik denk dat alle mensen op de tribune en hier achter de tafel vinden dat wij naar een wereld moeten waarin we stappen zetten voor de gezondheid van mens, dier, milieu en water. Mijn vraag gaat over het juridische kader. Ik weet zeker dat de staatssecretaris ook graag wil dat imidacloprid en neonicotinoïden worden verboden, net als de Partij voor de Dieren.

De voorzitter: U moet een vraag stellen aan mevrouw Ouwehand.

Mevrouw Jacobi (PvdA): De vraag heeft een beetje een kader nodig, zo simpel is de wereld hier niet.

De voorzitter: Ik proef nu een beetje de inbreng van uw eigen eerste termijn.

Mevrouw Jacobi (PvdA): Het zou kunnen dat ik straks hetzelfde ga vertellen.

De voorzitter: Dat vermoedde ik al. Dus graag een vraag stellen aan mevrouw Ouwehand.

Mevrouw Jacobi (PvdA): Ik ben bezig. We moeten niet al te gestrest worden. We hebben drie uur de tijd.

Voor het juridische kader hebben we de regels in Europa blijkbaar zo vastgesteld dat de Partij voor de Dieren nu zegt: wij kunnen met ons actieplan aangeven hoe het anders zou kunnen. Maar dat juridische kader is zwaar verordend. Hoe denkt mevrouw Ouwehand in een tijdsbestek van een of twee jaar de strijd daar zo te kunnen leveren, dat we ook de vergroening ten dienste kunnen zijn? Ik ben bang dat we alleen maar gaan juridiseren en minder gaan vergroenen. Dat zou ik hartstikke zonde vinden.

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Als ik mevrouw Jacobi goed beluister, dan vraagt zij eigenlijk: vindt de Partij voor de Dieren dat de verordening misschien niet helemaal deugt en moet worden aangepast? Als deze Kamer op basis van het voorzorgsbeginsel en de wetenschappelijke waarschuwingen die stoffen van de markt wil halen en als de verordening ons dan tegenhoudt, dan zeg ik: ja, mevrouw Jacobi, dan moeten we die verordening zeker aanpassen. Maar binnen het kader dat er nu ligt, heeft de Partij voor de Dieren uitspraken van het Europese Hof gevonden die, als ik het goed heb gelezen, nog niet zijn meegenomen in de analyse van het kabinet waarom deze moties niet zouden kunnen worden uitgevoerd. Ik vraag het kabinet daarom om daar opnieuw naar te kijken. We werken dus ook samen, want ik vertrouw de staatssecretaris erop dat zij wel degelijk alle kansen wil benutten die er zijn. Ik denk echter dat er misschien dingen over het hoofd zijn gezien. Die lever ik haar nu aan. Ik denk dat er nu al binnen de bestaande kaders mogelijkheden zijn om de moties uit te voeren. Ik vraag het kabinet om daar zorgvuldig naar te kijken. Als de verordening het voorzorgsbeginsel in de weg zou staan, dan moet die aangepast worden, want we kunnen niet in Nederland, maar ook niet in andere Europese lidstaten, risico's nemen met de volksgezondheid om de economische belangen te beschermen.

Mevrouw Jacobi (PvdA): Dat zou kunnen. Mag ik van de Partij van de Dieren vragen of zij de staatssecretaris in ieder geval steunt in de opvatting dat wat we allemaal kunnen bevechten in Europa van veel groter belang is dan alleen proberen vooruit te lopen en uiteindelijk onze buurlidstaten te verliezen, waardoor we kans lopen op zwarte handel en dergelijke?

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Dat vind ik een nieuw argument. De Partij van de Arbeid was het eens met de Partij voor de Dieren dat het Europese traject te weinig bescherming biedt. We vroegen namelijk eerst om een Europees moratorium op die neonicotinoïden. Er ligt nu een Europees plan, maar daarvan hebben we geconstateerd dat dat te weinig doet. De Partij van de Arbeid heeft toen de motie van de Partij voor de Dieren gesteund om dan in elk geval nationaal een verbod in te stellen. Ik neem aan dat de Partij van de Arbeid daar nog steeds achter staat en dat als de juridische mogelijkheden er zijn, we dat ook doen. Tegelijk moeten we natuurlijk kritisch zijn en blijven op Europese richtlijnen en verordeningen. Als we samen vinden dat de volksgezondheid voorop moet staan, dan moet die ruimte er zijn in de richtlijnen en verordeningen. Als blijkt dat dat niet het geval is, dan moeten we dat veranderen, zeker.

De heer Dijkgraaf (SGP): Ik ben het met mijn collega's eens dat aangenomen moties uitgevoerd moeten worden. Ik heb daar ook een historie in. De regering heeft echter ook wel een titel om te zeggen: we doen het in dit geval toch niet. Dat kan of omdat het juridisch niet uitvoerbaar is -- dat is hier volgens mij het geval -- of als ze aan kan tonen dat de onderliggende dingen eigenlijk niet kloppen. Over dat laatste punt heb ik een vraag. Op het onderzoek waaruit een duidelijk negatief effect tussen imidacloprid en de vogelstand zou blijken, zijn allerlei reacties gekomen van wetenschappers, die zeggen dat dit wetenschappelijk niet klopt. Zouden we, gezien het belang van deze middelen, het voorzorgsbeginsel niet zo moeten hanteren dat we dan wel zeker moeten weten dat er een probleem is, voordat we dit soort vergaande stappen gaan nemen?

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Nee, het is juist andersom. Het voorzorgsbeginsel zegt niet: we moeten uit voorzorg de economische belangen beschermen. Het voorzorgsbeginsel zegt: we moeten uit voorzorg voorkomen dat er onaanvaardbare risico's worden genomen met de gezondheid van mens en milieu. Vanuit dat beginsel is er een uitspraak van het Europese Hof dat het bevoegd gezag niet alleen de ruimte heeft om op te treden als er aanleiding is om te denken dat er risico's genomen worden, potentiële risico's zelfs, maar ook de verplichting om dat daadwerkelijk te doen. Dus tenzij de heer Dijkgraaf namens de SGP wil zeggen dat het voorzorgsbeginsel wat hem betreft geldt voor de bescherming van de economische belangen en niet voor de bescherming van volksgezondheid en milieu -- dan zou hij echter een fors probleem hebben met de Grondwet en ook met de Europese rechtspraak -- denk ik dat die ruimte er wel degelijk is.

De heer Dijkgraaf (SGP): Misschien moeten we het bij een andere gelegenheid eens over de Grondwet hebben, want daar zie ik het voorzorgsbeginsel niet in terug. Ik zou zo niet weten in welk artikel.

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Artikel 21.

De heer Dijkgraaf (SGP): Dan gaan we daar nog eens een uitvoerige discussie over voeren, want volgens mij moet je dat artikel dan wel heel breed interpreteren. Mijn kernvraag was echter: hoe weegt mevrouw Ouwehand het wetenschappelijke bewijs. Er lag volgens mevrouw Ouwehand een bewijs, maar dat is door deskundige wetenschappers deskundig onderuit gehaald. Betekent dat dan helemaal niets en geldt het voorzorgsbeginsel voor elk vermoeden dat een politieke partij maar heeft? Of is het misschien ook wel goed dat, als zoiets ingrijpende gevolgen heeft, je het dan ook goed onderbouwt?

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Ik volg hierin de staatssecretaris. Zij deelt de zorgen die op basis van het artikel in Nature naar voren zijn gekomen. Het is ook niet de enige studie die ons erop wijst dat de toetsingskaders op basis waarvan we middelen hebben toegelaten in Nederland en Europa, achterlopen op nieuwe wetenschappelijke inzichten. De Partij voor de Dieren vindt dat je dat serieus moet nemen en de staatssecretaris vindt dat ook. Zij heeft ook een aantal stappen gezet om daar gevolg aan te geven. Ze wil bijvoorbeeld dat de meetgegevens eerder beschikbaar komen. Ik denk dan ook dat er geen verschil zit tussen de appreciatie van het kabinet en die van de Partij voor de Dieren dat dit serieuze aanwijzingen zijn. Daar gaat de Partij voor de Dieren op verder en wijst erop dat wetenschappelijke onzekerheid voldoende is om maatregelen te nemen. Dus het vermoeden dat iets weleens een gevaarlijke stof zou kunnen zijn en dat dat vervelend zou kunnen zijn voor de volksgezondheid en de ecologie, biedt het kabinet de gelegenheid om op te treden. Daar wijst de Partij voor de Dieren op.

Beantwoording door het kabinet:

Staatssecretaris Dijksma: Voorzitter. Ik stel voor dat ik in vier blokken antwoord. Ik zal beginnen met het blok neonicotinoïden. Daarna kom ik op het thema van de vrijstellingen. Vervolgens behandel ik het thema metam-natrium. Dan heb ik nog een blok "overig".

Allereerst spreek ik over het verbod op de neonicotinoïden. Ik dank mevrouw Ouwehand voor haar actieplan. Ik ga dat goed bestuderen, want zij doet daarin een aantal suggesties. Het is goed om te lezen dat zij met mij van mening is dat een onmiddellijk verbod op neonicotinoïden inderdaad juridische haken en ogen kent. We hebben de afgelopen tijd lang met elkaar daarover gediscussieerd. Dat valt nu ook te lezen in het schrijven van de fractie van de Partij voor de Dieren. Verschillende onderwerpen worden langsgelopen. Het doet recht aan hun opmerkingen om de thema's die zij aanstipt, stuk voor stuk schriftelijk van een reactie te voorzien.

Eén ding zou ik alvast willen zeggen. Er wordt verwezen naar openbaarmaking van gegevens. Op zichzelf is dat iets waarvan wij eerder met elkaar hebben vastgesteld dat het heel nuttig en goed kan zijn. Ook daar hebben we echter gemerkt dat er juridische haken en ogen aan zitten. Zoals bekend heeft het Ctgb inmiddels een procedure aan de broek gekregen, om het even huiselijk te zeggen, omdat men een aantal zaken wilde vrijgeven. Ik vind dat heel jammer. Misschien mag ik van de gelegenheid gebruikmaken om mijn mening hierover te geven. Ik denk namelijk dat dit ons in het debat niet verder helpt, maar het staat de industrie natuurlijk vrij om een rechtszaak aan te spannen als zij meent dat dat in haar belang is. Maatschappelijk gezien denk ik dat het in ons aller belang is dat we gegevens zo veel mogelijk in de openbaarheid met elkaar bediscussiëren. Zeker als je denkt dat je een sterke zaak hebt, zal die alleen maar worden gediend door openbaarheid. Ik zie dus dat er belemmeringen zijn, maar ik heb er ook wel een opvatting over, die ik de Kamer dan maar even gratis en voor niets meegeef.

Door verschillende leden is gesproken over het onderzoek dat recent in Nature is gepubliceerd. Daarin staat dat er misschien wel een correlatie is, maar geen causaal verband. De discussie gaat over de vraag of je op basis van zo'n onderzoek een reguliere procedure kunt starten. Je zou kunnen zeggen dat ik dat heb gedaan. Ik heb het Ctgb namelijk gevraagd om als eerste stap van zo'n procedure dat onderzoek van Nature te beoordelen als het gaat om neonicotinoïden. Ik zal zo meteen nog iets over metam-natrium zeggen. Als je een vervolgstap wilt zetten, is het wel noodzakelijk dat je ook bewijs vergaart om vast te stellen dat dit middel verboden zou moeten worden. Het Ctgb is juridisch gehouden om, wanneer het vaststelt dat er al maatregelen zijn genomen om de concentraties van imidacloprid in het oppervlaktewater terug te dringen, vervolgens ook de uitwerking van die maatregelen af te wachten. Het onderzoek gaat over de periode voorafgaand aan de recente wijzingen die mede dankzij inspanningen vanuit Nederland zijn opgetreden in de toelating van het middel.

Verschillende leden hebben gevraagd wat de beste of meest kansrijke vervolgstap is. Die is om nu snel duidelijkheid te krijgen over de effectiviteit van de recente maatregelen. Om die reden heb ik gevraagd om een versneld inzicht daarin. Ik denk dat de heer Dijkgraaf wijze woorden sprak toen hij zei dat je er toch wel bewijs voor zult moeten leveren dat een aantal zaken direct met elkaar in verband staat. Dat neemt niet weg dat het onderzoek in Nature mij natuurlijk wel zorgen baart. Dat is de reden waarom ik de actie heb ingezet om het voor te leggen aan het Ctgb. Nu uit die onderzoeken niet blijkt dat er een causaal verband is en nu men zegt dat er door nieuwe maatregelen al een effect is op bijvoorbeeld het oppervlaktewater, is het zaak om die gegevens versneld in handen te krijgen. Uiteindelijk geldt ook hier: "the proof of the pudding is in the eating".

(…)

Staatssecretaris Dijksma: Sinds mijn aantreden ben ik samen met de Kamer aan de slag geweest met dit onderwerp. Er is heel lang over gediscussieerd in het parlement. Als bewindspersoon heb ik het geagendeerd in de Europese Landbouwraad. Daarmee heb ik bewerkstelligd dat de EFSA de neonicotinoïden versneld is gaan herbeoordelen. Mogelijk was dat niet snel genoeg naar de smaak van de heer Smaling, maar het is wel gebeurd. Dat heeft voor een aantal middelen alvast geleid tot een beperking van het gebruik. De heer Smaling zegt dat dit hem nog niet ver genoeg gaat, omdat hij eigenlijk toe wil naar een principieel verbod. Een principieel verbod kan alleen als je kunt aantonen dat het gerechtvaardigd is. Nu zijn we bezig om op basis van onderzoeken die ons zorgen baren maar die niet precies die bewijslast opleveren en te bekijken wat de maatregelen die zijn genomen, in de praktijk waard zijn. Klopt het wat de heer Smaling zegt, dus dat het mooi is maar misschien niet genoeg? Dat zal de praktijk moeten bewijzen. Daarnaar laat ik onderzoek doen. Ik vraag me ook wel af wat je dan nog meer kunt doen. Mevrouw Ouwehand heeft gezegd nog wel een paar ideeën te hebben. Ik heb toegezegd om daar schriftelijk op te reageren. Voor een deel zijn het juridische noties. Ik vind het niet verstandig om die tussen neus en lippen door in dit debat af te doen. De Kamer krijgt daarop van mij dus een volwaardige reactie op papier. Ik denk dat ik daarmee doe wat ik kan.

(…)

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Ik weersta de verleiding om deze discussie nu te voeren. Juist op dit punt heb ik een opmerking gemaakt in mijn notitie. Ik ben heel blij dat de staatssecretaris zegt goed naar de notitie te zullen kijken en er een schriftelijke reactie op te zullen geven. Ik dank haar daarvoor. In mijn eerste termijn ging ik er een beetje overheen, maar ik heb zeker ook waardering voor het feit dat de staatssecretaris de gegevens snel wil. Zij zet al wel stappen. Dit wordt dus nog vervolgd.

Mijn vraag luidt als volgt. Het bericht heeft ons bereikt dat het Ctgb weer middelen met imidacloprid zoals Gaucho toestaat voor de opkweek ten behoeve van onbedekte teelt van sla en een aantal andere soorten. Klopt dat? Helpt dat, nu we nog midden in de discussie zitten over het wel of niet uitvoeren van de motie om deze middelen van de markt te halen?

Staatssecretaris Dijksma: Die vraag kan ik nu niet beantwoorden. Ik zal kijken of dat in tweede termijn lukt. Anders doe ik het later schriftelijk.

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Prima; dank.

(…)

Staatssecretaris Mansveld: Voorzitter. Ik begin met de motie van mevrouw Ouwehand en de heer Schouw, waarin werd verzocht om de verkoop van glyfosaat aan particulieren te verbieden. Ik heb in de brief van 28 maart aangegeven hoe ik deze motie uit wil voeren. Voor professioneel en particulier gebruik op verhardingen is er een gebruiksverbod per november 2015. Voor professioneel gebruik in overig groen heb ik een verbruiksverbod aangekondigd per november 2017, behoudens de uitzonderingen.

In de brief heb ik aangegeven dat ik de motie interpreteer als een verzoek om daadwerkelijk gebruik met bijbehorende risico's zo snel mogelijk te minimaliseren, met als uiteindelijk doel dat buiten de landbouw geen chemische gewasbeschermingsmiddelen meer worden gebruikt. De motie vraagt om een verkoopverbod aan particulieren, ook buiten verhardingen. Daarvoor ontbreekt de juridische grondslag. Ik heb dit laten checken en ik heb dit in maart 2014 ook gemeld aan de Kamer. Eerst moeten andere proportionele maatregelen zijn genomen en geëvalueerd, voordat tot een dergelijk verbod kan worden overgegaan. Een gebruiksverbod is pas juridisch houdbaar als alle andere maatregelen niet werken.

Er is geen licht tussen de Kamer en mij als het gaat om de doelstelling van de motie om het daadwerkelijk gebruik te minimaliseren, maar ik zet eerst in op andere middelen. Daarvoor ben ik in overleg met Tuinbranche Nederland, Nefito, de Raad Nederlandse Detailhandel. Ik ben in overleg over een green deal om het particulier gebruik terug te dringen. Mogelijke elementen in de green deal om dat te bereiken zijn bijvoorbeeld de aanwezigheid van voldoende expertise op een verkooppunt, voorlichting over open alternatieven, het juiste gebruik en een kleinere verpakte hoeveelheid. Daarnaast onderzoek ik de haalbaarheid en wenselijkheid van een kassacheck, om bij de aankoop gepaste voorlichting te geven. De eerste resultaten laten zien dat daar wel wat haken en ogen aan zitten. Ik kom zo nog even terug op de vraag van mevrouw Dik-Faber daarover.

De aanpak die ik heb gekozen, is effectief en brengt geen juridische risico's met zich mee. Zoals gezegd zal ik de maatregelen in 2016 evalueren. Dan moet de verkoop van glyfosaathoudende middelen aan particulieren minimaal zijn gehalveerd. Is dat niet het geval, dan ligt op dat moment de weg open voor verdergaande maatregelen. Daarbij kan men denken aan een gebruiksverbod voor overig gebruik in plaats van een verkoopverbod. Dat is juridisch minder kwetsbaar en het is proportioneel, omdat ik eerst heb geprobeerd met andere maatregelen dat doel te bereiken.

In Denemarken is het wel verboden, zei mevrouw Ouwehand. Ik heb de vorige keer ook gezegd dat Denemarken een gebruiksverbod heeft om bij kleigrond grondwatervervuiling door boeren te voorkomen, waardoor drinkwaterbronnen worden bedreigd. De EU-richtlijn voor duurzaam gebruik maakt gebruiksregulering mogelijk. Daarom doen wij dat voor verhardingen, om het oppervlaktewater schoon te houden. Het verkoopverbod kan niet op basis van het huidige instrumentarium. Dat kan alleen via de EU, in verband met een level playing field. Ik zeg dit om te voorkomen dat Denemarken en Nederland even snel met elkaar vergeleken worden, terwijl het om net iets andere zaken gaat.

(…)

De voorzitter: Mevrouw Ouwehand wil een vraag stellen. Iedereen heeft nu een interruptie gehad. Ik kijk naar de klok. Ik sta iedereen nog één interruptie toe, maar dat is een optie en geen verplichting, want anders komen we niet uit met de tijd.

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Ik was even op zoek of deze staatssecretaris ook blokjes heeft. Ik heb begrepen dat zij de vragen over round-up heeft beantwoord. Daar gaat mijn vraag over. Ik heb gezocht naar jurisprudentie, om mee te denken met het kabinet over hoe die moties wel kunnen worden uitgevoerd. De staatssecretaris van Economische Zaken heeft al gezegd dat zij goed zal bestuderen wat ik heb toegestuurd en daarop schriftelijk zal reageren. We kunnen ook nog de zaaknummers van de uitspraak van het Europese Hof aan het kabinet sturen, want die staan er nog niet in. Het gaat om de motie over het verbod om round-up of glyfosaat aan particulieren te verkopen. De biociden liggen op het bordje van de staatssecretaris van I en M. Mag ik ervan uitgaan dat het een gezamenlijke kabinetsreactie wordt en dat ook deze staatssecretaris de moeite neemt om te bekijken of een mogelijkheid om die moties uit te voeren over het hoofd is gezien?

Staatssecretaris Mansveld: Ik doe het inderdaad in blokjes. Ik was nog niet helemaal aan het eind van dit blokje. Vooruitlopend op de beantwoording is het antwoord ja. Ik denk dat mevrouw Ouwehand van mij gewend is dat ik over het algemeen uitgebreid reageer op voorstellen uit de Kamer, want ik denk dat wij gezamenlijk als doel hebben om verder te gaan. Het antwoord is dus ja.

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Dan heb ik een ordevoorstel. Ik weet het niet, maar het overleg loopt misschien uit. Is het een idee om de eerste termijn van het kabinet rustig af te maken? We krijgen nog een schriftelijke reactie. Dan zouden we de tweede termijn in januari kunnen voortzetten. Dat zou de kwaliteit van het debat ten goede kunnen komen.

De voorzitter: Ik kijk of de collega's dit voorstel steunen of niet.

Mevrouw Jacobi (PvdA): Steun.

De heer Klaver (GroenLinks): Een helder voorstel, steun.

De heer Geurts (CDA): Vooralsnog geen steun.

De heer Dijkgraaf (SGP): Geen steun.

De heer Smaling (SP): We mogen het ook vandaag afmaken.

Mevrouw Dik-Faber (ChristenUnie): Van mij mag het ook worden afgemaakt, maar ik heb er ook geen bezwaar tegen.

De voorzitter: Ik constateer dat er geen meerderheid is voor het voorstel van mevrouw Ouwehand, dus we gaan door en maken dit algemeen overleg af. We hebben nog tot half vijf de tijd.

Tweede termijn:

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Voorzitter. Dank aan het kabinet voor de beantwoording. Dank ook voor de welwillende houding, en zo ken ik de staatssecretarissen ook, om te kijken naar wat de Partij voor de Dieren heeft aangeleverd. We hebben er vertrouwen in, omdat we bij de staatssecretaris van EZ de houding zien om te doen wat we kunnen om de bijensterfte tegen te gaan en de moties uit te voeren. Het actieplan dat ik heb gegeven, was een publieksversie. Er ligt een juridische analyse onder, met jurisprudentie en verwijzing naar de zaken en de uitspraken waarop wij ons beroepen. Het is misschien ongebruikelijk, maar ik zeg toe om deze na te sturen, want dat is misschien behulpzaam voor het kabinet. Dat regel ik met de griffie. Verder wil ik de collega's dankzeggen dat zij de vragen over het activiteitenbesluit en de laagrisicomiddelen hebben gesteld waar ik niet aantoe kwam. Mijn collega van de VVD wil een VAO voor het kerstreces. Ik ga er niet vanuit dat het kabinet voor het kerstreces op het actieplan kan reageren. Mijn enige vraag in tweede termijn is om een indicatie te geven wanneer die reactie komt. Dan moeten we vervolgens bekijken hoe we daarmee omgaan.

Staatssecretaris Dijksma: Mevrouw Ouwehand had nog recht op antwoord op een vraag uit de eerste termijn, namelijk hoe het zit met de toelating van imidacloprid. Zij noemde daarbij een voorbeeld. Ik zal daar in algemene zin antwoord op geven. Er kunnen natuurlijk aanvragen worden ingediend. Die worden beoordeeld op basis van de huidige eisen. Of het wel of niet wordt toegelaten, hangt af van de risico's. Zo werkt de systematiek.