Inbreng SO 9de tranche crisis- en herstelwet (Logistiek Park Moerdijk en Veehou­derij in Noord-Brabant)


26 juni 2014

De leden van de fractie van de Partij voor de Dieren hebben met teleurstelling kennisgenomen van de toevoeging van nog meer projecten aan de crisis- en herstelwet. Zij willen graag enkele vragen stellen.

Artikel 7l, Logistiek Park Moerdijk

In de toelichting voor het toevoegen van het Logistiek Park Moerdijk (LPM) aan de 9e tranche van de Crisis- en herstelwet lijken de vele negatieve kanten van het verhaal te ontbreken. De leden van de Partij voor de Dieren-fractie zijn van mening dat het huidige plan van LPM te veel financiële risico’s en negatieve gevolgen voor de omgeving heeft om via de crisis- en herstelwet versneld doorgang te vinden. Met de ‘Second opinion Logistiek Park Moerdijk’ uitgevoerd voor de Provinciale Staten van Brabant is aangetoond dat het met het nut en de noodzaak van het plan LPM op zijn minst tegenvalt. De leden van de PvdD-fractie zien geen heil in de realisering van het LPM.

Kort samengevat: Ten eerste is het onnodig om een nieuw logistiek park te creëren terwijl op het aangrenzende industrieterrein 250 ha grond braak ligt. Ten tweede is LPM onwenselijk omdat met de aanleg van het park 150 ha agrarisch cultuurlandschap plus krekenstelsel verloren gaat en de inwoners van Moerdijk er meer overlast en minder leefbaarheid voor in de plaats krijgen. Ten derde is het zeer de vraag of de plannen vernieuwend en innovatief zijn en of aangetoond is dat er slimmer wordt omgegaan binnen de milieuruimte. De leden van de PvdD-fractie zijn van mening dat het huidige industrieterrein van de haven van Moerdijk voldoende mogelijkheden biedt voor de vestiging van grote logistieke bedrijven. Graag krijgen deze leden een uitgebreide reactie op de bovengenoemde punten.

Naar aanleiding van de beschrijving van LPM in het ontwerpbesluit hebben de leden van de PvdD-fractie nog een aantal vragen. Gesteld wordt dat het LPM bereikbaar is voor short-sea-shipping en binnenvaart per buisleiding en spoor. Er wordt echter ook gesteld dat het inpassingsplan nadere regels gaat bevatten voor de zogenoemde ‘interne baan’, die exclusief voor de goederenstroom tussen LPM en het zeehaventerrein Moerdijk zal worden gebouwd. Kunnen de leden van de PvdD-fractie hier uit opmaken dat het gebied waar LPM gerealiseerd moet worden niet bereikbaar is voor short-sea-shipping en binnenvaart per buisleiding en spoor? De interne baan zal los staan van de gewone infrastructuur. De rotondes vormen hierop echter een uitzondering; hier komen de vervoersstromen van de reguliere infrastructuur en de interne baan samen. Leidt dit niet alsnog tot opstoppingen en overlast voor omwonenden van dorp Moerdijk? En zo nee, op basis van welk onderzoek komt de minister tot dit oordeel? Het LPM zorgt voor veel extra (vracht)verkeer. Heeft de infrastructuur, met name het Rijkswegennet, voldoende capaciteit om deze extra stromen te verwerken? De interne baan wordt geschikt gemaakt voor innovatief vervoer. Welke vormen zijn dat en op welke termijn wordt dat gerealiseerd? Worden daarover bindende afspraken over gemaakt in het inpassingsplan? De leden van de PvdD-fractie vragen zich ook af waarom de te realiseren bereikbaarheid van LPM is te prefereren boven de huidige bereikbaarheid van het al bestaande haven- en industrieterrein, m.a.w.; wat maakt de beoogde locatie van het LPM zo bijzonder dat het opweegt tegen de extra kosten van het bereikbaar maken van de locatie?

De ontwikkeling van LPM is onderdeel van een bestuursovereenkomst waarin het rijk, de provincie Noord-Brabant en de gemeente Moerdijk afspraken hebben gemaakt ter verbetering van de fysieke leefomgeving. Maar is het niet juist zo dat de realisering van LPM in eerste instantie zwaar drukt op de fysieke leefomgeving? Zijn de afspraken ter verbetering van de fysieke leefomgeving niet slechts te zien als een terechte compensatie van het aantasten van de leefomgeving als gevolg van het realiseren van LPM? Zo nee, waarop baseert de minister dat? Een aantal gestelde ambities voor de verbetering van de fysieke leefomgeving zouden echter niet juridisch bindend kunnen worden vastgelegd, stelt de provincie Noord-Brabant. Die mogelijkheid zou ontbreken omdat in formele zin de eisen over de fysieke leefomgeving geen ruimtelijke relevantie hebben in de zin van artikel 3.1. van de Wet ruimtelijke ordening. Heeft de provincie Noord-Brabant geen andere middelen tot haar beschikking om de fysieke leefomgeving van de gemeente Moerdijk te verbeteren, buiten de plannen van het LPM om? Is opname in de 9e tranche van de crisis- en herstelwet noodzakelijk om de fysieke leefomgeving van de gemeente Moerdijk te verbeteren, en zo ja, waarom dan wel?

De provincie Noord-Brabant geeft aan duurzaamheidseisen te willen stellen met gebruikmaking van het keurmerk BREEAM-nl door de kwalificatie ‘Good’ op gebiedsniveau verplicht te stellen en deze kwalificatie op gebouwniveau als streefnorm in de regels op te nemen. Deelt de minister de mening van de leden van de fractie van de Partij voor de Dieren dat, in aanmerking nemende dat de kwalificatie ‘good’ slechts twee van de mogelijke vijf sterren behelst, de kwalificatie niet erg hoog is en om die reden niet voldoet om aanspraak te maken op de 9e tranche van de crisis- en herstelwet? In hoeverre is de streefnorm van de kwalificatie ‘Good’ op gebouwniveau als eis te zien? Zijn er naast het gebruik van het keurmerk BREEAM-nl andere mogelijkheden voor de provincie Noord-Brabant om in het inpassingsplan duurzaamheidseisen te stellen?

De ontwikkeling van Logistiek Park Moerdijk brengt werkgelegenheid met zich mee voor Moerdijk en omgeving, zo wordt gesteld. Daarmee zal niet alleen de werkeloosheid worden terug gedrongen, maar ook nieuwe werknemers trekken. Is er in dit deel van Brabant meer werkeloosheid dan elders in Nederland? Indien grote bedrijven zich daadwerkelijk vestigen op het LPM, worden daarmee niet problemen veroorzaakt op de locaties die zij achterlaten?

In het kader van natuurcompensatie zal een speciale verlichting worden gerealiseerd die de passage van vleermuizen niet hindert. De leden van de PvdD-fractie vinden dit lovenswaardig. De leden vragen zich echter af of dit een bovenwettelijke maatregel betreft, aangezien in het gebied veel vleermuizen te vinden zijn. Ook vragen de leden zich af of het plaatsen van de speciale verlichting een voldoende maatregel is om de passage van de vleermuizen onverstoord door te kunnen laten gaan. Op afbeeldingen van hoe LPM er uit zal komen te zien, zijn ook windmolens te zien. Hoe verhoudt de bouw van windmolens, met het gevaar voor vleermuizen die deze vormen, zich tot de vleermuisbeschermende maatregel?

De termijn van het inpassingsplan van 10 jaar wordt niet voldoende geacht voor het ontwikkelen van het LPM. Is dat niet juist een signaal dat er onvoldoende vraag is naar nieuwe terreinen voor logistieke bedrijven, zo vragen de leden van de PvdD-fractie? In de ontwikkeling is rekening gehouden met het gefaseerd aanleggen van het LPM. Het zou evengoed kunnen zijn dat de Provinciale Staten instemmen met de ontwikkeling van slechts een deel van het terrein. Is het noodzakelijk en wenselijk dat de termijn voor het inpassingsplan wordt gesteld op langer dan 10 jaar?

Artikel 7m, transitie veehouderij

De leden van de fractie van de Partij voor de Dieren zijn blij met de erkenning van het kabinet dat de grenzen voor groei van de veehouderij bereikt zijn en dat de emissie van fijnstof en de geuroverlast die veehouderijen met zich meebrengen echt aangepakt moeten kunnen worden. Deze leden begrijpen echter niet waarom de mogelijkheid voor het stellen van aanvullende regels op deze punten begrensd zou moeten worden tot Noord-Brabant, en ook waarom deze mogelijkheid met de omstreden crisis- en herstelwet gerealiseerd zou moeten worden. Bovendien vinden zij dat de aanpak van dit levensgrote probleem ook helemaal verkeerd wordt ingestoken. Terecht wordt er geconstateerd dat de grenzen voor groei van de sector zijn bereikt. Toch wordt de oplossing voor dit probleem weer gezocht in het verder faciliteren van groei van de veehouderij. Volgens de leden van de PvdD-fractie wordt er bij de aanpak bijvoorbeeld niets gedaan om het overschot aan mest te beperken, maar beperkt de aanpak van de provincie zich tot maatregelen aan de 'achterkant'. Volgens de leden van de PvdD-fractie is dit water naar de zee dragen. In Noord-Brabant wonen simpelweg teveel dieren. Dat veroorzaakt schade aan de gezondheid van mensen, aan de leefomgeving en de natuur, en brengt bovendien erg veel dierenleed met zich mee. De oplossing daarvan is simpel: minder dieren = minder problemen.

De nieuwe regelgeving draagt volgens de minister via twee lijnen bij aan nieuwe economische ontwikkelingen en werkgelegenheid in Noord Brabant (kennis- en innovatieregio, agrofoodsector en het creëren van een goed woon- en vestigingsklimaat voor (andere) bedrijven en werknemers). Deelt zij de mening van de leden van de Partij voor de Dieren-fractie dat hier een stap wordt overgeslagen, omdat een succesvolle aanpak zich eerst moet richten op verbetering van leefomgeving voor mens en dier, alvorens te denken aan nieuwe economische ontwikkelingen en werkgelegenheid?

De leden van de PvdD-fractie willen graag nog enkele andere vragen voorleggen. Kan de minister de volgende begrippen, opgenomen in nieuw artikel 7m, van een definitie voorzien? Wat verstaat zij precies onder een veilige en gezonde fysieke leefomgeving, een goede omgevingskwaliteit en een zorgvuldige veehouderij? Wat wordt er precies bedoeld met de eis dat voor een veehouder mag uitbreiden, hij de dialoog met omwonenden moet zijn aangegaan? Is dat alleen een procesvereiste, waarbij de uitkomst van deze dialoog helemaal niets uitmaakt, of hebben de omwonenden daarbij ook daadwerkelijk wat te zeggen?

Er wordt gesteld dat voorwaarde voor bedrijfsuitbreiding is dat op een aantal gebieden maatregelen worden genomen, maar dat het aan de ondernemer is om te bepalen welke maatregelen dat zijn. Wordt daarbij ook een ondergrens aangehouden? Of is het simpelweg plaatsen van een luchtwasser of een hogere schoorsteen opeens al voldoende om als ‘zorgvuldige veehouderij’ bestempeld te worden? Is er dus een minimum aan extra maatregelen in de BZV die een agrariër moet treffen? Zo ja, hoe wordt dat vastgesteld en gemeten? Wordt de uitvoering van deze maatregelen ook gecontroleerd door gemeente en/of provincie? Op welke wijze wordt dat geborgd? Hoe gaat de minister ervoor zorgen dat het toepassen van de BZV niet kan leiden tot (verdere) schaalvergroting in de veehouderij? De leden van de PvdD-fractie wijzen erop dat de ammoniakemissie en -depositie structureel veel hoger zijn dan de Europese afspraken. Hoe gaat de minister ervoor zorgen dat het toepassen van de BZV niet kan leiden tot meer uitstoot en juist aanzienlijke reductie van ammoniak door de veehouderij?

In Noord-Brabant zullen nu urgentiegebieden worden aangewezen, waarvoor een verbeterplan zal worden opgesteld. Kan de minister inschatten om hoeveel urgentiegebieden dat gaat? De leden van de fractie van de Partij voor de Dieren lezen dat er in die urgentieplannen één of meer maatregelen genomen moet worden, waarvan een van de opties is om de feitelijke en vergunde situatie in beeld te brengen en in overeenstemming te brengen. Is het dus zo, dat een verbeterplan voor een urgentiegebied, een gebied dus waar bewoners veel last hebben van stankoverlast en fijnstof, het voldoende is om de illegale stallen te legaliseren? Op welke manier zal dit de bewoners helpen en de leefbaarheid van het gebied verbeteren? Is ontwikkeling van een veehouderij in urgentiegebieden per definitie uitgesloten? Zo nee, op welke voorwaarden kan er wel worden ontwikkeld? Kan de minister uitsluiten dat de zinsnede over de feitelijke en vergunde situatie in beeld brengen en in overeenstemming brengen betrekking heeft op het ‘opvullen’ van natuurbeschermingswetvergunningen van interimmers? En indien zij dat niet kan uitsluiten, waar zullen dan de benodigde ammoniakrechten vandaan worden gehaald die voor de overeenstemming tussen de feitelijke en de vergunde situatie moeten zorgen? Hoe zal voorkomen worden dat door sanering van een urgentiegebied, de overlast en belasting van de natuur zich simpelweg verplaatst naar een ander gebied?

De minister merkt op dat met dit experiment niet de mogelijkheid wordt geboden om normen te stellen voor aspecten die uitputtend geregeld zijn in rijksregelgeving. Met andere woorden, de aanpak ‘transitie naar een zorgvuldige veehouderij’ kan op geen enkele manier en verbetering van het dierenwelzijn regelen, aangezien dit wordt geregeld in de Wet Dieren. Kan de minister uitleggen wat er precies wordt verstaan onder een zorgvuldige veehouderij, als het dierenwelzijn op geen enkele manier geborgd is en verbeterd wordt?

De BZV stelt provincies in staat om in aanvulling op 4.1 juncto artikel 3.1, eerste lid, Wro in de provinciale verordening ruimte, ook regels te stellen omtrent de inhoud van bestemmingsplannen, die strekken ten behoeve van het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit. De leden van de PvdD-fractie vragen zich af of dit ook geldt voor de dieren in een veehouderijbedrijf of enkel voor de omwonenden van het bedrijf?

De mogelijkheid om verouderde stallen met een vergunningsplicht aan te pakken is niet nieuw, zo geeft de minister toe. De leden van de PvdD-fractie zouden graag vernemen hoeveel gemeenten daar in de afgelopen 5 jaar gebruik van hebben gemaakt. Deze leden vermoeden dat dit instrument helemaal niet is gebruikt maar horen het graag als het anders is. Tevens wijzen deze leden erop dat zij bij de toevoeging van agrarische activiteiten aan het activiteitenbesluit er al op hebben gewezen dat hiermee instrumenten uit handen gegeven werden om overlast aan te pakken. Zij vinden het wrang dat bedrijven die geen uitbreidingsplannen hebben daar nu alsnog toe worden aangezet, omdat er geen andere mogelijkheden zijn om de overlast aan te pakken. Erkent de minister dat ze zich met het onder het activiteitenbesluit plaatsen van veehouderijen, zichzelf in de staart heeft gebeten?

Indien vergunningen eenmaal zijn verleend op basis van de BZV lijkt de methode uitgeput, d.w.z. wanneer de stallen gegroeid zijn tot het maximum zoals gesteld in de Verordening ruimte van de provincie. Echter verwacht kan worden dat daarmee de problemen op het gebied van leefbaarheid, gezondheid, natuur en milieu niet zijn opgelost, kan de minister dit vermoeden van de leden van de PvdD-fractie bevestigen? Immers, de aanvragers hoeven slechts beperkt te voldoen aan een aantal punten op de BZV, die zij daarbij zelf mogen kiezen. De leden van de PvdD-fractie vragen zich af of er wel voldoende inzicht is in deze problematiek? Is de minister er zelf wel voldoende van overtuigd dat de methode BZV daadwerkelijk bijdraagt aan een oplossing voor het vraagstuk veehouderij? En zo ja, waarop is dat vertrouwen gebaseerd?