Inbreng Schrif­telijk Overleg Uitvoering moties Ouwehand over muskus­ratten


14 februari 2011

De leden van de fractie van de Partij voor de Dieren danken de staatssecretaris voor de snelle brief naar aanleiding van de aangenomen moties bij de wijziging van de Waterwet en de Waterschapswet, maar hebben daar enkele vragen over.

In reactie op de motie die de regering verzoekt op korte termijn een onderzoek te starten naar de effectiviteit van bestrijding van muskus- en beverratten op de veiligheid van waterstaatswerken en schade aan oevers, schrijft de staatssecretaris dat sinds 2005 meer onderzoek is uitgevoerd en dat een veldproef wordt overwogen. De staatssecretaris ziet daarom geen reden om zelf een onderzoek te starten. Allereerst wijst de Partij voor de Dieren erop dat er sinds 1990 geen veldproef meer is gedaan, en dat er weliswaar verschillende alternatieve en preventieve maatregelen zijn ontwikkeld, maar dat juist het uitblijven van onderzoek ertoe heeft geleid dat deze maatregelen veel te weinig worden gebruikt. Dan een paar vragen over de genoemde veldproef die in overweging zou zijn. Kan de staatssecretaris deze nader toelichten? Door wie wordt deze veldproef overwogen? Door wie zal deze veldproef worden uitgevoerd en hoe zal dat experiment worden opgezet?

De leden van de fractie van de Partij voor de Dieren wijzen erop dat de aangenomen motie duidelijk vraagt om onderzoek te starten en dat daarbij aangetekend is dat in zo’n onderzoek in elk geval de populatieontwikkeling in kaart moet worden gebracht. Dat betekent in de praktijk dus een veldproef. Als een andere bestuurslaag dan de rijksoverheid zo’n onderzoek wil starten kunnen de leden van de Partij voor de Dierenfractie dat wel zien als uitvoering van haar motie, maar dan moet de proef wel op korte termijn worden uitgevoerd. Bovendien zal moeten worden voldaan aan de omschrijving zoals die in het dictum van de motie is geformuleerd (zoals het in kaart brengen van de populatieontwikkeling). Graag een toezegging van de staatssecretaris dat hij het gevraagde onderzoek of zelf start, of er zorg voor draagt dat een andere bestuurslaag, in overleg met het ministerie, dit op korte termijn gaat uitvoeren conform het verzoek van de motie. We gaan ervan uit dat het ministerie in dat laatste geval een faciliterende en ondersteunende rol op zich zal nemen. Graag krijgen we ook inzicht in de opzet van het experiment.

Gedegen onderzoek is ook in het belang van de uitvoering van de motie over een verbod op de dieronvriendelijke verdrinkingsvallen. We wachten de beloofde reactie op deze motie door de staatssecretaris van EL&I met belangstelling af. De staatssecretaris geeft aan dat pas sprake kan zijn van een verbod als er een alternatief is. Dat is ook waar de motie om vraagt. De leden van de Partij voor de Dieren zien hier wel goede mogelijkheden toe, gelet op de aankondiging van de provincie Zuid-Holland in 2009 om te stoppen met het gebruik van verdrinkingsvallen, omdat zij hier alternatieven voor heeft. We vragen de staatssecretaris van EL&I dan ook hier nadrukkelijk naar te kijken voor de uitvoering van de motie.

De Partij voor de Dieren vindt de huidige vorm van muskusrattenbestrijding onnodig, duur en dieronvriendelijk en zullen de ontwikkelingen op dit gebied dan ook nauwlettend volgen. We worden graag geïnformeerd over de voortgang rond de uitvoering van de motie die vraagt om preventieve maatregelen tegen muskusrattengraverij bij ontwerp en aanleg van waterkering en bij groot onderhoud aan bestaande waterkeringen. Kan de staatssecretaris de Kamer daar voor de volgende begrotingsbehandeling over informeren?

Beantwoording van de staatssecretaris Atsma van Infratructuur en Milieu

Motie nr. 15 over een onderzoek naar de effectiviteit van muskusrattenbestrijding

De leden van de PvdD-fractie vragen naar nadere informatie omtrent de veldproef.

Door «Altenburg en Wymenga Ecologisch onderzoek» is in 2007 in opdracht van de Landelijke Coördinatiecommissie Muskusrattenbestrijding (LCCM) onderzoek gedaan naar de effecten van tijdelijk niet bestrijden. Het onderzoek maakt onderdeel uit van een onderzoeksprogramma van zeven onderzoeken waarbij ook de dierenwelzijnssector betrokken was. Het rapport is te downloaden van de website van de LCCM (www.muskusrattenbestrijding.nl). Het betreft een voorstudie naar de mogelijke gevolgen van een veldproef. In het rapport “Muskusratten zonder bestrijding?” wordt beschreven waarom een veldproef wenselijk is en aan welk doel een proef moet voldoen en wordt het afwegingskader gedefinieerd.

Met dit onderzoek is een veldproef echter niet zomaar gerealiseerd. Of een veldproef daadwerkelijk zal plaatsvinden hangt met name af van de benodigde omvang van het gebied en de beschikbaarheid hiervan, de kosten van het onderzoek zelf (onder meer afhankelijk van de aanbevolen duur van het onderzoek) en de risico’s die de proef met zich meebrengt (mogelijk hoge kosten na afloop van de proef). Daarnaast moet zorgvuldig worden bekeken wat precies wordt onderzocht en hoe het onderzoek wordt ingericht. De LCCM bekijkt een en ander momenteel, ook in overleg met vertegenwoordigers van de dierenwelzijnsector.

Als de Spoedwet € 100 mln. in werking treedt is de verantwoordelijkheid voor de muskusrattenbestrijding wat betreft de waterstaatswerken volledig in handen van de waterschappen. De diverse bestrijdingsorganisaties die de bestrijding voor de (provincies en) waterschappen uitvoeren, hebben bewezen om progressief met hun vak bezig te zijn. Er wordt continu gekeken naar mogelijke verbeteringen, zowel in de praktijk als in theorie, getuige ook het uitgebreide en samenhangende onderzoeksprogramma. Hierbij worden ook relevante partijen als dierenwelzijnsorganisaties betrokken.

Ik denk dat alle betrokken partijen net als u het belang en het nut inzien van een veldproef om daarmee bijvoorbeeld beter zicht te kunnen krijgen op de relatie tussen schade aan waterkeringen en aantallen muskusratten en op het effect van bestrijding op de aantallen muskusratten en de schade aan waterkeringen. Gelet op de bestaande verantwoordelijkheidsverdeling en de wijze waarop daar invulling aan wordt gegeven, zie ik geen aanleiding voor het rijk om terzake beleid te ontwikkelen of zich te bemoeien met de uitvoeringspraktijk. Mijn rol zal zich beperken tot het op de hoogte blijven van ontwikkelingen.


Motie nr. 16 over het gebruik van verdrinkingsvallen
Met motie nr. 16 verzoekt de Tweede Kamer om alternatieven voor verdrinkingsvallen en klemmen in kaart te brengen en verder te ontwikkelen en geeft de Tweede Kamer aan geïnformeerd te willen worden over de mogelijkheden van een verbod op het gebruik van verdrinkingsvallen.

Een verbod op het gebruik van verdrinkingsvallen zou binnen de kaders van de Flora- en faunawet kunnen worden gerealiseerd door het «Besluit beheer en schadebestrijding dieren» te wijzigen. Maar een dergelijke wijziging is pas aan de orde als er acceptabele en effectieve alternatieven zijn.
Groepen van mogelijke alternatieven zijn:
alternatieve vangmiddelen;
alternatieve methodieken;
preventieve maatregelen.

Ad.1 Alternatieve vangmiddelen
In de tweede voortgangsrapportage van de nota Dierenwelzijn en Nationaal Agenda Diergezondheid (Kamerstukken 28 286, nr. 381) heeft de toenmalige minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit gemeld dat de LCCM opdracht is gegeven voor onderzoek naar diervriendelijker vangmethoden van de muskusrat en beverrat. Een korte verkenning van de LCCM wees uit dat er geen adequate alternatieven zijn op dit moment. De LCCM heeft vervolgens een prijsvraag uitgeschreven. Van het winnende idee (gasdoding) is inmiddels een prototype ontwikkeld dat wordt getest.

Ad.2 Alternatieve bestrijdingsmethodieken
In opdracht van de LCCM is door “Bureau Waardenburg, adviseurs voor ecologie en milieu” een onderzoek gedaan naar “Alternatieve strategieën voor de bestrijding van muskusratten” (te downloaden van www.muskusrattenbestrijding.nl). Maar deze alternatieve strategieën gaan altijd nog uit van bestrijding met klemmen en verdrinkingsvallen en bieden derhalve geen oplossing zoals bedoeld in de motie.

Ook niet-bestrijden zou een alternatief kunnen zijn. De LCCM heeft in 2009 opdracht gegeven aan het bureau “Altenburg & Wymenga ecologisch onderzoek” de huidige en alternatieve strategieën van bestrijding te onderzoeken. Dit rapport (“Populatiedynamica van muskusratten, huidige en alternatieve strategieën van bestrijding in Nederland”) is van eerdergenoemde site te downloaden. De onderzoekers concluderen dat niet-bestrijden geen optie is als het doel is om de gemiddelde populatie te verminderen.
In de nota “Muskusrat, op alternatieve wijze schade voorkomen” (te downloaden van www.dierenbescherming.nl) wordt niet-bestrijden wel als mogelijk reëel alternatief gepresenteerd. Daarbij wordt aangegeven dat nader onderzoek naar de effecten van niet-bestrijden nodig is. In 2010 is door de LCCM aan het bureau “Haskoning” en de Universiteit van Amsterdam een second opinion gevraagd over het rapport “Populatiedynamica van Muskusratten” en de voorgestelde veldproef. Beide second opinions geven aan dat het zinvol is om middels een veldproef meer informatie te krijgen over de populatieontwikkeling. Zoals hiervoor vermeld onder het kopje ‘Motie nr. 15.’ is een veldproef in overweging.

Ad. 3 Preventieve maatregelen.
In opdracht van de LCCM is door het bureau “DHV” in 2007 onderzoek gedaan naar “Preventieve maatregelen tegen graverij van muskusratten en beverratten” (eveneens te downloaden van de site van de LCCM). De onderzoekers concluderen dat geen van de preventieve maatregelen voldoende zekerheid geeft dat geen schade optreedt door graverij. Als maatregelen wel een effect hebben, is een gevolg dat de populatie groeit waardoor alsnog een te groot risico ontstaat op onaanvaardbare schade. Bestrijding blijft dan weer noodzakelijk om de populatie te beheersen.

Conclusie
Waar het om de muskus- en beverrattenbestrijding ten behoeve van de bescherming van waterstaatswerken ligt het voor de hand dat waterschappen in eerste instantie de afweging maken welke bestrijdingsmiddelen, waaronder de verdrinkingsval, worden ingezet. De kaders van de Flora- en faunawet blijven hierbij van toepassing.
De bestrijdingsorganisaties zijn, samen met vertegenwoordigers van de dierenwelzijnsector, continu aan het kijken naar alternatieve vangmiddelen en bestrijdingsmethodieken en –strategieën. Tot op heden is er nog geen zicht op zodanige alternatieven dat deze vanuit het perspectief van risico’s, kosten en effect acceptabel zijn en een landelijk verbod op verdrinkingsvallen overwogen kan worden. Ik beschouw hiermee motie nr. 16 uitgevoerd.

Voldoende alternatieven?
De leden van de fractie van de Partij van de Dieren stellen in hun reactie op mijn brief van 20 december jl. dat de provincie Zuid-Holland heeft aangekondigd te stoppen met het gebruik van verdrinkingsvallen en concluderen vervolgens dat er voldoende alternatieve vangmethoden zijn.
Van de zijde van de provincie Zuid-Holland wordt deze aankondiging genuanceerd. In het visiedocument “Samen Werken, Samen Vangen” is het beleid verwoord om het gebruik van verdrinkingsvallen terug te dringen. Ook wordt door de bestrijdingsdienst geëxperimenteerd met het gebruik van een klem die wordt geplaatst in de huidige verdrinkingsval. Door toepassing van een klem zal er geen sprake meer zijn van verdrinking. Bij een lage populatie (minder dan 0,25 vangst per uur) hanteert de provincie als richtlijn dat gebruik van kooien als vangmiddel wordt afgebouwd en er meer gebruik gemaakt wordt van klemmen als de vangmiddel. In de praktijk wordt steeds meer gebruik gemaakt van (post)klemmen.

Motie nr. 22 over het meenemen van preventieve maatregelen tegen muskusrattengraverij bij waterkeringen
De leden van de PvdD vragen of de Kamer nog vóór de volgende begrotingsbehandeling kan worden geïnformeerd over de voortgang rondom de uitvoering van deze motie.

In het al eerder genoemde rapport “Preventieve maatregelen tegen graverij van muskusratten en beverratten” concluderen de onderzoekers dat in het algemeen weinig bekend is over de relatie tussen het (graaf)gedrag in relatie tot preventieve maatregelen en stellen zij dat een gecombineerde inzet van verschillende preventieve maatregelen voor de hand ligt, waarbij bestrijding/beheersing van de populatie noodzakelijk blijft. Verder constateren de onderzoekers dat ontwerpers zich vaak onvoldoende bewust zijn van de invloed van het ontwerp van de kering op het graven door de muskus- en beverratten. Zij bevelen aan om algemene ontwerpeisen of richtlijnen op te stellen en voorlichting te geven aan ontwerpers.

In lijn met mijn antwoord d.d. 20 december 2010 (32474, nr. 23) heb ik bij de Unie van Waterschappen, het programmabureau Hoogwaterbeschermingsprogramma en de LTO-Nederland onder de aandacht gebracht dat een meerderheid in de Tweede Kamer er voorstander van is om preventieve maatregelen tegen muskusrattengraverij zoveel mogelijk mee te nemen bij ontwerp, aanleg en groot onderhoud van waterkeringen. Ik ben hierbij van mening dat te nemen preventieve maatregelen uiteindelijk niet meer geld hoeven te kosten. Zo kan het al schelen als een kering niet aantrekkelijk wordt gemaakt voor de dieren. Dit zijn echter moeilijke afwegingen aangezien het ook beleid is om natuurvriendelijke oevers aan te leggen, waardoor deze aantrekkelijk zijn voor deze dieren. Ook is het de uitdaging om de kering zo goedkoop mogelijk te ontwerpen terwijl deze toch aan het vereiste veiligheidsniveau voldoet en in de omgeving past. Ik vind dat de extra kosten en de (te realiseren) besparingen onderdeel behoren uit te maken van de finale besluitvorming. Ik vertrouw erop dat waterschappen en het programmabureau hier rekening mee houden. Afsluitend merk ik op dat ook hiervoor geldt dat dit een verantwoordelijkheid is van de waterschappen.