Inbreng Schrif­telijk Overleg Landbouw- en Visse­rijraad


14 september 2012

De leden van de fractie van de Partij voor de Dieren hebben met instemming kennisgenomen van de uitvoering van de aangenomen moties die voor de afgelopen Landbouw & Visserijraad zijn ingediend. Zo bedankt de Partij voor de Dieren de minister voor haar pleidooi om de Europese wateren te sluiten voor visserij op de blauwvintonijn en voor het niet steunen van de derogatiemogelijkheid bij de inperking van het gebruik van niet-humane primaten voor dierproeven.

De Partij voor de Dieren-fractie vraagt de minister van LNV allereerst aan te geven hoe het verdere verloop van de herziening ten aanzien van de Dierproevenrichtlijn zal zijn. De Partij voor de Dieren wil bovendien graag duidelijkheid over de uitfasering voor het gebruik van niet-humane primaten. Kan de minister aangeven welke termijn daarvoor in de huidige voorstellen is voorzien en wat het kabinetsstandpunt daarover is?

Met betrekking tot de vaststelling van de vangsthoeveelheden voor de visserij in 2010 vragen de leden van de van de fractie van de Partij voor de Dieren hoe de TAC’s van de bestanden waar weinig of geen informatie over beschikbaar is (over het algemeen) met 10% zijn gedaald, terwijl de Commissie 15% had voorgesteld. Kan de minister toelichten hoe dit resultaat tot stand is gekomen?

In de afgelopen ronde onderhandelingen over de vangstquota heeft het gebrek aan gefundeerde gegevens wederom een rol gespeeld. Dat was bijvoorbeeld het geval bij de geassocieerde bestanden. De Europese Commissie heeft erop gewezen dat het verkrijgen van wetenschappelijke gegevens steeds verder bemoeilijkt wordt door een gebrek aan betrouwbare data van de vissers over aanlandingen, bijvangsten en visserijinspanning. De Partij voor de Dieren wijst erop dat de Europese Commissie bovendien heeft geconcludeerd dat vangstquota in het verleden gemiddeld 48% hoger lagen dan naar het oordeel van wetenschappelijke instanties in het kader van de voorzorgsaanpak duurzaam zouden zijn geweest.

De Partij voor de Dieren vindt dat wanneer onvoldoende informatie beschikbaar is over een bepaald bestand, het voorzorgsprincipe moet worden gehanteerd bij de vaststelling van de toelaatbare vangsthoeveelheden. Deelt de minister dan ook de mening dat voor bestanden waar weinig of geen informatie over beschikbaar is, het volgen van het voorzorgsprincipe de beste handelswijze is? Is de minister bereid daar in het vervolg namens Nederland voor te pleiten? De leden van de fractie van de Partij voor de Dieren ontvangen graag een toezegging op dit punt.

Deze fractie heeft verder vragen over de wetenschappelijke quota voor vissers waar de Raad in 2010 mee wil werken. Dit betekent dat vissers, die meedoen aan onderzoek en daardoor vis vangen, die vangsten niet hoeven af te trekken van hun quotum. Kan de minister aangeven op welke wijze zij invulling geeft aan dit besluit en hoe de totale vangst dan wordt gecontroleerd? Mag de Partij voor de Dieren-fractie ervan uitgaan dat op schepen, die in het kader van onderzoek vis vangen die niet wordt geteld voor de vangstquota, altijd onafhankelijke waarnemers aanwezig zijn? Hoe voorkomt de minister dat er in totaal meer vis gevangen wordt dan volgens de vastgestelde quota is toegestaan?

Vervolgens de blauwvintonijn, kan de minister aangeven wat de conclusies en insteek van de Raad zijn over de eventuele toetreding van de EU tot het verdrag voor de instandhouding van de zuidelijke blauwvintonijn, een besluit dat op de afgelopen L&V Raad als A-punt was geagendeerd? Was dit gebaseerd op een zorg over de instandhouding van de blauwvintonijnpopulatie en hoopt de Raad hierdoor voor effectievere bescherming te kunnen zorgen? Zo ja, wat zijn in het kader van dit verdrag de mogelijkheden tot bescherming van deze ernstig bedreigde vissoort? De minister schrijft in haar brief dat de Commissie het voorstel voor het sluiten van de Europese wateren voor visserij op de blauwvintonijn niet heeft overgenomen. Kan de minister aangeven welke landen wel voelden voor dit Nederlandse voorstel, en welke mogelijkheden zij ziet om de komende tijd medestanders te zoeken voor het standpunt. Dit mede gelet op de zeer zorgelijke situatie waarin de blauwvintonijn zich bevindt en het feit dat sluiting van de Europese wateren voor de vangst van deze vissoort een maatregel moet zijn die de EU moet en kan treffen? De Partij voor de Dieren wijst de minister op de grote ecologische waarde van deze soort en vraagt haar op welke wijze zij de komende tijd uitvoering zal geven aan de aangenomen motie op dit punt.

De minister schrijft verder dat zij heeft voorgesteld de bijvangsten voor doornhaai voor 2010 op nul te stellen. Dat is conform de aangenomen motie van de leden Ouwehand en Waalkens. De Commissie en de Raad hebben echter aangegeven deze weg pas in 2011 te willen inslaan. De minister schrijft zelfs dat dit slechts een intentie is in een verklaring van Raad en Commissie. Dat vindt de Partij voor de Dieren wel erg mager, zeker gezien het haaienactieplan van de Europese Commissie. Hoe beoordeelt de minister deze intentieverklaring, terwijl er een harde afspraak had moeten liggen? Graag verneemt de Partij voor de Dieren fractie van de minister bovendien de huidige stand van zaken met betrekking tot eventuele bijvangsten van doornhaai door Nederlandse schepen en op welke wijze de minister deze denkt te gaan reduceren naar nul in 2010?

De Partij voor de Dieren fractie heeft tot haar teleurstelling niets terug gelezen over het verplicht laten aanlanden van de bijvangst, terwijl naar haar mening, de afgelopen Landbouw & Visserij Raad daar toch zeker een mooi moment was voor geweest. Graag verneemt de Partij voor de Dieren-fractie van de minister op welke manier zij uitvoering zal geven aan de aangenomen motie Ouwehand om zich in Europees verband in te zetten tot het verplicht laten aanlanden van bijvangsten.

Dan de pulskor. Na de aanvullende onderzoeken door IMARES, die inmiddels beoordeeld zijn door ICES, blijken er nog steeds veel kennislacunes te bestaan. ICES concludeert dat de onderzoeken van IMARES weliswaar een waardevolle stap vormen in de evaluatie van de ecosysteemeffecten van de pulskor, maar dat er nog steeds geen conclusies kunnen worden getrokken over de precieze impact van de pulsvisserij op het ecosysteem.

De elektrische pulsen kunnen kabeljauw en mogelijk andere rondvissen die zich in de nabijheid van het vistuig bevinden beschadigen en zelfs doden, zo stelt ICES. Hierover heeft de Partij voor de Dieren al eerder haar zorgen geuit. Hoe beoordeelt de minister deze schadelijke effecten voor kabeljauw en andere rondvissen nu? De Partij voor de Dieren wijst met nadruk op het oordeel van onderzoeker Norman Graham van het Institute of Marine Research in Bergen, Noorwegen. Graham vindt dat vanwege de hogere vissterfte van kabeljauw als gevolg van de pulsen, geen toestemming gegeven zou moeten worden voor vissen met de pulskor. Ook onderzoeker Mike Been van het Marine Laboratory in Aberdeen, Schotland, waarschuwt voor dit effect en zegt dat er met een eventuele introductie van de pulsvisserij heel voorzichtig moet worden omgegaan.

Uit het ICES-rapport blijkt verder dat in de laboratoriumonderzoeken een minder grote variëteit aan sterktes is onderzocht dan gedefinieerd in de ontheffing waar Nederland gebruik van maakt voor de toepassing van de pulskor. De Partij voor de Dieren maakt zich daar zorgen over en vraagt de minister welke variëteit aan sterktes zij precies toestaat in de praktijktoepassing van de pulskor. Is dat de variëteit zoals gedefinieerd in de ontheffing, of is dat de variëteit aan sterktes zoals onderzocht door IMARES?
De ICES-onderzoekers wijzen erop dat de resultaten de laboratoriumonderzoeken niet zomaar kunnen worden vertaald naar de daadwerkelijke visserij. Hoe gaat de minister om met die constatering?

De Partij voor de Dieren maakt zich grote zorgen over de opmerking van ICES dat vanwege ‘commerciële geheimhouding’ de karakteristieken van de pulsen zoals frequentie, duur en voltage niet vrij beschikbaar zijn wat een goede beoordeling van de impact van de pulsen op doelsoorten en niet-doelsoorten in de weg staat. Kan de minister reageren op deze opmerking?

De leden van de fractie van de Partij voor de Dieren zien in aansluiting op ICES nog geen ruimte voor een deugdelijk advies over de mogelijke toepassing van de pulskor. Sterker nog, de Partij voor de Dieren staat zeer kritisch ten opzichte van de ecosysteem-effecten van de pulskor en vindt dat deze techniek niet als duurzaam kan worden aangemerkt. Ondanks de nu nog openstaande vragen en kritische opmerkingen van deskundigen lijkt het kabinet echter in te zetten op een definitieve goedkeuring van de pulskor, getuige de uitspraken van de Directeur Visserij van het ministerie van LNV eind december in Visserijnieuws. Dat vindt de Partij voor de Dieren op z’n zachtst gezegd verbazingwekkend. Het kan niet zo zijn dat de minister de keuze voor de pulskor in feite al heeft gemaakt, terwijl het onderzoek naar de score op ecosysteemeffecten en dierenwelzijn nog onvoldoende duidelijkheid heeft kunnen bieden. Wat is voor de minister leidend: werkelijke duurzaamheid of de stimulering van nieuwe technieken, ongeacht hun precieze effecten, om maar te kunnen blijven vissen?

De Partij voor de Dieren wil duidelijkheid over het gebruik van de ontheffing de komende anderhalf jaar, en wil van de minister weten wat haar precieze inzet ten aanzien van de pulskor zal zijn in de komende periode. Nu alvast onderhandelen met de Europese Commissie over de definitieve goedkeuring van de pulskor is wat de Partij voor de Dieren betreft onbestaanbaar. Graag een toezegging van de minister dat zij deze onderhandelingen stopzet.

De Partij voor de Dieren fractie wil de minister er nogmaals op wijzen dat de intens schadelijke boomkorvisserij intussen gewoon plaats blijft vinden. Ook als er geen alternatief voorhanden is, is de schade die de boomkorvloot berokkent aan het bodemleven veel te groot om toe te blijven staan. De Partij voor de Dieren pleit ervoor om hoe dan ook een einde te maken aan de schadelijke effecten van de boomkorvloot in het belang van het broodnodige herstel van de biodiversiteit in onze zeeën. Gezien de grote ecologische en economische waarden van de Noordzee en de noodzaak deze ook voor toekomstige generaties in stand te houden verzoekt de Partij voor de Dieren de minister dan ook met klem om tenminste in de beschermde gebieden in de Noordzee de boomkorvisserij zo snel mogelijk te verbieden. Kan de minister aangeven of zij bereid is aan dit verzoek te voldoen? Als de minister nog steeds van mening is dat boomkorvisserij in beschermde gebieden kan plaatsvinden, kan zij dan toelichten wat zij hoopt te bereiken met het beschermen van gebieden als er geen voorwaarden aan gebruik worden gesteld?

Tenslotte is tijdens het AO Aquacultuur op 30 september 2009 is door de minister een toezegging gedaan om het Europese actieprogramma m.b.t. een strategie voor duurzame kweek naar de Tweede Kamer te sturen, het termijn was hiervoor gesteld op 1 januari. Waar blijft dit rapport?
De Partij voor de Dieren-fractie verzoekt de minister het rapport voor 19 januari alsnog naar de kamer toe te zenden. Als dit niet mogelijk is zou de minister dan willen aangeven op welke termijn dit dan wel gaat gebeuren.