Inbreng PvdD nader schrif­telijk overleg risi­co­analyse pluim­vee­hou­derij


17 juli 2018

De leden van de Partij voor de Dieren hebben met verbijstering kennisgenomen van de reactie op de grote, zorgwekkende en structurele dierenwelzijnsproblemen in de pluimveesector. Wie de risicoanalyse leest krijgt bevestigd wat een leek kan zien: voor de dieren die de pech hebben in de pluimvee-industrie ter wereld te komen, is er geen sprake van risico, maar van de zekerheid dat hun korte leven bol zal staan van pijn, lijden en misère.

Bij maar liefst driekwart van de geïnspecteerde bedrijven met vleeskuikenouderdieren werden tekortkomingen geconstateerd, zoals dat dan eufemistisch wordt genoemd. Er zijn ernstige problemen met voetzoollaesies –pijnlijke zweren aan de poten-, hoge sterfte, verwondingen bij het vangen van dieren en bij het uitladen bij het slachthuis en dorst door te weinig waterverstrekking. En het lijden begint al op het moment dat de dieren uit het ei kruipen: de kuikens zijn zó gefokt dat ze abnormaal snel groeien met alle gevolgen voor hun welzijn en gezondheid van dien.

En de sector, die door de NVWA in de voorliggende Integrale Risicoanalyse Pluimveevleesketen in verbloemd taalgebruik wordt aangeduid als een sector met weinig zelfreinigend vermogen die zich schuldig maakt aan fraude en ernstig dierenleed, de sector die zich alleen met intensief toezicht aan de regels lijkt te houden, en zelfs dan nog niet volledig, mag nu met de minister in overleg treden over het aanpakken van de vele geconstateerde problemen en misstanden. De leden van de Partij voor de Dieren vinden dit absurd en vragen de minister nogmaals hoe zij deze aanpak kan rijmen met de bevindingen uit de risicoanalyse. Ten overvloede wijzen deze leden op het recente onderzoek van de commissie Sorgdrager die tot dezelfde conclusie kwam. “Het ministerie hanteert een te beperkte opvatting van haar rol”, was een van de bevindingen die de Partij voor de Dieren-fractie niet verbaasde. Als dat al geconcludeerd wordt ten aanzien van voedselveiligheid, waar de druk van economische consequenties tenminste nog meespeelt om in actie te komen, dan laat het zich raden hoe het ervoor staat met de taakopvatting van het ministerie ten aanzien van dierenwelzijn.
Erkent de minister dat zij de maatschappelijke spanningen ten aanzien van de veehouderij verder vergroot als zij niet laat zien dierenwelzijn serieus te nemen? Erkent zij dat het rechtsgevoel van burgers wordt aangetast als bij structurele schendingen van de wettelijk erkende intrinsieke waarde en het welzijn van het dier, en schendingen van de normen, niet door de overheid wordt ingegrepen, maar weer een gesprek met de sector volgt? Zo nee, op basis waarvan meent zij dat haar aanpak kan rekenen op de steun van de bevolking?

Actief en continu toezicht is nodig om de ondernemers in deze sector de regels voor dierenwelzijn en voedselveiligheid te laten naleven, schrijft de NVWA en dit wordt bevestigd door de minister in de beantwoording van vragen in het schriftelijk overleg. Hoe is de minister voornemens dit actieve en continue systeem van toezicht vorm te geven? En als zij niet zal zorgen voor actief en continu toezicht: erkent en accepteert de minister dan dat vermijdbaar dierenleed en dierenmishandeling in de pluimveevleessector een gegeven blijven? Graag een toelichting daarop.

De leden vragen de minister of en op welke wijze de welzijnsmonitor in de pluimveesector wordt gebruikt. In hoeverre bestaan er concrete plannen om te werken met doelvoorschriften op basis van animal-based indicatoren in plaats van middelvoorschriften?

Kan de minister toelichten wat de status is van het Europese Welfare Quality-welzijnsmonitor in Nederland en Europa? In welke mate wordt de Europese Welfare Quality-monitor in Nederland of andere lidstaten toegepast? Kan de minister uiteenzetten hoe lang de sector al kampt met welzijnsproblemen zoals borstblaren, brandhakken en voetzoollaesies? Erkent de minister dat er sinds de ongeriefanalyse van Wageningen UR in 2007 nauwelijks vooruitgang is geboekt bij de sector? Zo nee, waar baseert zij op dat er in 10 jaar tijd wel substantiële vooruitgang zou zijn geboekt en moeten we het dan zo begrijpen dat de minister tevreden is met de bevindingen van de NVWA in de risicoanalyse? Erkent de minister dat zelfregulering te weinig oplevert en is zij bereid om bindende maatregelen te treffen om het ongerief, waaronder borstblaren, brandhakken en voetzoollaesies, bij pluimvee tegen te gaan? Zo ja, op welke wijze en op welke termijn? Zo nee, waarom niet?

Veelheid aan gevaren begint bij de fok op abnormaal snelle groei
De NVWA schrijft dat dieren in de pluimveehouderij gedurende hun hele leven blootgesteld aan een veelheid van gevaren die elkaar ook nog kunnen versterken. Vroegtijdige sterfte is dan ook een veelvoorkomend ernstig effect van de multifactoriële bedreigingen van het dierenwelzijn. ‘Erfelijkheid’ wordt als belangrijke factor genoemd, en suggereert eenvoudige pech met de genen, maar het gaat hier om de doelbewuste fok van dieren met afwijkingen. Afwijkingen die de pluimveehouder goed uitkomen (snelle groei van dieren met extra grote borstpartijen waar men kipfilet van snijdt is economisch voordelig), maar de dieren helemaal niet. De laatse jaren worden er specifiek bij de snelgroeiende, zware vleeskuikens afwijkingen in de borst- en rugspieren geconstateerd, zo valt te lezen in de risicoanalyse. Dit is een degeneratieve aandoening van de spieren met witte strepen, die in extreme gevallen verharden tot zgn wooden breast. Dit komt met name voor bij snelgroeiende vleeskuikens, waarbij vooral de ‘merken’ (zoals de NVWA dit noemt) die gefokt zijn op zo groot mogelijke borstspieren het gevoeligst zijn.
Erkent de minister dat het fokken op erfelijke afwijkingen in strijd is met de intrinsieke waarde en het welzijn van het dier? Zo nee, kan zij toelichten en onderbouwen waarom het doelbewust fokken van dieren waarvan van tevoren vaststaat dat zij een groot risico lopen op (ernstige) welzijnsproblemen louter vanwege hun geselecteerde erfelijke aanleg in overeenstemming zou zijn met de wettelijk erkende intrinsieke waarde en welzijn van het dier? Zo ja, is zij bereid deze wettelijke bepalingen daadwerkelijk te (laten) respecteren en te zorgen voor strikte handhaving, al dan niet door de wet te concretiseren met nadere regels die goed kunnen worden gehandhaafd door de NVWA?

Voetzoollaesies
Een groot deel van de kippen krijgt te maken met voetzoollaesies: pijnlijke zweren op de poten. Bij één op de vijf bedrijven is het aantal dieren met voetzoollaesies hoger dan de vastgestelde norm hiervoor. De norm die ook volgens de NVWA te ruim is en moet worden aangescherpt. Voldoen aan de norm betekent namelijk dat bij alle kippen sprake mag zijn van milde voetzoollaesies. Ook mag 40% van de kippen ernstige voetzoollaesies hebben. Deze situatie is dan ‘acceptabel’, zoals verwoord door de RVO . De scores worden bovendien ook nog gemiddeld per kalenderjaar, per stal en per koppel. De leden van de Partij voor de Dieren vragen de minister op basis van welke welzijnsonderzoeken deze norm tot stand is gekomen.
Deze norm zegt volgens de leden niets over het welzijn van de kippen en biedt geen enkele bescherming voor dieren, aangezien voetzoollaesies ernstig dierenleed betekent. Het is onacceptabel dat dierenleed bij zo’n groot deel van de dieren als acceptabel wordt beschouwd.

Erkent de minister dat er binnen bedrijven die lager scoren dan 80 of 120, individuele dieren aanwezig kunnen zijn die last hebben van ernstige voetzoollaesie (score 2)? Erkent de minister dat de huidige norm en de berekening om tot de score te komen geen recht doen aan individuele dieren die ernstige voetzoollaesies hebben op bedrijven die onder de norm 80 leven?
Deelt de minister de mening van de leden dat een veehouder maatregelen moet treffen zodat het individuele dier met ernstige voetzoollaesie (score 2) de nodige zorg en bescherming krijgt? Kan de minister garanderen dat een veehouder maatregelen treft zodra een dier op zijn bedrijf lijdt aan ernstige voetzoollaesie (score 2)? Zo ja, op welke wijze en hoe wordt dit gecontroleerd? Zo nee, is de minister bereid haar beleid zodanig aan te passen dat een veehouder een verbeterplan moet opstellen zodra bij een individueel dier ernstige voetzoollaesie (score 2) wordt geconstateerd?

In de beantwoording van de minister op de vragen uit het eerdere schriftelijk overleg l ijkt het alsof het aanscherpen van de norm nog geen vaststaand besluit is. De minister schrijft namelijk dat in gesprek met de sector zal worden bekeken of het aanscherpen van de norm kan helpen om het doel van het omlaag brengen van het aantal voetzoollaesies te behalen. Betekent dit dat de minister het advies van Buro om te komen tot een strengere nationale norm naast zich neer legt? Zo ja, op basis van welke onderzoeken naar het welzijn van dieren in de pluimveevleesketen doet zij dit?
Is de minister bereid als concreet doel te stellen om de pluimveesector binnen een redelijke termijn vrij te laten zijn van voetzoollaesies? Zo nee, wat houdt de minister hier in tegen?

Kan de minister toelichten waarom pluimveehouders die een lagere bezetting hebben, zoals houders van biologische kuikens, niet hoeven te voldoen aan de eis van voetzoollaesies in de vleeskuikenrichtlijn? Kan de minister per categorie bezettingsdichtheid aangeven om hoeveel bedrijven en dieren dit gaat? Kan de minister aangeven hoeveel uitval door sterfte er gemiddeld is in deze categorieën? Kan zij aangeven hoeveel onaangekondigde inspecties de NVWA de laatste drie jaar heeft uitgevoerd naar overbezetting en voetzoollaesies in deze categorieën?

Ook vragen de leden waarom er geen verplichte monitoring is van voetzoollaesies bij kalkoenen en eenden. Dit terwijl wetenschappers concluderen dat dit een hoge impact heeft op het dierenwelzijn , wat door de minister wordt bevestigd. Welke consequenties verbindt de minister aan de constatering van Buro dat voetzoollaesies ook voor andere pluimvee dan snelgroeiende vleeskuikens bij maximale hokbezetting een serieus probleem vormen, maar dat hiervoor geen adequate regelgeving bestaat?

Vangen
Vleeskippen worden na zes weken door machines gevangen, of door medewerkers van vangploegen aan hun poten bij elkaar geharkt en met een aantal tegelijk in kratten gegooid of gepropt. Zij breken hierbij regelmatig hun poten of lopen ander verwondingen op, in de risicoanalyse eufemistisch ‘vangletsel’ genoemd. In undercover gemaakte beelden die onlangs naar buiten zijn gekomen uit zowel de eendenhouderij als de vleeskuikenhouderij was te zien hoe dieren werden geschopt, hoe ze met opzet werden vertrapt en halfdood in een emmer of in een hoek werden gegooid. Volgens de leden van de Partij voor de Dieren is dit een schrijnende uitwas van een systeem waarin dieren als product zo weinig waard zijn dat potjes appelmoes voorzichter worden behandeld dan zij.
De leden van de Partij voor de Dieren vragen de minister hoe zij deze vreselijke beelden beoordeelt. Kan de minister bevestigen dat deze beelden aansluiten op de bevindingen die worden beschreven in de risicoanalyse? Zo niet, kan de minister dit toelichten?

Uit de resultaten van de ‘actieweken vangletseltelling’, zoals beschreven in de risicoanalyse, bleek de naleving van regelgeving op het moment dat er een inspecteur naast stond, toe te nemen van 45 naar 92%. Zelfs met een intensieve, herhaalde vorm van toezicht voldeed dus de naleving bij 8% van de inspecties niet. De NVWA maakt zich dan ook terecht zorgen over de naleving na deze intensieve handhavingsperiode. De minister schrijft naar aanleiding van deze bevindingen dat er nu structureel extra tellingen worden uitgevoerd. Kan de minister uiteenzetten om hoeveel extra tellingen dit gaat en hoe dit in verhouding staat tot het aantal overtredingen dat op dit gebied werd geconstateerd bij aanvang van de actieweken in 2017, toen bij meer dan de helft van de gevallen (55%) de regelgeving niet werd nageleefd terwijl er een inspecteur aanwezig was?

Kan de minister bevestigen dat de door de NVWA beschreven vangmethoden ook in de legkippenhouderij gebruikelijk zijn, waarbij er nog extra risico’s zijn als de dieren in kooien zijn gehouden en dus uit hun kooien moeten worden getrokken om in vangkratten te kunnen worden gestopt? Zo nee, kan zij uiteenzetten hoe het vangen in de legkippenhouderij er dan wel aan toegaat?

Kan de minister bevestigen dat ondanks het feit dat de NVWA een helder risico in beeld had (zonder strikt toezicht was de naleving niet meer dan 45%), het zogenaamde risicogerichte toezicht van de NVWA er niet toe leidt dat er daadwerkelijk blijvende capaciteit wordt vrijgemaakt om dit risico af te dekken, en dat er ook geen andere actie wordt ondernomen om dit bekende risico tot het verleden te laten behoren (te denken valt aan effectieve boetes of zelfs sluiting van overtredende bedrijven)? Met andere woorden, kan de minister bevestigen dat het risicogerichte toezicht van de NVWA geenszins inhoudt dat bekende risico’s ook daadwerkelijk leiden tot effectieve handhaving?

Sterfte
Maar liefst 10 miljoen dieren per jaar sterven voordat zij de stal verlaten. Nog eens 800.000 dieren komen dood aan bij het slachthuis. Dit is wat de leden van de fractie van de Partij voor de Dieren betreft een teken dat er zeer serieuze problemen zijn in het systeem van de pluimveehouderij.

De minister schrijft dat dit sterftepercentage (3,1-3,2%) dicht tegen de maximale norm ligt (3,4%) aan de hand waarvan wordt bepaald of de maximale bezetting van het aantal vleeskuikens per vierkante meter is geoorloofd. De gemiddelde sterfte wordt echter berekend aan de hand van een jaargemiddelde van alle bedrijven in een bepaalde categorie.
De leden van de fractie van de Partij voor de Dieren vragen de minister ook de sterftecijfers van de individuele bedrijven die boven de norm zaten (ruim 20%) uiteen te zetten. Welke conclusies trekt de minister hieruit met betrekking tot de maximaal toegestane bezetting?

De leden van de Partij voor de Dieren-fractie lezen dat sterfte een ‘ijsberg’-indicator wordt genoemd door de NVWA, de resultante van een verzameling gezondheids- en welzijnsproblemen. Veel gesignaleerde problemen zijn dagelijkse sterfte, sterfte in de eerste levensweek en cumulatieve mortaliteit. Het gaat, zo schrijft de NVWA, om dieren die doodgaan als gevolg van diergezondheid en dierenwelzijn en om dieren die door de veehouder dagelijks uitgeselecteerd (moeten) worden om verder ongerief te voorkomen (doden op de boerderij). Kan de minister uiteenzetten hoe deze dieren (10 miljoen) sterven? Hoeveel dieren worden dood aangetroffen in de stal en hebben dus zonder zorg van de veehouder een lijdensweg doorstaan die heeft geleid tot hun dood? Hoeveel zieke en stervende dieren worden er jaarlijks door de veehouders uitgeselecteerd en doodgemaakt? Hoe vindt dat doodmaken plaats en hoe vindt het toezicht daarop plaats? Kan de minister bevestigen dat pluimveehouders geen diergeneeskundige zorg inschakelen voor de zieke dieren die zij aantreffen? Zo nee, op basis van welke controleerbare gegevens komt zij tot de conclusie dat zij dat wel doen, en hoe vaak?

Aankomst slachthuis: kantelen van de kratten
De dieren die het slachthuis halen, worden vanaf een hoogte machinaal op een band gegooid ofwel gestort. Vallen op elkaar en over elkaar heen, met amputaties, breuken en kneuzingen als gevolg. Het bedwelmen van de dieren voorafgaand aan het kantelen zou dit extra dierenleed beperken. Ook moeten de instellingen van de machines worden aangepast om ervoor te zorgen dat het kantelen rustiger en zorgvuldiger gebeurt, valt te lezen in de risicoanalyse. Bij een eerste controle op het kantelen voldeden 7 van de 10 gecontroleerde machines niet aan deze voorwaarde, stelt de NVWA. Ook na aanpassingen van de machines ziet de NVWA dit als een zorgpunt voor de toekomst. De leden van de Partij voor de Dieren vinden het dan ook zeer vreemd dat de minister schrijft dat er naar aanleiding van het handhavingstraject in 2016 geen normen zijn afgesproken en vragen de minister dit toe te lichten.

Hoe beoordeelt de minister de aanbeveling van de Humane Slaughter Association dat de dieren niet massaal moeten worden uitgeladen en dat transportbanden zo moeten zijn geconstrueerd dat de vogels rechtop kunnen blijven staan zonder te fladderen . Kan de minister bevestigen dat het risico op verwondingen en ander extra dierenleed wordt vergroot bij hoge lijnsnelheden? Hoe is het toezicht hier op vormgegeven en welke mogelijkheden heeft de NVWA-inspecteur om te handhaven wanneer er vermoeden is van extra dierenleed?

Bezetting
Het monitoren van voetzoollaesies en het doorgeven van deze gegevens is een voorwaarde voor het houden van vleeskuikens bij de maximale bezetting. Net als de voorwaarde dat de sterfte onder de norm van 3,4% moet blijven. Hebben alle kippen zweren aan hun poten en sterven er ‘slechts’ 10 miljoen dieren per jaar voordat zij de stal uitkomen, dan mogen kippen met 18 tot 20 soortgenoten (42 kilo) per vierkante meter worden gehouden.
Beide voorwaarden hebben volgens de leden van de Partij voor de Dieren niets te maken met de bescherming van dieren.
Het feit dat er in deze mate en met deze frequentie sprake is van afwijkende skeletbouw, voetzoollaesies, overgewicht, verstoorde rust en een beperkt gedragsrepertoire, verenpikken, borstirritaties, hyperthermie, en diverse (niet-)infectieuze luchtweg- en maag-darm-aandoeningen, betekent voor de leden van de Partij voor de Dieren dat het houden van zoveel dieren in deze omstandigheden en met deze bezettingsgraad niet mogelijk is. De leden vragen de minister of zij deze conclusie deelt. Zo nee, op basis waarvan trekt de minister deze conclusie?