Inbreng Partij voor de Dieren verslag Wet Dieren


22 juni 2008

Inbreng Partij voor de Dieren ten behoeve van het verslag over het wetsvoorstel houdende een integraal kader voor regels over gehouden dieren en daaraan gerelateerde onderwerpen (Wet Dieren)

De leden van de fractie van de Partij voor de Dieren hebben met grote teleurstelling kennisgenomen van het voorliggende wetsvoorstel en de wijze waarop dit voorstel tot stand is gekomen. Voordat wordt ingegaan op de inhoud van het wetsvoorstel, willen de leden hierop enige toelichting geven.
Na de aankondiging van de komst van dit voorstel door toenmalig minister Veerman eind 2005 en de vele protestgeluiden die hierop volgden, volgde nog geen jaar later de mededeling dat de plannen werden stilgelegd in verband met verkiezingen en het aantreden van een nieuw kabinet. De leden van de fractie van de Partij voor de Dieren hebben in de maanden hierna bij herhaling gevraagd naar de plannen rondom dit wetsvoorstel. De minister deed er alles aan om de illusie te wekken dat de plannen definitief ingetrokken waren. Totdat in de zomer van 2007 dit voorstel zonder aankondiging naar maatschappelijke organisaties en overige betrokken partijen werd gestuurd voor commentaar. Zij kregen slechts twee weken reactietijd, terwijl door de vakantietijd veel medewerkers afwezig waren. De minister gaf in antwoord op schriftelijke vragen van de Partij voor de Dieren over deze gang van zaken aan dat haar “geen signalen hadden bereikt dat de korte reactietermijn van invloed is geweest op de kwaliteit van de reacties”. De leden vernemen in dit verband graag van de minister hoe dit antwoord zich verhoudt tot bijvoorbeeld de inleiding van en het begeleidend schrijven bij de inbreng van de Dierenbescherming. Tevens willen de leden hierbij opmerken dat niet alle feitelijke vragen over dit wetsvoorstel zijn beantwoord. Niet beantwoorde vragen zijn grotendeels in onderstaande inbreng verwerkt.

Dan de noodzaak voor het instellen van een nieuw wetsvoorstel met betrekking tot het houden van dieren. De leden zijn hiervan nog niet overtuigd en ontvangen graag een nadere onderbouwing van nut en noodzaak. Eén van de –in de ogen van de leden- belangrijkste wetten op dit gebied, de Gezondheids- en welzijnwet voor dieren (GWWD, heeft een voorbereidingstijd gekend van vele jaren voor deze in 1993 in werking trad. Een groot deel van deze kaderwet is sindsdien echter nooit ingevuld, ondanks de verplichting die hiertoe bestaat. De delen waarbij wel tot invulling middels uitvoeringsregelingen is overgegaan, zijn nooit geëvalueerd op hun werking en effectiviteit. Hierdoor is in de ogen van de leden een grote kans blijven liggen om te komen tot succesvolle en handhaafbare wet- en regelgeving. Niet alleen ten aanzien van het versterken van bestaande wetgeving, maar ook ten aanzien van het ontwikkelen van nieuwe wetgeving. De leden vragen zich af hoe de minister dit kan staven met haar naar eigen zeggen hoge ambities ten aanzien van het verbeteren van dierenwelzijn. Graag een reactie.
Het is goed gebruik om nieuwe wet- en regelgeving te baseren op een analyse van de huidige situatie, de bestaande wet- en regelgeving en de knelpunten die hierbij in de praktijk worden ondervonden. De leden van de fractie van de Partij voor de Dieren vernemen graag welke analyses ten grondslag liggen aan dit wetsvoorstel, wie deze analyse heeft opgesteld en welke organisaties, instanties en belanghebbenden betrokken zijn bij de analyse.

Medio juni verscheen een rapport van de Algemene Rekenkamer over de duurzaamheid van de veehouderij. Daarin uitte de Rekenkamer kritiek op de wijze waarop het kabinet uitvoering geeft aan haar ambities, waaronder de ambitie om een beter welzijn van dieren te realiseren. De Rekenkamer stelt: ‘Het is onzeker of de ambities van de minister van LNV voor de intensieve veehouderij wel binnen de geplande termijn zijn te realiseren. Er is op sommige punten enige vooruitgang geboekt, maar de minister zet de beschikbare instrumenten om verbeteringen in de sector te bereiken, niet voluit in. De minister evalueert bovendien weinig, waardoor de effectiviteit van de instrumenten die wél worden ingezet, onduidelijk is.
Wat het dierenwelzijn betreft is sinds de jaren negentig de huisvesting van dieren enigszins verbeterd. Dit is niet zozeer te danken aan het Nederlandse beleid, maar vooral aan de Europese regels, die strenger zijn geworden. Nederlandse wet- en regelgeving op het gebied van 'ingrepen' bij dieren (snavelbehandeling, couperen van staarten, aanbrengen van identificatiechips) is herhaaldelijk uitgesteld. De naleving van de geldende regels wordt bovendien niet intensief gecontroleerd. De minister van LNV zou het dierenwelzijnsbeleid en de daarvoor ingezette instrumenten periodiek moeten evalueren. Ook zou de minister moeten zorgen dat de naleving van de dierenwelzijnsregels beter gemonitord en gecontroleerd wordt.’ De conclusies van de Rekenkamer ten aanzien van de duurzame veehouderij zijn zeer relevant voor het voorliggende wetsvoorstel omdat er enerzijds een exacte beschrijving wordt gegeven van de gang van zaken rondom de totstandkoming van dit wetvoorstel en anderzijds het wetsvoorstel geen concrete doelstellingen bevat die het welzijn van dieren in Nederland zullen verbeteren. De leden van de fractie van de Partij voor de Dieren willen graag inzicht in hoeverre de conclusies en aanbevelingen van de Algemene Rekenkamer zullen worden meegenomen in het wetsvoorstel en op welke wijze deze zullen leiden tot aanvullende regelgeving en verbeteringen die tegemoet komen aan de kritiek van de Rekenkamer betreffende de realisatie van de Kabinetsdoelstellingen op het gebied van dierenwelzijn. Ook willen de leden meer specifiek weten welke veranderingen de minister zal doorvoeren om de beschikbare instrumenten wel volledig in te zetten en of deze veranderingen hun weerslag vinden in het voorliggende wetsvoorstel en zo ja, op welke wijze.

Zoals al aangegeven zien de leden van de fractie van de Partij voor de Dieren in het voorliggende wetsvoorstel geen concrete voorstellen die het welzijn van dieren in Nederland zullen gaan verbeteren. Kan de minister toelichten wat in haar optiek –specifiek ten aanzien van dierenwelzijn- de toegevoegde waarde is van dit nieuwe wetsvoorstel boven het evalueren en verder invullen van de GWWD?
Ook dit nieuwe wetsvoorstel Dieren is een kaderwet, waarvan het maar de vraag is of en zo ja, op welke termijn deze verder ingevuld zal worden. De leden kunnen zich vinden in de constatering van de Raad van State dat het inhoudelijke normerende kader van het voorstel beperkt is. De Raad stelt tevens dat: “voor zover het wetsvoorstel overkoepelende bepalingen bevat, deze door het ontbreken van specificiteit het risico inhouden van lagere regelgeving en een uitvoeringspraktijk met een door de formele wetgever onbedoeld ruime reikwijdte.” Deelt de minister de mening van de leden dat een ambitieus beleid ten aanzien van het verbeteren van dierenwelzijn meer inhoudt dan een leeg kader en een niet-verdere verruiming van de reikwijdte van de delegatiebepalingen, zoals zij stelt in het nader rapport? Kan de minister toelichten waarom zo’n twintig aantal artikelen van de GWWD nooit zijn ingevuld middels uitvoeringsregelingen of in werking zijn getreden, zoals de artikelen 33, 43, 46 t/m 54 en 65? Op welke wijze kan de minister garanderen dat de wet Dieren een ander lot beschoren zal zijn en wel helemaal ingevuld zal worden? Kan de minister hierbij ook aangeven waarom een aantal artikelen uit de GWWD nu verplaatst is naar uitvoeringsregelingen?
De leden van de fractie van de Partij voor de Dieren kunnen niet instemmen met een nieuw wetsvoorstel dat zou moeten dienen ter bescherming van dieren zolang de inhoud hiervan nog open ligt. Is de minister bereid het voorstel in te trekken en niet eerder opnieuw in te dienen tot het moment waarop alle artikelen en amvb’s ingevuld zijn?

Door de GWWD te vervangen door een wetsvoorstel dat zowel de bescherming van dieren als de economische bescherming van houders van dieren en dierlijke productieketens moet borgen, dreigt Nederland binnen Europa een achterstandspositie in te nemen als het gaat om het hebben van een zelfstandige dierenwelzijnswet. De leden zijn benieuwd in hoeverre dit wetsvoorstel Dieren is gestaafd met vergelijkbare wetten in ons omringende landen. Heeft de minister bijvoorbeeld kennisgenomen van de onlangs voorgestelde Zwitserse dierenbeschermingswet (Tierschutzverordnung) en hoe beoordeelt zij de inhoud, ambities en reikwijdte van het Zwitserse wetsvoorstel?
In dit verband wijzen de leden op het voorstel voor een Algemene Dierenbeschermingswet dat op 3 juni 2007 door de Coalitie Dierenbeschermingsorganisaties Nederland aan de leden van de Vaste Kamercommissie LNV werd aangeboden. De leden ontvangen graag een artikelsgewijze reactie van de minister op dit voorstel waarin wordt ingegaan op de verbeteringen die het oplevert in de bescherming van dieren ten opzichte van het voorliggende wetsvoorstel, een beoordeling of dit artikel opgenomen kan worden in het voorliggende wetsvoorstel en de reden waarom een artikel wel of niet zal worden opgenomen in het voorliggende wetsvoorstel.

Intrinsieke waarde
In het voorliggende wetsvoorstel is de intrinsieke waarde van het dier onvoldoende gedefinieerd en uitgewerkt. Ook uit het advies van de Raad van State blijkt dat de wijze waarop dit begrip is uitgewerkt in het voorstel onvoldoende houvast biedt om tot een oordeel te kunnen komen over het al dan niet toestaan van bepaalde handelingen met dieren. Er is geen definitie, het biedt onvoldoende sturing aan de lagere wetgever, terwijl de invulling van de norm grotendeels zal plaatsvinden middels of bij amvb, en zal door zijn vaagheid leiden tot rechtsonzekerheid stelt de Raad van State. Dat zijn geen een milde uitspraken, zo vinden de leden van de Partij voor de Dieren. Aan de intrinsieke waarde moet volgens de Memorie van Toelichting verschillend gewicht worden toegekend, al naar gelang de aanwezigheid van andere zwaarwegende belangen zoals het economische belang dat samenhangt met voedselproductie. Dit is volgens de leden per definitie strijdig met het volwaardig erkennen van de intrinsieke waarde van een dier. De leden ontvangen dan ook graag een nadere uiteenzetting van de wijze waarop deze weging zal worden vormgegeven, wie deze weging zal bepalen en welke organisaties, instituten en belanghebbenden betrokken zullen worden bij het opstellen van de criteria en wegingsfactoren die ten grondslag liggen aan de weging.

In het nader rapport geeft de minister in reactie op de vraag die de Raad hierover stelt aan dat het opnemen van de intrinsieke waarde van een dier in het wetsvoorstel slechts een signaalfunctie heeft. Deelt de minister de mening dat het daadwerkelijk centraal stellen van de intrinsieke waarde van een dier inhoudt dat dit wetvoorstel grondig dient te worden herzien? Op welke wijze is de minister bereid hieraan gehoor te geven?

De leden van de fractie van de Partij voor de Dieren zijn van mening dat de erkenning van de intrinsieke waarde van dieren onder andere inhoudt dat men de plicht heeft om actief het gebruik van dieren te verminderen. De minister stelt in haar antwoord op de feitelijke vragen dat de uitgangspunten van haar beleid voor de mens beperkingen meebrengen ten aanzien van het gebruik van dieren, wat tot uiting komt in de regels, gesteld bij en krachtens de GWWD, die worden gecontinueerd wanneer dit wetsvoorstel, eenmaal wet, van kracht wordt. De leden ontvangen graag een toelichting op de vorm waarin de minister deze beperkingen ziet en de mate waarin hierbij een vermindering van het gebruik van dieren is opgenomen.

Ethisch toetsingskader
Tijdens het debat over de nota Dierenwelzijn is de motie Waalkens aangenomen die vroeg om de ontwikkeling van een ethisch toetsingskader ten aanzien van het gebruik van dieren. Een dergelijke ethische toetsing is volgens de leden van de fractie van de Partij voor de Dieren essentieel om te kunnen bepalen wat wel en wat niet een redelijk doel is om dieren voor in te zetten en zou daarmee aan de basis moeten staan van de verdere ontwikkeling van wetgeving en beleid ten aanzien van het houden en gebruiken van dieren. In antwoord op schriftelijke vragen van de Partij voor de Dieren is toegezegd bij de uitvoering van de motie tevens de inzet van dieren voor amusementsdoeleinden, zoals het zogenaamde ganstrekken, te betrekken. De leden van de fractie van de Partij voor de Dieren vernemen graag wat hierin de actuele stand van zaken is en op welke wijze dit ethisch toetsingskader zal worden verwerkt in het voorliggende wetsvoorstel.

Handhaving
Voor effectieve wetgeving rondom dierenmishandeling is in de ogen van de leden van de fractie van de Partij voor de Dieren een gedegen evaluatie nodig over de (toepassing en formulering van de) huidige bepalingen rondom dierenmishandeling, waarbij duidelijk moet zijn waaraan het tot op heden heeft geschort bij de handhaving en vervolging bij de huidige artikelen 36 en 37 van de GWWD. De minister geeft in antwoord op vragen hierover van de Partij voor de Dieren telkens aan dat de benodigde gegevens ontbreken om een dergelijke evaluatie van de artikelen 36 en 37 van de GWWD uit te voeren. Het informatiesysteem van het OM zou dit niet toelaten. Kan de minister aangeven in hoeverre een evaluatie van de handhavingsaspecten bij dit wetsvoorstel mogelijk is? Op welke wijze zal de wet- en regelgeving worden aangepast op basis van deze evaluatie? Hoe verklaart u dit verschil ten opzichte van de huidige situatie?
Kan de minister toelichting geven op het stelsel van bestuursrechtelijke instrumenten dat zal worden ontwikkeld? Welke rol zal het houdverbod hierbij krijgen als zelfstandige straf of als bijkomende maatregel?

Preventieve toetsing huisvesting
De leden van de fractie van de Partij voor de Dieren vinden het onacceptabel dat in het voorliggende wetsvoorstel geen mogelijkheid is opgenomen voor preventieve toetsing van nieuwe huisvestingssystemen.
Door het niet in werking laten treden van het artikel van de GWWD dat deze toetsing mogelijk zou maken, zijn onwenselijke ontwikkelingen ontstaan op dit gebied. Massaal wordt geïnvesteerd in huisvestingssystemen als de verrijkte kooi en Kleingruppenhaltung, waarbij enige verbetering in dierenwelzijn vervolgens jaren kost. Volièresystemen zijn ontwikkeld die door het sluiten van kleppen eenvoudig kunnen worden omgetoverd tot verrijkte kooi. Voldoende controle en toezicht hierop is onmogelijk, wat tevens bleek uit het onlangs verschenen jaarverslag van de Algemene Inspectie Dienst. Inspecteurs hebben in 2007 slechts 15% gerealiseerd van het aantal geplande uren voor controles in de pluimveesector. Graag vernemen de leden hoe de minister dergelijke ontwikkelingen denkt tegen te kunnen gaan met de nu voorgestelde kaders.
Het ontbreken van preventieve toetsing van huisvestingssystemen kan tevens leiden tot ongewenste ontwikkelingen voor wat betreft de realisatie van de toekomstvisie op een veehouderij van de minister van januari dit jaar. Daarin wordt gesteld met betrekking tot 2023: “stallen en bedrijfsvoering zijn tegen die tijd om het dier heen gebouwd op een wijze die wordt gedragen door de samenleving. Het vee vertoont natuurlijk gedrag, krijgt daglicht en ondergaat nauwelijks tot geen fysieke ingrepen.” De leden van de fractie van de Partij voor de Dieren willen graag vernemen op welke wijze deze ambities worden verankerd in het wetsvoorstel en op welke wijze wordt voorkomen dat huisvestingssystemen worden ontworpen die niet aan deze toekomstvisie voldoen en daardoor ook niet passen in een toekomstgerichte veehouderij. Verder willen de leden weten op welke wijze de minister richting geeft aan deze ontwikkeling naar een meer diervriendelijke veehouderij en welke rol de wet Dieren daarin speelt. Welke elementen zijn of worden opgenomen in het wetsvoorstel die de weg naar een duurzame veehouderij in de toekomst bevorderen? De leden van de Partij voor de Dieren vrezen dat door het weglaten van preventieve toetsingsvereisten en richtlijnen de kans om later in te kunnen grijpen zeer beperkt is als blijkt dat toch stalsystemen worden geïmplementeerd die niet aan de maatschappelijke randvoorwaarden en de toekomstvisie van de minister voldoen. Op welke wijze denkt de minister deze vrees weg te kunnen nemen? En kan de minister inzicht geven in wie de lasten zal betalen als mocht blijken dat veehouders die hebben geïnvesteerd in niet wenselijke huisvestingsystemen zich beroepen op het ontbreken van sturende regels en grote bedragen vragen om uitgekocht te worden? Kan de minister aangeven op welke wijze zij deze ontwikkeling zal voorkomen en in hoeverre dat onderdeel kan zijn van de wet dieren?

Landbouwhuisdieren en vissen
De leden van de fractie van de Partij voor de Dieren vragen zich af op welke wijze Nederland de ambitie vormgeeft om zich in de voorhoede van Europa te bevinden als het gaat om het verbeteren van het dierenwelzijn. De minister laat zich vaak ontvallen dat landbouwhuisdieren het in Nederland beter hebben dan elders, maar verzuimt daarbij concrete voorbeelden aan te dragen. Zou zij in het kader van het wetsvoorstel aan kunnen geven op welke onderdelen Nederland een voorhoedepositie inneemt in het beschermen van dieren en het verbeteren van dierenwelzijn? En kan de minister aangeven of zij een kop op de Europese wet- en regelgeving ter bescherming van dieren ambieert om de voorhoedepositie binnen de Europese unie concrete inhoud en vorm te geven? En als zij die kop op de Europese wetgeving niet ambieert, kan zij dan aangeven op welke wijze zij een geloofwaardige rol in de voorhoede van Europa denkt te kunnen spelen?

De minister stelt in de lijst vragen en antwoorden dat een lager beschermingsniveau op grond van EU- recht niet mogelijk is. Vissen blijken in Nederland echter geen bescherming te genieten vanwege het ontbreken van regulering en wetgeving omtrent humane dodingsmethoden. De leden van de Partij voor de Dieren wil weten hoe de minister dit beziet.

De minister stelt in de beantwoording op de feitelijke ragen dat de lijst die is opgenomen in het Besluit aanwijzing voor productie te houden dieren zal worden gecontinueerd. Er heeft echter nog nooit een toetsing plaatsgevonden of de dieren op de lijst daadwerkelijk geschikt zijn om voor productie te houden en er is geen duidelijkheid over onder welke voorwaarden deze dieren wel of niet gehouden kunnen worden. Tevens is onduidelijk wat de minister verstaat onder het “voldoende recht doen aan de primaire behoeften van een dier”. Op welke primaire behoeften doelt zij en in hoeverre is nagegaan of de huidige lijst van voor productie te houden dieren aan deze voorwaarde kan voldoen? Door het ontbreken van duidelijke criteria over de wijze waarop dieren op de lijst voor te houden dieren geplaatst worden, kan het welzijn en de gezondheid van dieren die op de lijst staan ernstig aangetast worden. De leden van de fractie van de Partij voor de Dieren vragen zich af waarom er geen toetsing heeft plaatsgevonden van de lijst en willen weten of de minister bereid is om dergelijke toetsing wel uit te voeren en de lijst op basis daarvan te actualiseren.

Met betrekking tot artikel 3, eerste lid van het Besluit voortplantingstechnieken bij dieren stelt de minister dat onnodig leed niet mag worden veroorzaakt met andere dan natuurlijke voortplantingstechnieken. Al naar gelang de concrete situatie zal worden bepaald of pijn, letsel, stress of ander ongerief al dan niet nodig is, schrijft de minister in antwoord op de feitelijke vragen. Betekent deze interpretatie dat het is toegestaan om pijn en letsel aan een dier toe dienen en stress en ongerief te veroorzaken als daar een ander doel mee is gediend? Kan de minister aangeven wat dat andere doel dan is en op welke wijze en volgens welke criteria wordt gewogen of het doel de pijn, het letsel, de stress en het ongerief dat dieren wordt aangedaan rechtvaardigt? De leden van de fractie van de Partij voor de Dieren willen graag inzicht in de wijze waarop deze afweging tot stand is gekomen bij voortplantingstechnieken als het spoelen en plaatsen van embryo’s bij koeien, het in 80-90% van de gevallen toedienen van een keizersnee bij dikbilkoeien en het plaatsen van plastic buizen met hormonen in koeien om de vruchtbaarheid te vergroten.
De minister stelt dat verduurzaming van de veehouderij vooral vanuit de “dynamiek en het samenspel tussen ondernemers en samenleving zelf” zal moeten komen. Zij stelt dat de overheid randvoorwaarden vaststelt waarbinnen het samenspel kan plaatsvinden. De Algemene Rekenkamer stelt in haar rapport over de duurzaamheid van de veehouderij dat zij ‘het positief vindt dat de minister aangeeft op het terrein van dierenwelzijn een koploperspositie in Europa te ambiëren en dat de minister niet zal schromen instrumenten te hanteren om verberingen af te dwingen indien het Europese spoor onvoldoende voortgang biedt en/of de markt onvoldoende verantwoordelijkheid neemt. Beleidsevaluatie vormt daarbij een belangrijk instrument om te kunnen bepalen of voldoende resultaten worden geboekt’. De leden van de fractie van de Partij voor de Dieren willen meer helderheid van de minister over de randvoorwaarden die de overheid vaststelt om ondernemers en samenleving kaders te geven (welke zijn dat?) en de criteria die de minister hanteert om na te gaan of het Europese spoor voldoende voortgang boekt en de markt voldoende verantwoordelijkheid neemt (welke criteria hanteert zij hiervoor en welke tijdslijn/mijlpalen verbindt zij hieraan?). Op basis waarvan en wanneer bepaalt de minister of aanvullende randvoorwaarden en de inzet van overheidsinstrumenten noodzakelijk is? En is de minister bereid de aanbeveling van de Rekenkamer over te nemen en een beleidsevaluatie uit te voeren? Zo ja, zal deze evaluatie een onderdeel zijn van de initiatiefwet?

Biotechnologie
De leden van de fractie van de Partij voor de Dieren hebben met teleurstelling kennis genomen van de voorstellen van de minister op het gebied van biotechnologische handelingen bij dieren.
Kan de minister toelichten waarom is gekozen voor de formulering dat regels “kunnen worden gesteld”? Met het oog op de eerdere ervaring rondom de GWWD, zien de leden dit als onwil om hierover wet- en regelgeving op te stellen. Is de minister voornemens deze formulering aan te passen? Kan de minister aangeven op welke wijze de maatschappelijke betrokkenheid bij en de openbaarheid rondom biotechnologie bij dieren zal worden gecontinueerd? Kunt u toelichten op welke wijze vigerende regels in het Besluit biotechnologie bij dieren zullen worden vereenvoudigd?
Welke conclusies voor haar beleid trekt de minister uit het advies dat onlangs door de EFSA (European Food Safety Authority) is opgesteld, waarin wordt aanbevolen drie groepen ongewervelden (Cyclostomata, Decapoda crustacea en Cephalopoda) wettelijke bescherming te bieden? Zal dit advies worden verwerkt in het voorliggende wetsvoorstel en zo ja, op welke wijze en op welke termijn?

Dieren en sport
Ten aanzien van het gebruik van dieren voor sportwedstrijden is het nee, tenzij-principe vervangen door een ja, mits. De minister geeft hiervoor als reden dat er een goed systeem van zelfregulering bestaat. Kan de minister aangeven welke onderzoeken aan deze conclusie ten grondslag liggen? Kan de minister aangeven welke regelgeving er bestaat met betrekking tot de duivensport, op welke wijze wordt gehandhaafd op de naleving van deze regelgeving en de hierbij gehanteerde trainingsmethoden en op welke wijze is gebleken dat landelijke wetgeving ten aanzien van duivensport overbodig is?
Kan de minister aangeven op welke wijze de ontwikkeling van nieuwe dieronvriendelijke sporten met dieren kan worden voorkomen en/of tegengegaan op basis van dit wetsvoorstel? Graag vernemen de leden hoe het loslaten van het verbod op het gebruik van doping op basis van het goede stelsel van zelfregulering zich verhoudt tot de berichten over dieronvriendelijke trainingsmethoden en een toename in dopinggebruik vanuit de sector zelf.

Gezelschapsdieren en huisvestingseisen
Een groot manco van het voorliggende wetsvoorstel is in de ogen van de leden van de fractie van de Partij voor de Dieren het totaal ontbreken van wet- en regelgeving met betrekking tot het houden van gezelschapsdieren. Zoals ook blijkt uit de Memorie van toelichting heeft Nederland een omvangrijke industrie en handel, gericht op allerlei producten en diensten voor gezelschapsdieren. De leden vernemen dan ook graag van de minister hoe dit zich verhoudt tot haar uitspraak in hetzelfde artikel van de MvT dat “commerciële overwegingen meestal afwezig zijn” wanneer het gaat om gezelschapsdieren.
Is de minister bereid gezelschapsdieren een volwaardige plaats te geven in de wet Dieren, door middel van het stellen van regels ten aanzien van onder andere de huisvesting, de verzorging en de verkoop van gezelschapsdieren, met daarbij tevens aandacht voor de fokkerij, zowel bij rasfokkers als bij particulieren? Zo neen, waarom niet? Is de minister bereid landelijk beleid in te stellen ten aanzien van de omgang met en opvang van zwerfdieren, met name zwerfkatten, en dit op te nemen in de wet Dieren? Zo neen, waarom niet?

Kunt u toelichten waarom u in de lijst vragen en antwoorden stelt dat de regels inzake huisvesting, verzorging en het verbod op dierenmishandeling voldoende waarborgen bieden ter bescherming van het dier dat wordt vertoond in media-, kunst- en amusementsuitingen? Kunt u uiteenzetten welke regels inzake huisvesting er gelden voor de verschillende diergroepen die worden ingezet voor amusementsdoeleinden, zoals bijvoorbeeld krokodillen die worden ingezet in shows, honden, katten en knaagdieren die gebruikt worden in televisieprogramma’s?

Doelvoorschriften vs middelvoorschriften
In de lijst vragen en antwoorden stelt de minister dat wordt gewerkt aan een amvb met doelvoorschriften die het certificatiesysteem dekken voor de handelaren in de honden- en kattenbranche. Is dit de amvb die het Honden en Kattenbesluit zal gaan vervangen? Kan de minister aangeven op welke termijn de amvb gereed zal zijn en aan de Kamer zal worden verzonden? Wat zullen naar verwachting van de minister de gevolgen zijn voor de dierenasielen die honden en katten opvangen? Kan de minister toelichten wat volgens haar de verbeteringen zijn ten aanzien van de mate van dierenwelzijn ten opzichte van het Honden- en Kattenbesluit? Op welke wijze kan de minister garanderen dat doelvoorschriften niet ten nadele van het welzijn van de dieren zullen uitpakken?