Inbreng Feite­lijke vragen over aange­nomen moties Partij voor de Dieren (I&M)


29 april 2011

1. Kunt u een overzicht geven van de probleemstoffen in de Nederlandse oppevlaktewateren en de bijbehorende normoverschrijdingen?

2. Kunt u de stand van zaken en het verdere verloop van het proces rond de herziening van de richtlijn prioritaire stoffen geven? Wanneer wordt het voorstel van de Commissie verwacht inzake deze herziening?

3. Is de enige mogelijkheid om een stof op de prioritaire lijst te plaatsen dat het in drie lidstaten een probleem vormt? Kunt u een overzicht geven van landen waar imidacloprid en andere neonicotinoiden een probleemstof in het oppervlaktewater vormt?

4. Heeft u de stoffen die in Nederland een probleem zijn, al onder de aandacht gebracht van de internationale stroomgebiedscommissies? Zo nee, wanneer gaat u dit doen? Zo ja, wat was het resultaat hiervan?

5. Wat zijn de consequenties van het aannemen van de Motie Snijder-Hazelhoff en Koopmans over het schrappen van de preregistratietoets op waterkwaliteitsdoelstellingen? Op welke wijze zult u de gevolgen hiervan monitoren?

6. Naar aanleiding van motie Ouwehand 32372-26 zou u in overleg treden met de VNG over het uitfaseren van het gebruik van chemische middelen voor de openbare ruimte en particulier gebruik, kunt u de stand van zaken hiervan geven?

7. Deelt u de mening dat gezien het belang en nut van een veldproef naar de effectiviteit van de bestrijding van muskusratten door alle betrokken onderscheven wordt het zinvol is als de veldproef plaatsvindt met onderlinge afstemming tussen de partijen? Zo ja, bent u bereid hier een ondersteunende en faciliterende rol in te spelen? Zo ja, op welke wijze en termijn? Zo neen, waarom niet?

8. Wanneer is de testfase naar een diervriendelijker vangmethode voor muskusratten, gasdoding, als alternatief voltooid? Bent u bereid de Kamer hierover op de hoogte te houden? Zo neen, waarom niet?

9. Kunt u bevestigen dat er geen empirisch vastgestelde relatie is tussen de populatieomvang van muskusratten en het optreden van schade? Zo ja, op basis van welke informatie stelt u dan dat preventieve maatregelen onvoldoende effect hebben? Zo neen, waar baseert u dat op?

ANTWOORDEN

1. Kunt u een overzicht geven van de probleemstoffen in de Nederlandse oppervlaktewateren en de bijbehorende normoverschrijdingen?

In 2006 is de tussenevaluatie van het gewasbeschermingsbeleid gepubliceerd. In deze evaluatie zijn twee top10 lijsten opgenomen met de meest milieubelastende gewasbeschermingsmiddelen over de periode 1998-2005. Het betreft een lijst met gemeten probleemstoffen en een lijst probleemstoffen op grond van berekende emissies. De volgende gewasbeschermingsmiddelen staan op deze lijsten: Imidacloprid, Fenamifos, Pirimifos-methyl, Aldicarbsulfoxide, Dithianon, Difenoconazool, Abamectine, Carbendazim, Monolinuron, Kresoxim-methyl, Teflubenzuron, Esfenvaleraat, Lambda-cyhalothrin, Captan, Deltamethrin, Fenoxycarb, Dodine, Chloorfenvinfos, Metsulfuron-methyl en Isoproturon.

Begin 2011 komen de resultaten van de eindevaluatie beschikbaar. Dan is er weer een actueel overzicht van de probleemstoffen. De meest recente overzichten van gemeten probleemstoffen en de mate van normoverschrijding staan in de bestrijdingsmiddelenatlas op het internet (www.bestrijdingsmiddelenatlas.nl).

2. Kunt u de stand van zaken en het verdere verloop van het proces rond de herziening van de richtlijn prioritaire stoffen geven? Wanneer wordt het voorstel van de Commissie inzake deze herziening verwacht?

Het proces voor de herziening van de dochterrichtlijn prioritaire stoffen heeft forse vertraging opgelopen. De planning is nu dat er in september 2011 een voorstel komt. In beeld zijn 19 kandidaatstoffen om aan de bestaande prioritaire stoffenlijst toe te voegen. Voor het selecteren van de stoffen heeft de commissie o.a. gebruik gemaakt van meetgegevens uit de stroomgebieds-beheersplannen. Die zijn met name gericht geweest op de zogenaamde stroom-gebiedrelevante stoffen. Van de vier stroomgebieden waar delen van in Nederland liggen, varieert het aantal stroomgebiedrelevante bestrijdingsmiddelen van 0 (Schelde) tot 6 (Rijn). De Commissie heeft gesignaleerd dat het proces van prioritering van stoffen verbetering behoeft. Zij zal hiervoor in september ook voorstellen formuleren.

3. Is de enige mogelijkheid om een stof op de prioritaire lijst te plaatsen de voorwaarde dat deze in drie lidstaten een probleem vormt? Kunt u een overzicht geven van landen waar imidacloprid en andere neonicotinoiden een probleemstof in het oppervlaktewater vormen?

Het criterium van drie lidstaten is voor de Commissie leidraad voor de plaatsing van een stof op de prioritaire lijst. Ze houdt daar zo veel mogelijk aan vast, maar juridisch bindend is het niet. Het criterium is een invulling van het subsidiariteitsbeginsel. Problemen die slechts in een paar lidstaten spelen moeten daar worden opgelost en niet op Europees niveau.

Van monitoringsgegevens van gewasbeschermingsmiddelen in andere landen zijn slechts fragmentair gegevens bekend. Een overzicht van landen waar neonicotinoiden een probleemstof zijn, kan ik daarom niet geven.

4. Heeft u de stoffen die in Nederland een probleem zijn al onder de aandacht gebracht van de internationale stroomgebiedcommissies? Zo nee, wanneer gaat u dit doen? Zo ja, wat was het resultaat hiervan?

De Nederlandse monitoringsgegevens van gewasbeschermingsmiddelen in water worden door mij verzameld, bewerkt en toegankelijk gemaakt via de website www.bestrijdingsmiddelenatlas.nl. Per stroomgebied worden daar de actueel belangrijkste probleemstoffen gepresenteerd. Stroomgebiedcommissies kunnen daarvan gebruik maken voor de selectie van hun probleemstoffen en hun rapportages daarover.

5. Wat zijn de consequenties van het aannemen van de motie Snijder-Hazelhoff/Koopmans over het schrappen van de preregistratietoets op waterkwaliteitsdoelstellingen (32372, nr. 42)? Op welke wijze zult u de gevolgen hiervan monitoren?

De preregistratietoets op de waterkwaliteitsdoelstellingen was bedoeld om toepassingen van gewasbeschermingsmiddelen die naar verwachting tot normoverschrijding leiden, niet zonder meer toe te laten. Het schrappen van deze toets zou nadelig kunnen uitwerken op de waterkwaliteit, maar die wordt nauwlettend gevolgd in de monitoring. De monitoringsinspanning wordt gericht op de stoffen met de meeste kans op normoverschrijding. Daarmee wordt de ontwikkeling van de waterkwaliteit ten dele zichtbaar. Lang niet alle gewasbeschermingsmiddelen zijn op de concentratie van de norm goed te meten.

6. Naar aanleiding van de motie Ouwehand, over het uitfaseren van het gebruik van chemische bestrijdingsmiddelen (32372, nr. 26), zou u in overleg treden met de VNG over het uitfaseren van het gebruik deze middelen voor de openbare ruimte en particulier gebruik. Kunt u de stand van zaken hiervan geven?

Het overleg is nog niet afgerond. Streven is de Tweede Kamer vóór de zomer over de resultaten te informeren.

7. Deelt u de mening dat het, gezien het belang en nut van een veldproef naar de effectiviteit van de bestrijding van muskusratten door alle betrokken onderscheven wordt, zinvol is als de veldproef plaatsvindt met onderlinge afstemming tussen de partijen? Zo ja, bent u bereid hier een ondersteunende en faciliterende rol in te spelen? Zo ja, op welke wijze en termijn? Zo nee, waarom niet?

De verantwoordelijkheid voor de bestrijding van de muskus- en beverratten ter voorkoming van schade aan waterkeringen ligt bij de waterschappen. Er is momenteel geen rijksbeleid inzake de effectiviteit van deze muskusrattenbestrijding. Gelet op de bestaande verantwoordelijkheidsverdeling en de invulling die daaraan wordt gegeven, wordt dit ook niet ontwikkeld.

De verantwoordelijke organisaties en betrokken partijen vinden het zinvol om een veldproef op te zetten. De landelijke coördinatiecommissie muskusrattenbestrijding (LCCM) trekt de ontwikkeling van een veldproef. Momenteel wordt een opdracht geformuleerd, in overleg met betrokken partijen waaronder vertegenwoordigers uit de dierenwelzijnsector. Ik ben niet voornemens om hier een rol in te vervullen.

8. Wanneer is de testfase naar een diervriendelijker vangmethode voor muskusratten, gasdoding, als alternatief voltooid? Bent u bereid de Kamer hierover op de hoogte te houden? Zo nee, waarom niet?

Het is momenteel onbekend wanneer de testfase kan worden afgerond. Het moment van afronding is afhankelijk van de resultaten tijdens de periode van feitelijk gebruik. Op basis van ervaringen en resultaten worden modificaties aangebracht en volgt opnieuw een periode van feitelijk gebruik. Ik zal de waterschappen vragen de voortgang hiervan te rapporteren in het jaarverslag van de LCCM. Desgewenst ben ik bereid de Kamer hiervan op de hoogte te houden.

9. Kunt u bevestigen dat er geen empirisch vastgestelde relatie is tussen de populatieomvang van muskusratten en het optreden van schade? Zo ja, op basis van welke informatie stelt u dan dat preventieve maatregelen onvoldoende effect hebben? Zo nee, waar baseert u dat op?

Er is een empirisch vastgestelde relatie tussen populatieomvang van muskusratten en de veiligheid van waterkeringen. In opdracht van de LCCM heeft bureau DHV onderzoek gedaan naar deze relatie. De resultaten zijn neergelegd in het onderzoek “Populatieontwikkeling en veiligheid”. Onderdeel van het onderzoek was ook de empirische toepassing van het model op enkele dijk- en kaderingen.