Inbreng Besluit genetisch gemo­di­fi­ceerde orga­nismen mili­eu­beheer 2013 (besluit ggo)


2 juni 2014

Inbreng Partij voor de Dieren Schriftelijke Overleg Besluit genetisch gemodificeerde organismen milieubeheer 2013

De leden van de fractie van de Partij voor de Dieren hebben met grote teleurstelling kennisgenomen van het Ontwerpbesluit genetisch gemodificeerde organismen milieubeheer 2013. Zij zien dat het hiermee makkelijker wordt gemaakt om gentech te gebruiken en betreuren dat, omdat zij niet geloven dat gentech een oplossing kan vormen voor de uitdagingen waar de samenleving voor staat. Gentech is een techniek die kan leiden tot nieuwe risico’s voor mens en milieu. Het voorzorgsprincipe wordt meer en meer losgelaten. De leden van de fractie van de Partij voor de Dieren vragen zich dan ook af of de maatschappij voldoende beschermd wordt. De leden van de fractie van de Partij voor de Dieren wijzen het gebruik van gentechgewassen af, en ook het versoepelen van de regels op dit punt. Zij willen graag een aantal vragen stellen over het voorliggende ontwerpbesluit.

De leden van de fractie van de Partij voor de Dieren vragen zich wederom af waarom op dit moment gekozen wordt voor het doorzetten van de aanpassing van de ggo-wetgeving? Er lijkt immers op Europees niveau bijna een akkoord te zijn over het nationale teeltvoorstel, wat landen de gelegenheid moet geven om zelf beperkingen te stellen aan de teelt van gengewassen op hun grondgebied. Als dit akkoord inderdaad bereikt wordt, zal er wederom een aanpassing van het besluit ggo’s voor de hand liggen, kan de staatssecretaris dat bevestigen? Is het niet logischer om deze ontwikkelingen af te wachten, en in een keer de nationale wetgeving aan te passen op de nieuwe situatie, zo vragen deze leden? Zo ja, is zij bereid dit besluit op de plank te leggen tot de uitkomsten van de Europese overleggen bekend zijn?

De leden van de fractie van de Partij voor de Dieren vinden de uitgangspunten van het voorliggende besluit, namelijk het vereenvoudigen van de regelgeving en het nog meer inzetten op een Europees level playing field, betreurenswaardig. Zij vinden dat het beschermen van mens, dier en milieu tegen de introductie van ggo’s, die onvoorziene en vergaande gevolgen kunnen hebben, voorop zou moeten staan. De leden van de PvdD-fractie zien dat ook in deze wijziging van de wetgeving het kabinet ervoor kiest om op het minimum te gaan zitten wat Europa voorschrijft, en daarmee de belangen van de bedrijven voorop stelt. Er is in dit land helemaal geen maatschappelijk draagvlak voor gentech, en zeker niet voor de introductie van ggo’s in het milieu. Het weinige draagvlak wat er al was voor deze omstreden techniek neemt nog steeds af, zoals ook al bevestigd is door de staatssecretaris bij de beantwoording van vragen van deze leden over het ontwerpbesluit. De leden van de PvdD-fractie blijven erop wijzen dat er geen draagvlak is voor de voorliggende versoepeling van de regels met betrekking tot genetische manipulatie, en krijgen hier graag een reactie op van deze staatssecretaris.

De leden van de fractie van de Partij voor de Dieren hebben er in hun eerdere schriftelijke inbreng voor het ontwerpbesluit al op gewezen dat, nu de vergunningplicht deels wordt omgezet in een meldplicht, het gebruik van proefdieren voor dit doel makkelijker wordt gemaakt. De staatssecretaris heeft toen geantwoord dat een toe- of afname van dierproeven niet voorzien werd met dit besluit, maar bevestigde ook dat de meeste dieproeven voor dit doel nu inderdaad niet meer vergunningplichtig zijn. Is de staatssecretaris bereid een jaar na inwerkingtreding van dit besluit een evaluatie uit te voeren, waarin specifiek aandacht besteed wordt aan de gevolgen van dit besluit voor proefdieren?

Kan de staatssecretaris nader toelichten op welke wijze de recent bevestigde uitgangspunten ven het beleid met betrekking tot genetische manipulatie bij dieren, namelijk Nee, tenzij, is geborgd in het voorliggende besluit? Deelt de staatssecretaris de mening van de leden van de PvdD-fractie dat dit Nee heel hard zou moeten gelden met betrekking tot het genetisch manipuleren van dieren ten behoeve van sport, vermaak en consumptiedoeleinden, en dat dit gewoon in het voorliggende besluit opgenomen zou kunnen en moeten worden? Zo nee, waarom niet?

De leden van de PvdD-fractie hebben grote moeite met de wijze waarop de locatie van veldproeven nu openbaar gemaakt zal worden. De regering heeft hier jarenlang een verkeerde lijn gekozen door de locatie niet exact aan te geven. Het Hof en de Raad van State hebben dit vervolgens veroordeeld. Het stelt de leden van de PvdD-fractie teleur dat de staatssecretaris er wederom voor kiest om de locaties van de veldproeven zo veel mogelijk geheim te houden. De locaties van proeven van categorie I worden weliswaar nu tot op het perceel of de percelen bekend gemaakt, maar de overige categorieën worden verstopt in een raster dat 100 x zo groot is als de veldproef zelf. Kan de staatssecretaris deze keuze nader onderbouwen?

De leden van de fractie van de Partij voor de Dieren blijven van mening dat de wijze waarop de staatssecretaris momenteel uitvoering geeft aan deze regels nog steeds geen recht doet aan het recht op milieu-informatie die alle burgers van Nederland hebben op grond van het verdrag van Aarhus. Bij welke handeling dan ook met betrekking tot genetische manipulatie is er naar mening van de leden van de fractie van de PvdD sprake van milieu-informatie. Naar mening van deze leden houdt dit dus in dat iedereen er recht op heeft om te weten waar in ons land ggo’s zich bevinden. Als gevolg daarvan zouden locaties van alle ggo’s dus op perceelsniveau kenbaar moeten worden gemaakt, niet alleen die van categorie 1, maar ook die van categorie 2 en 3, graag een reactie op dit punt. Bovendien vinden de leden van de PvdD-fractie dat, naast volledige openheid over de locaties van veldproeven, er ook meer geregeld moet worden in het voorliggende besluit over de wijze van openbaarmaking van de locaties. Zij zien graag in dit besluit geregeld dat de gemeente een actieve meldingsplicht heeft aan de mensen die binnen een straal van 1 kilometer van de locatie wonen en/of daar landbouw bedrijven. Graag een reactie op dit voorstel, is de staatssecretaris bereid dit in het besluit op te nemen? Zo nee, waarom niet, en op welke wijze wil zij er dan voor gaan zorgen dat alle mensen – en dus niet alleen de landbouwers – in de buurt van de veldproef hiervan op de hoogte worden gesteld?

De leden van de PvdD-fractie maken zich zorgen dat de mogelijke commerciële teelt van gentechgewassen de biologische- en gangbare teelt in gevaar kan brengen. De leden zijn van het co-existentieconvenant op de hoogte, maar vragen de staatssecretaris om wettelijke afstandseisen op te nemen tussen de teelt van genetisch gemanipuleerde gewassen en alle overige landbouw, maar ook tussen teelt van ggo’s en natuurgebieden, om de biodiversiteit daarin te beschermen. Graag een reactie van de staatssecretaris.

Het aanpassen van het begrip ‘verwaarloosbaar risico’ naar ‘aanvaardbaar risico’ baart de leden van de PvdD-fractie grote zorgen. Zij lezen in de toelichting dat dit voortvloeit uit de toepassing van gentechniek bij mensen, maar wijzen erop dat dit ook consequenties heeft op de plantaardige en dierlijke ggo’s voor overige introductie in het milieu, zoals bij teelt van gentechgewassen. Het voorzorgbeginsel moet wat de leden van de Partij voor de Dieren betreft voorop staan, en zij zien in het aanpassen van dit begrip dat die voor het kabinet kennelijk niet leidend meer is. Wat is een aanvaardbaar risico bij de introductie van gengewassen in het milieu? En wie bepaalt dat? Graag een nadere duiding van de gevolgen van deze verandering in de ggo-wetgeving.

De leden van de PvdD-fractie begrijpen niet waarom de betrokkenheid van de Ministers van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en van Economische Zaken met dit besluit en met vergunningverleningen op basis van dit besluit nu wordt beëindigd. Genetische manipulatie is een risicovolle techniek, die potentieel grote gevolgen van hebben voor zowel de volksgezondheid – de verantwoordelijkheid van de minister van VWS –als voor de biodiversiteit en de voedselzekerheid – de verantwoordelijkheden van de minister van Economische Zaken. De betrokkenheid van beide bewindslieden bij besluiten over ggo’s is naar mening van de leden van de PvdD-fractie dan ook essentieel. Niet alleen voor het inschatten van de risico’s, maar ook voor het maken van nut- en noodzaakafwegingen. Graag een reactie op dit punt.

Het wijzigen van de vergunningplicht naar een meldingsplicht bij ingeperkt gebruik, en daarmee het verschuiven van de verantwoordelijkheid naar onderzoeksinstellingen en bedrijfsleven, heeft tot gevolg dat de Inspectie meer inzet zal moeten leveren, en ook dat er naar alle waarschijnlijkheid meer fouten gemaakt worden met het inschatten van het vereiste inperkingsniveau, zo lezen de leden van de PvdD-fractie. Het verbaast deze leden dan ook dat ook na deze terechte opmerkingen van de Inspectie, de staatssecretaris vasthoudt aan haar keuze om de vergunningplicht af te schaffen. Dit lijkt puur in het belang van het reduceren van de administratieve lasten voor het bedrijfsleven te zijn, terwijl de kosten voor de maatschappij sterk stijgen, zowel in de vorm van hogere kosten voor de inspectie als van hogere maatschappelijke kosten door het vergroten van de risico’s met potentieel gevaarlijke ggo’s. Deze leden vinden de verdediging van deze keuze door de staatssecretaris ook opmerkelijk, namelijk dat dit hogere risico door een te laag ingeschat inperkingsniveau wel acceptabel is, omdat deze waarschijnlijk maar enkele dagen duurt waarna de fout wordt hersteld. Kan de staatssecretaris nogmaals uiteenzetten waarom ggo’s überhaupt worden ingeperkt, en of zij deze maatregel nuttig en nodig acht? Zo ja, waarom zou het te laag inperken van een ggo dan voor een paar dagen wel acceptabel zijn?

Afsluitend willen de leden van de fractie van de Partij voor de Dieren nogmaals opmerken dat dit ontwerpbesluit naar hun mening strijdig is met de internationale milieuwetgeving en dat zij dit ontwerpbesluit sterk afwijzen.