Debat­bij­drage Partij voor de Dieren AO Aanwij­zings­be­sluiten Natura 2000 (Eerste termijn)


26 april 2009

Mevrouw Ouwehand (PvdD):
Voorzitter. Ik zit hier met een berg stukken. Die is symbolisch voor de vormgeving van de natuurbescherming in Nederland. Er worden grote dikke mistgordijnen opgetrokken en men is voortdurend verbaasd als de Raad van State de minister of de provincies weer eens op de vingers tikt. Keer op keer geeft dit blijk van een structurele weigering om de Natuurbeschermingswet, waaronder de bescherming van de Natura 2000-gebieden, uit te voeren en duidelijkheid te scheppen. Mijn motto is: hoe sneller er duidelijkheid wordt verschaft, hoe beter dat is voor de natuur en zeker ook voor de ondernemers.
Ik kom nog even terug op het debat van vorige week, want ik acht het van belang om te reflecteren op eerdere beslissingen die wij als medewetgever hebben genomen. Als wij zo'n zelfde traject zouden volgen voor de plannen van de minister voor Natura 2000, zouden daar juridische risico's aan kleven. Als je weet dat bijvoorbeeld veehouderijen in de buurt van beschermde natuurmonumenten voor 2005 een vergunning nodig hadden op basis van de Natuurbeschermingswet, zou je denken dat een goed ministerie of een goede vergunningverlener of handhaver ervoor zou zorgen dat die bedrijven een vergunning hebben. Bij de wijziging van de wet in 2005 legaliseert het ministerie echter stiekem alle veehouderijbedrijven die geen Nb-wetvergunning hebben door te stellen dat alle milieuvergunde ammoniakemissie -- dat is iets anders dan depositie -- als bestaand recht telt voor een Nb-wetvergunning. Dit is een vreemde redenering. Je krijgt in Nederland als je je autorijbewijs haalt, er bijvoorbeeld ook geen vrachtwagenrijbewijs gratis bij. De Raad van State heeft geoordeeld dat het zo niet kan. Ik ben en blijf van mening dat het ministerie en de Kamer dit hadden kunnen weten en kunnen zien aankomen.
Ik heb een aantal concrete vragen, omdat ammoniak een van de belangrijkste rollen speelt in de Natura 2000-gebieden en ik goed wil kunnen sturen. Hoeveel veehouderijbedrijven hebben nu een Nb-wetvergunning voor ammoniakdepositie? Hoeveel daarvan zijn voor 2005 verleend en hoeveel daarna? Hoeveel bedrijven zijn nu zonder vereiste vergunning aan de slag? Wil de minister reageren op de gang van zaken bij de legalisatieslag in 2005? Er was toen al een enorm probleem met de ammoniakdepositie op natuurgebieden. In veel gevallen was die hoger dan de natuur aankon en toch is erop ingezet om de bestaande depositie in een klap te legaliseren. Dit maakt het probleem alleen maar groter. De Habitatrichtlijn schrijft daar ook een aantal andere dingen over. De heer Cramer heeft een punt als hij spreekt over uitkopen en de vraag stelt in welke problemen wij terecht zijn gekomen. Als er sprake is van vergund recht en uiteindelijk blijkt dat het zo toch niet kan, kost dit de belastingbetaler veel geld. Wij zijn -- ook hier in de Kamer -- Europeesrechtelijke verplichtingen aangegaan om de natuur te beschermen. Ik wil maar duidelijk maken dat het niet en-en is. Wij moeten keuzes maken. Je kunt die wel voor je uitschuiven, maar als de rechter dan uiteindelijk een streep trekt en je met de rug tegen de muur staat, zijn zowel de natuur als de ondernemers er niets mee opgeschoten.
Het werkelijk probleem is dat er te veel dieren zijn in Nederland -- 500 miljoen per jaar -- te dicht op natuurgebieden, terwijl er als dwazen wordt geproduceerd voor de export. Als wij dat probleem niet durven benoemen, blijven wij redeneren in cirkels en geven wij de ondernemers valse hoop. Wij moeten binnen afzienbare tijd minimaal tot een halvering van de ammoniakdepositie op de natuurgebieden komen. Er moet dus generiek beleid worden gevoerd. In veel gevallen moet de depositie veel verder worden verlaagd, in de Peel bijvoorbeeld. Voor de instandhouding van de doelen kan de daar te beschermen natuur maximaal 400 mol ammoniak per hectare per jaar hebben, maar de feitelijke depositie loopt tegen de 4000. Dus met een halvering als eerste stap zijn wij er nog lang niet. Met polderen en salderen in de beheerplanclubjes waarbij het doel vooral is dat iedereen tevreden is, zal het helemaal een eeuwigheid duren voordat de depositie enigszins afneemt. Dat is ontoereikend om de natuur te beschermen. Dat zal ook niet door de Raad van State worden geaccepteerd, is mijn inschatting.
Ik breng de minister artikel 6, lid 2 van de Habitatrichtlijn in herinnering dat stelt dat de lidstaten passende maatregelen moeten treffen om ervoor te zorgen dat de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten in speciale beschermingszones, niet verslechtert en dat er geen verstorende factoren optreden voor de soorten waarvoor de zones zijn aangewezen voor zover die factoren, gelet op de doelstellingen, een significant effect zouden kunnen hebben. Dit betekent een verslechteringverbod. Dit verbod geldt al vanaf 2004. Heeft de minister hierbij stilgestaan? Bestaat er misschien een kans dat de Raad van State met de richtlijn in de hand alsnog tot de conclusie komt dat de stappen die de minister nu heeft gezet, onvoldoende zijn omdat wij de richtlijn niet naleven? Ik druk haar op het hart dat generiek beleid zeker in dit geval niet achterwege kan blijven. Ik stel een halvering van de ammoniakdepositie voor, maar dat is echt een minimale eerste stap. Ik hoor graag hoe de minister daarover denkt.

De heer Cramer (ChristenUnie):
Mevrouw Ouwehand wijst erop dat in de Peel een veel lagere depositie wenselijk is dan de achtergronddepositie. Daarmee zegt zij concreet: alle boeren de Peel uit. Wil zij echt zo ver gaan? Hoe ziet zij het onderhoud van het landschap dan voor zich?

De heer Jager (CDA):
Mevrouw Ouwehand wijst terecht op artikel 6, lid 2 van de richtlijn. Zij citeerde daaruit dat de situatie niet mag verslechteren. In een andere bepaling staat dat daar waar dat mogelijk is, er eventueel moet worden gewerkt aan verbetering. Nu zie je bijvoorbeeld in de Peel dat er ondanks alles sprake is van regeneratie van de natuur, althans ook van de waarden die wij daar willen bereiken. Dat is geen verslechtering. Zou er dan niets mogelijk zijn? Ontstaat er geen verwarring door de uitspraken van de Raad van State over de directe werking en de ontleding van de Natuurbeschermingswet en de Habitatrichtlijn? Welke kant moeten wij op?

Mevrouw Ouwehand (PvdD):
Volgens mij hadden wij de uitspraak van de Raad van State van 1 april kunnen voorspellen, omdat de Wet milieubeheer onvoldoende basis biedt voor het afgeven van een vergunning op basis van de Natuurbeschermingswet. Met allerlei foefjes, ontduiken, uitstel op uitstel en op het randje gaan zitten en erover heen hangen, zul je op een gegeven moment moeten concluderen dat je de Natuurbeschermingswet niet hebt gehandhaafd en zul je door de rechter worden teruggefloten. Is dat solide beleid? Je bewijst ondernemers geen dienst als je een scenario schetst waarin het lijkt alsof het nog mogelijk is om in een klein land als Nederland met de huidige aantallen te blijven ondernemen. Ik heb het dan vooral over de veehouderij. Als je nu geen knoop doorhakt, worden er de komende twintig jaar steeds weer dezelfde discussies gevoerd. Ik wil daar wel van af.
In de richting van de heer Cramer merk ik op dat de grenzen aan wat natuur en milieu kunnen hebben en aan wat wij dieren kunnen aandoen, voor mijn partij de belangrijkste randvoorwaarden zijn . Wij zullen moeilijke beslissingen moeten nemen, maar als die eenmaal achter de rug zijn, hebben de ondernemers die overblijven een duidelijke positie en een landschap waarin zij wel kunnen blijven ondernemen. De manier waarop het nu gaat, doen alsof grootschalige veehouderij altijd mogelijk moet zijn terwijl wij weten dat het niet kan, bezorgt mij hoofdpijn.

Mevrouw Jacobi (PvdA):
Ik deel de mening dat er duidelijkheid moet komen. Heb ik goed begrepen dat mevrouw Ouwehand de oplossing zoekt in een meer integrale toepassing van de Natuurbeschermingswet en de milieuwetgeving?

Mevrouw Ouwehand (PvdD):
Als verschillende richtlijnen invloed hebben op de bescherming van de natuur, is een integraal toetsingskader het meest wenselijk. Daar zou ik op willen aansturen. Duidelijk is wel dat wij niet willen hangen op de grenzen van wat de richtlijnen ons toestaan. Het moet voor de ondernemers duidelijk zijn wat er mogelijk is. Als je weet dat de ammoniakdepositie in een aantal gebieden veel te groot is, kun je daar wel omheen blijven draaien en een beheerplan maken waar iedereen tevreden mee is, maar als dan uiteindelijk blijkt dat de Natuurbeschermingswet niet wordt gehandhaafd en dat de doelen niet worden behaald, is dit grossieren in valse hoop. Daar moeten wij nu eindelijk eens een keer mee ophouden.

De heer Cramer (ChristenUnie):
In reactie op deze opmerking van mevrouw Ouwehand wil ik een gedachte-experiment aangaan. Wij halen alle intensieve veehouderij uit de Peel weg en vervangen die door extensieve veehouderijen die biologisch boeren. Wat gebeurt er dan naar haar mening met de achtergronddepositie?

Mevrouw Snijder-Hazelhoff (VVD):
Mevrouw Ouwehand spreekt steeds over duidelijkheid, maar dan verwijst zij naar artikel 6 van de Habitatrichtlijn en spreekt over verslechtering. Verder zegt zij dat wij steeds over het randje gaan. Dat begrijp ik niet. Juist de verslechtering biedt een aantal aanknopingspunten. Wij moeten zaken in stand houden en ervoor zorgen dat ze niet verslechteren. Als ik haar verhaal in die context plaatst, kiest zij voortdurend voor verbetering.

De heer Polderman (SP):
Mevrouw Ouwehand vraagt terecht naar de vergunningen. Ik heb afgelopen donderdag een motie ingediend over dit onderwerp, maar ik heb die aangehouden omdat de minister heeft toegezegd dat zij met de provincies in overleg zal treden. Wil mevrouw Ouwehand nog meer gegevens hebben? Verder vraag ik de minister of zij van mening is dat wij de motie moeten doorzetten.

Mevrouw Ouwehand (PvdD):
De vraag van de heer Polderman is terecht. Het debat was kort en bood onvoldoende aanknopingspunten om deze vraag neer te leggen. Ik heb zijn motie van donderdagavond niet goed kunnen beoordelen. Ik wil graag inzicht in het verschil tussen de vergunningen voor en na 2005. Daarom stel ik die vraag aan de minister.
In antwoord op de vraag van mevrouw Snijder merk ik op dat je ervan uit mag gaan dat een gebied verslechtert als de ammoniakbelasting structureel te zwaar is. Volgens de Habitatrichtlijn is verslechtering niet toegestaan. Daar heb ik de minister vragen over gesteld. Natuurlijk wil ik ook verbetering, maar ik houd nu vast aan wat de Habitatrichtlijn voorschrijft. Als mevrouw Snijder mij wil steunen in het streven naar verbetering, dan hoor ik dat graag.
Er lijkt wat verwarring te ontstaan over de inzet van de Partij voor de Dieren. Als ik het verkeerd heb begrepen, moet de heer Cramer het maar zeggen. Wij zijn voor biologische landbouw, maar voor ons is het allerbelangrijkste dat wij nu heldere voorwaarden stellen aan het ondernemen in Nederland bijvoorbeeld voor het houden van dieren. Dit betekent: natuur, milieu en dierenwelzijn. Als daarbinnen een systeem past in de buurt van een natuurgebied zonder schadelijke effecten, zonder een slechte milieu-uitstoot en zonder aantasting van het dierenwelzijn, dan zeggen wij ja. Kan het niet, dan ook geen biologische landbouw.
Mijn volgende vraag heeft betrekking op de tijdlijn. Voor zover ik de Habitatrichtlijn goed heb gelezen, hadden wij al in 2004 de aanwijzingsbesluiten moeten nemen. Ik krijg hier graag een reactie van de minister op. Ik kan het hele rijtje met de tijdstippen die worden genoemd en de jaren die je daarvoor hebt, wel even doorlopen, maar ik denk dat zij zo ook wel weet wat ik bedoel.
Ik merk nog op dat ik over het tempo en de juridische houdbaarheid ook zeker namens de fractie van D66 spreek die hier vandaag niet aanwezig kan zijn, maar graag haar zorgen geuit wil hebben. Het tempo is te traag, wij lopen achter. Verder vraag ik aandacht voor de juridische houdbaarheid en de ambities.
In haar brief van gisteren schrijft de minister dat in de beheerplannen de instandhoudingdoelen worden geconcretiseerd in omvang, ruimte en tijd en dat er maatregelen worden vastgesteld die rekening houden met belangen van sociale en economische aard. Op het punt van de doelen vaart de minister een verkeerde koers. Ik vond het een beetje vals van mevrouw Snijder dat zij probeerde de fractie van GroenLinks het vuur na aan de schenen te leggen over de inhoud van de Habitatrichtlijn. In die richtlijn staat dat de beheerplannen in die systematiek zijn bedoeld voor de maatregelen en niet voor de doelen. Dit betekent dat de ecologie centraal staat. De economische afweging komt pas als je de instandhoudingdoelen kent en verkent wat er nog mogelijk is. Ik verwijs naar een onderzoek van de Vogelbescherming waarin wordt opgemerkt dat dit blijkt uit de handleiding van de Europese Commissie en uit jurisprudentie. Als wij allen van mening zijn dat er rechtszekerheid moet worden geboden en dat de maatregelen juridisch houdbaar moeten zijn, waarom houdt de minister dan vast aan de opvatting dat in de beheerplannen nog wel wat gerommeld kan worden aan de instandhoudingdoelen? Ik verwacht dat zij zal zeggen dat het alleen om concretisering gaat, maar ik heb er geen vertrouwen in.
Ik maak mij zorgen over de ambities. In een aantal gevallen wordt alleen de instandhouding van de bestaande situaties als ambitie opgevoerd. Dit vind ik echt te weinig.
Ik heb verder nog een aantal vragen over het afrekenmoment. De minister is daar niet duidelijk over, maar sint-juttemis -- zoals de heer Polderman heeft gezegd -- lijkt toch niet goed. Volgens mij moeten in de aanwijzingsbesluiten bij de instandhoudingdoelen termijnen worden genoemd. Als de minister dit niet doet, krijgen wij problemen met de handhaafbaarheid en de toetsbaarheid. Ik krijg hier graag een reactie op van de minister.