Debat Voort­gangs­rap­portage Schoon en Zuinig


3 november 2008

Vleesconsumptie
Voorzitter. Het zal u niet verbazen dat ik dit klimaatdebat begin met onze eigen insteek van de vermindering van broeikasgassen. Het is niet langer te ontkennen dat de westerse consumptie van dierlijke eiwitten en de productie daarvan door de veehouderij niet alleen een zwaar beslag legt op de natuurlijke hulpbronnen en de voedselvoorraad, maar ook een grote veroorzaker is van de opwarming van de aarde. De talloze rapporten die de afgelopen maanden zijn verschenen onderstrepen het pleidooi van onze partij: minder vlees loont!

Als alle Nederlanders een dag per week geen vlees zouden eten; dan zouden alle klimaatdoelstellingen voor huishoudens in een klap gehaald zijn. Dat is nog eens wat anders dan de besparing van hier en daar een spaarlampje indraaien. We komen hier zeker nog over te spreken bij de begrotingsbehandeling. Ik wil in het kader van dit Notaoverleg alleen opmerken dat ik het jammer vind dat bij de maatregelen voor de veehouderij de meest eenvoudige optie: minder vlees, minder dieren, minder klimaatproblemen; nog geen concreet onderdeel is van beleid. Ik hoop dat we bij de begrotingsbehandeling hierover spijkers met koppen kunnen slaan. Inmiddels ben ik wel verheugd over de uitspraak van collega Spies van het CDA die aangeeft dat zij ook op het gebied van vleesconsumptie en klimaat de burger bewust wil maken door het verstrekken van eerlijke informatie en cijfers. Daarin zijn we een bondgenoot, mevrouw Spies, hoe ongemakkelijk dat misschien nu nog voor u klinkt.

Voorzitter. Terwijl onze klimaatminister tenminste al erkent dat het eten van minder dierlijke eiwitten een bijdrage kan leveren aan het verlagen van de broeikasgasemissies, lijkt de landbouwminister liever doof voor deze ongemakkelijke waarheid. Zij zet de promotie van Nederlands vlees onverminderd en nietsontziend voort. Zo was zij twee weken geleden in China te vinden om daar varkensvlees aan de man te brengen.

Ik heb hierover een brief gevraagd en wacht nog op een schriftelijke reactie van het kabinet, maar wil de minister alvast vragen hoe zij ervoor zal zorgen dat de klimaatambities van dit kabinet op een consistente manier gehaald zullen worden.

Sectorakkoord landbouw
Voorzitter. Mijn zorgen zijn groot, want het inconsistente gedrag van dit kabinet lijkt bijna een consistent patroon te worden waar het gaat om milieu, klimaat en duurzaamheid. Economie prevaleert weer boven ecologie. Zo werkt de milieuminister aan het terugdringen van de methaanuitstoot uit de melkveehouderij terwijl de landbouwminister alles op alles zet om het melkquotum versneld uit te breiden. Dat is dweilen met de kraan open, voorzitter.

De gevolgen van de verruiming van het melkquotum voor de uitstoot van broeikasgassen zijn nog niet eens in kaart gebracht. En de toegezegde Nederlandse aanvulling op de Europese impactanalyse laat al maanden op zich wachten. Hoelang moet ik daar nog op wachten?

Voorzitter. Niet alleen de landbouwminister houdt de veehouderijsector de hand boven het hoofd, zo blijkt uit de voortgangsrapportage. Ook de milieuminister is het afgelopen jaar niet ver gekomen met boterzachte afspraken en op zijn minst discutabele maatregelen om de broeikasgassen uit de veehouderij terug te dringen.

Zo zijn met de sector afspraken gemaakt over onderzoek naar het terugdringen van de methaan en lachgasemissies in de veehouderij via voerspoor en stalaanpassingen. Maar onduidelijk is in hoeverre dierenwelzijn hierin als randvoorwaarde wordt meegenomen. En waarom wordt een krimp van de veestapel niet als maatregel genoemd, terwijl hiermee ook voor andere problemen zoals ammoniak, (ontbossing voor veevoer, mestbeleid) grote winst te behalen valt?

Voorzitter. Ik begrijp niets van de afspraken die zijn gemaakt met de veesector over mestvergisting als duurzame energiebron. Hier spreekt de wet van behoud van ellende. 70 miljard kilo mest per jaar. Dat is 4000 kilo per persoon per jaar, oftewel veertig badkuipen vol met mest per persoon!

Mest is geproduceerd met veevoer waarvoor tropische regenwouden zijn gekapt. Mest is het resultaat van zeer inefficiënte eiwitproductie en mest is geproduceerd onder de meest dieronvriendelijke omstandigheden. Mest is dus helemaal geen duurzaam ingrediënt. Het stimuleren van mestvergisting is dus louter een vorm van symptoombestrijding (voor het verminderen methaanuitstoot uit mest).

Ik ben daarom erg teleurgesteld dat de minister niet kritischer tegenover het gebruik van mest staat en overweeg hierover een motie in te dienen. Graag een reactie.

Voorzitter, dan het verbranden van kippenmest dat óók onterecht als groene energiebron wordt geduid. De minister weigert in haar antwoord op mijn Kamervragen in te gaan op de duurzaamheid van de verbranding van kippenmest. Zij stelt dat de klimaatbalans bij verbranding van mest positief zou uitvallen.

Ik betwijfel dat ten zeerste. Zeker als alle aspecten van de productie van kippenmest worden meegenomen zoals: de kap van het tropisch regenwoud om soja en ander veevoer te verbouwen, de productie van kunstmest, de brandstoffen voor landbewerking en vervoer, etc. Door verbranding wordt de natuurlijke kringloop nog verder verbroken en gaan kostbare eindige meststoffen zoals fosfaat letterlijk in rook op. Voorzitter, en dan heb ik het nog niet eens gehad over de andere aspecten van integrale duurzaamheid zoals de maatschappelijke aversie tegen megastallen waar deze mest vandaan moet komen en dierenwelzijn. Zelfs minister Verburg stelde onlangs dat kip het meest mishandelde stukje vlees is. Natuurlijk deed zij dat wel in haar eigen bewoordingen: zij noemt kip dan eufemistisch een ‘dierenwelzijnsgevoelig product’…

Waar is het brede en integrale perspectief van duurzaamheid in de criteria voor biomassa?

Biobrandstoffen
Voorzitter. De wereld wordt niet alleen geconfronteerd met de klimaatcrisis, maar ook met een voedselcrisis, milieucrisis, watercrisis en biodiversiteitscrisis waarbij de aanslag op onze natuurlijke hulpbronnen steeds groter wordt. En nu wordt er via de productie van biobrandstoffen eerder een nieuw probleem gecreëerd dan dat voor alle bestaande crises eerst een oplossing wordt gevonden.

Het lijkt er op dat we met ons biobrandstoffenbeleid de andere crises laten voor wat ze zijn om vervolgens met een immorele gretigheid ons te storten op de resterende landbouwgronden en natuurgebieden om zo aan onze eindeloze energiebehoefte te voldoen. Ten koste van anderen, de natuur en biodiversiteit.

Voorzitter. De afgelopen maanden zijn er diverse alarmerende rapporten verschenen over de effecten van het Europese beleid ten aanzien van biobrandstoffen. Kap van tropisch regenwoud, hoge voedselprijzen, schuldslavernij, honger en verlies aan biodiversiteit. Dat kan niet de bedoeling zijn van een brandstof die wil pronken met een etiket van duurzaamheid.

Het is daarom goed dat de minister erkent dat aan de productie van biobrandstoffen ernstige nadelen kleven en dat we voorzichtig moeten zijn het gebruik van biobrandstoffen zolang betrouwbare certificering ontbreekt. Des te groter de verbazing dat zij desondanks toch vast blijft houden aan een bijmengpercentage. Zeker omdat certificering en duurzaamheidcriteria pas in 2012 zullen worden ingevoerd. Hoe denkt de minister te garanderen dat de biobrandstoffen die tot 2012 zullen worden bijgemengd geen veroorzakers zullen zijn van de problemen die zij nu al zelf erkent? En hoe voorkomt zij straks voor een voldongen feit geplaatst te worden zoals biobrandstof installaties die moeten worden gesloten of worden omgebouwd omdat zij niet duurzaam opereren?

Voorzitter. Wij zijn van mening dat de minister het verplichte bijmengpercentage dient te schrappen totdat er duurzaamheidcriteria zijn vastgesteld. En dan nog zullen we dan moeten bekijken of deze criteria voldoende recht doen aan alle aspecten van duurzaamheid (sociaal, ecologisch, dierenwelzijn) want ik ben uiterst kritisch op de criteria die door Europa zullen worden vastgesteld. Het lijkt erop dat bij de Eu criteria de mensonterende arbeidsomstandigheden nog steeds voor kunnen komen bij de productie van biobrandstoffen. Hoe ziet de minister dat?

Voorzitter. In plaats van zich vast te bijten in biobrandstoffen als hernieuwbare energiebron, zou de minister er goed aan doen niet het middel, maar het doel centraal te stellen. Namelijk een stevige reductie van de broeikasgassen die door transport worden veroorzaakt, op een manier die andere aspecten van duurzaamheid niet bijt. Dan komen ook andere vormen van energie in beeld, zoals schone zonne-energie. Zie onze Oosterburen als lichtend voorbeeld. Kan de minister reageren op de veelbelovende Duitse aanpak?

Dank u wel