Bijdrage Partij voor de Dieren aan debat VWS begroting 2009


4 november 2008

Inleiding
Voorzitter, u bent het niet zo van mij gewend, maar ik wil positief beginnen vannacht. Na jarenlange radiostilte komen er eindelijk dingen los rond de terugdringing van het aantal dierproeven. De minister is zijn toezeggingen nagekomen, en hij heeft een aantal ontwikkelingen in gang gezet. Vorig jaar vroegen wij nog om zekerheid voor het Nationaal Centrum Alternatieven voor dierproeven, en nu zien we dat dit centrum wordt omgevormd tot een kenniscentrum en inderdaad structureel zal worden gefinancierd. Er komt meer coördinatie in het beleid voor de vervanging, vermindering en verfijning van dierproeven. En een van de meest concrete en veelbelovende initiatieven van dit moment, ASAT, krijgt van de minister de steun die nu nodig is om het project van de grond te tillen. En dat is goed nieuws. Want, voor de woordvoerders die deze materie niet tot in de vingers beheersen, het testen van chemische stoffen op dieren is volstrekt achterhaald. Vanzelfsprekend afschuwelijk voor de dieren, maar ook voor mensen is de huidige natte vinger methode ontoereikend. We dienen een stof toe aan een groep dieren, kijken wat er gebeurt en bepalen wat een gevaarlijke dosis is voor dieren als ze daar ziek van worden. En dan delen we die dosis door 10 of door 100, in de hoop dat we daarmee de veiligheid van mensen kunnen garanderen. Dat is feitelijk een black box methode. Dieren zijn geen mensen. Zij reageren anders op stoffen dan wij. Soms zie je hen effecten die bij de mens helemaal niet optreden, en soms is dat andersom. Zo is benzeen jarenlang gewoon op de markt geweest, omdat onderzoek met dieren geen gevaren aantoonde. Maar benzeen veroorzaakt bij mensen leukemie. ASAT –Assuring Safety without Animal Testing- stelt nu de menselijke biologie centraal, met behulp van bijvoorbeeld bio-informatica. Zo kan bekeken worden wat de risico’s van bepaalde stoffen zijn voor de mens. Veel zinniger als je de volksgezondheid wilt beschermen.

Voorzitter, ik wees er in eerdere debatten al op: wanneer we werk maken van alternatieven, levert dat alleen maar voordelen op. Het is goed voor de volksgezondheid, goed voor de dieren, goed voor de innovatiekracht van BV Nederland. De Partij voor de Dieren is verheugd dat de minister van VWS tot hetzelfde inzicht is gekomen. De materie is hem gaandeweg na aan het hart komen te liggen, zei hij vorige week. Mooi zo. Hou dat vast, zou ik zeggen ;-)
Maar voorzitter, ik heb natuurlijk nog wel vragen. En kritiek. Anders zou het maar saai worden vanavond. Zo gaat ASAT over toxicologisch onderzoek, en in deze hoek vallen vanwege REACH de komende jaren inderdaad grote klappen voor de dieren. Naar schatting 8 miljoen dieren zal worden opgeofferd voor het (opnieuw) testen van chemische stoffen als de alternatieven niet op tijd zijn ontwikkeld of gevalideerd. We zien de initiatieven voor alternatieven voor toxicologisch onderzoek als paddenstoelen uit de grond springen en dat is hartstikke goed. De vraag is wel of we op tijd klaar zullen zijn, en hoe al deze initiatieven zich tot elkaar verhouden. Wat kan de minister daarover zeggen? En wat is zijn lange termijn visie op ASAT? Verder zijn we er natuurlijk niet met alleen alternatieven voor het testen van de veiligheid van stoffen. Ook voor de honderdduizenden dierproeven op de andere terreinen moeten wij alternatieven zien te vinden.

Breder budget alternatieven
Voorzitter, de minister heeft ook aangegeven dat zijn inspanningen gericht zijn op continuïteit. Ook dat juicht de Partij voor de Dieren toe. Naar aanleiding van onze vraag naar een ministerie-overstijgend budget heeft hij toegezegd dat hij voor de jaren 2010 en verder bij de suppletoire begrotingen duidelijkheid zal verschaffen. We wachten die voorstellen met spanning af en ik wil de minister vast meegeven dat hij de stijgende lijn die nu is ingezet vooral moet handhaven. Dat doe ik mede namens mevrouw Van Velzen, die haar motie over het budget na 2010 op mijn verzoek heeft aangehouden.

Het budget voor de ontwikkeling en toepassing van alternatieven was jarenlang niet meer dan een grijpstuiver. Doodzonde, want een enorm onderzoekspotentieel is op deze manier zo goed als onbenut is gebleven. Toen de minister van OCW aantrad, liet hij weten dat het zijn ambitie is om met Nederland voorop te lopen als het gaat om alternatievenonderzoek. Dat is heel zinnig, omdat hiervoor ook vanuit Europa steeds meer aandacht komt. Ik hoop op consistentie in het kabinetsbeleid, en een budget dat tegemoet komt aan het onderzoekspotentieel. Volgens een inschatting van de ZonMw-programmacommissie van Dierproeven Begrensd is een jaarlijks budget van 10 miljoen euro nog aan de voorzichtige kant. Wetenschappers willen graag, maar er moet wel ruimte zijn. En middelen. Ik herinner het kabinet er nog maar even aan dat in Engeland jaarlijks 15 miljoen euro wordt uitgegeven aan vervanging, vermindering en verfijning van dierproeven. Sluit daarbij aan zou ik zeggen, als je die koploperspositie wilt veroveren. Het is de investering meer dan waard. We vervullen zo niet alleen onze morele plicht om het aantal experimenten op levende dieren terug te dringen, maar kunnen hiermee methoden ontwikkelen die veel beter aansluiten bij de mens.
Dieren zijn geen mensen. En diermodellen vormen niets meer dan het woord in strikte zin veronderstelt: het zijn geen middelen, maar modellen. Mét beperkingen. Ergens in de ontwikkeling van de medische wetenschap is het diermodel aangemerkt als onderdeel van het instrumentarium. Ook toen al wist men dat onderzoek bij dieren niet zomaar bruikbare en veilige gegevens zou opleveren voor de mens. Er zijn immers wel overeenkomsten tussen mens en dier, maar ook verschillen. Ergens in Parijs, zo’n 150 jaar geleden, wist de wetenschapper Claude Bernard wist zijn collega-wetenschappers ervan te overtuigen dat de overeenkomsten tussen mens en dier belangrijker waren dan de verschillen. We zijn nu 150 jaar verder, en inmiddels stelt een groeiend aantal wetenschappers dat het juist andersom is.

Voorzitter, eerder dit jaar, rond Wereldproefdierendag, mocht ik getuige zijn van de uitreiking van de Publieksprijs Alternatieven voor Dierproeven aan de Leidse wetenschapper Abdoel El Ghalbzouri. Hij heeft een huidmodel ontwikkeld dat gebruikt kan worden voor onderzoek naar huidkankertherapie. Prachtig. Hij vertelde nog dat hij zo verbaasd was dat er voor huidonderzoek gewerkt wordt met muizen en konijnen. De huid van die dieren lijkt in de verste verten niet op die van de mens. Er waren dan ook al huidmodellen ontwikkeld, door bijvoorbeeld L’Oreal. Het probleem is dat die modellen commercieel worden geëxploiteerd. Je kunt er alleen gebruik van maken tegen forse betaling. Dat nodigt uiteraard niet uit om alternatieven te gebruiken. Ik vraag me af wat de minister daarvan vindt. Kan hij hiertegen maatregelen treffen?

Het model van El Ghalbzouri is met groot enthousiasme ontvangen. Hij deelt zijn model wel met de wetenschap, en er is veel belangstelling. Ik sprak hem laatst nog, rond Dierendag dit keer waar we toevallig op hetzelfde feestje waren –het Dierenbal in Amsterdam. Hij vertelde mij toen dat hij aanvragen krijgt vanuit de hele wereld, en dat hij door iedereen voor congressen wordt gevraagd.
Voorzitter, een en al onderbouwing van het pleidooi voor structurele investeringen in alternatieven voor dierproeven. Innoveren zonder gebruik te maken van dieren levert betere modellen op die meer zijn toegesneden op de mens.

Maatschappelijk belang dierproeven
Voorzitter, proefdiervrije wetenschap, proefdiervrije testmethoden. Daar moeten we naartoe. Dat lukt alleen als we investeren in alternatieven. Maar even belangrijk is een kritische analyse van de dierproeven die op dit moment fungeren als zogenaamde ‘gouden standaard’. Het huidmodel van Abdoel zal zich in een langlopend validatietraject moeten bewijzen tegen de standaard dierproeven, terwijl iedereen er al van overtuigd is dat het model op basis van menselijke huid veel beter is. Nu weet ik dat die internationale richtlijnen als onwrikbaar worden ervaren, en dat het gevoel bestaat dat daar geen beweging in te krijgen is. Maar als we allemaal ons hoofd laten hangen, gebeurt er natuurlijk nooit iets. Het is een veelgevoelde frustratie onder wetenschappers en in de industrie: voorgeschreven dierproeven die niet nodig en niet nuttig zijn. Maar wel verplicht. De roep is steeds dezelfde: versnel de acceptatie van proefdiervrij methoden. We mogen ons niet neerleggen bij de weerbarstigheid van de internationale regelgeving voor de toelating van stoffen en geneesmiddelen. Als het beter kan, moeten we ons daar sterk voor maken. Voorzitter, ik vraag de minister: welke mogelijkheden ziet hij om deze impasse te doorbreken?

Een kritische houding is ook op zijn plaats als het gaat om de doelen waarvoor proefdieronderzoek is toegestaan. De Wet op de dierproeven schrijft voor dat het maatschappelijk belang van een proef moet worden afgewogen tegen het ‘ongerief’ dat het dier wordt berokkend. Voorzitter, het moet me van het hart dat ik altijd erg droevig word van die eufemistische omschrijving. In de jaren ’70, toen de wet tot stand kwam, heeft de wetenschap flink gelobbyd voor de term ‘ongerief’. Ik begrijp dat, want dan lijkt het allemaal niet zo erg. Maar dat is het natuurlijk wel. Dieren zijn levende wezens met bewustzijn en gevoel. Ze kunnen pijn, angst en stress ervaren. Ze hebben te lijden van levenslange opsluiting in een laboratorium, en van de experimenten die op hen worden verricht. Tegenover hun lijden staat dus dat maatschappelijk belang. Je zou denken dat je we daar uiterst prudent mee omgaan. Maar dat valt tegen. We weten lang niet alles, want dierproeven vinden plaats achter gesloten deuren en er wordt geen openlijke verantwoording over afgelegd. Hier en daar krijgen we, soms, te zien of te horen waar dieren nou eigenlijk worden gebruikt onder het mom van de wetenschap, de ontwikkeling van medicijnen, het belang van de mens.

Een goed voorbeeld zijn de inmiddels beruchte snackbarvarkens. We hebben het allemaal kunnen zien op televisie. Er staan varkens in Wageningen met katheders in hun lijf om onderzoek te doen naar de effecten van een leven lang eten uit de snackbar. We wéten al wat de effecten daarvan zijn, en we weten ook hoe we dit zouden kunnen aanpakken. Is het gebruiken van dieren voor zulk onderzoek gerechtvaardigd?

En wat te denken van de ontwikkeling van voedingsmiddelen met een gezondheidsclaim? Drankjes tegen een hoge bloeddruk, yoghurtjes voor een betere stoelgang, koekjes om je cholesterol te verlagen. Consumeer jezelf gezond, zo probeert de levensmiddelenindustrie ons een nieuwe leefstijl aan te meten. Wat betekent dit voor dieren? In 2006 zagen we een stijging van het aantal proeven voor ‘Voedselsadditieven voor menselijke consumptie’ schrikbarend stijgen. 250% maar liefst. Voorzitter, kan de minister dit uitleggen? Het kan toch niet zo zijn dat we dieren opofferen voor het gevecht om het marktaandeel tussen de levensmiddelengiganten?

Farmaceutische industrie; van hetzelfde laken een pak. Ongemakken worden gemedicaliseerd in de hoop een nieuwe pillenmarkt aan te kunnen boren: de overactieve blaas, schimmelnagels, kaalheid…. Daar lijden en sterven dieren voor, in experimenten om de middelen te ontwikkelen en in experimenten om de middelen toe te laten. In de verslaglegging wordt het onder het kopje “ontwikkeling geneesmiddelen” geschaard, maar dat vind ik een halve waarheid. Ik vind dat de minister moet nadenken over een inkadering van de doelen waarvoor proefdieronderzoek is toegestaan, en moet zorgen voor een eerlijke en dus specifiekere verslaglegging.

Ethische toetsing
We moeten concluderen dat de ethische toets, die verplicht is voordat een dierproef mag worden verricht, niet uit de verf komt. Dat weten wij al sinds de Wet op de dierproeven is geëvalueerd in 2005. Maar je kunt het ook weten wanneer je kijkt naar de middelen die op de markt komen, middelen die geen ander doel dienen dan het spekken van de portemonnee van de fabrikant. Ik maak me sterk dat dit indruist tegen de bedoeling van de wet. Het probleem is echter dat de uitvoering van de wet die proefdieren moet beschermen niet kan worden getoetst door de rechter. Dat is bizar.

De Partij voor de Dieren vindt dat het kabinet de verouderde Wet op de dierproeven moet moderniseren, zodat beslissingen over dierproeven openbaar worden en kunnen worden getoetst. Hoe kan de minister anders garanderen dat dierproeven alleen worden verricht als er sprake is van een zwaarwegend maatschappelijk belang? Dat is nu slechts een loze belofte.

Er zijn allerlei knelpunten aan te wijzen in de manier waarop de ethische toetsing is georganiseerd. Die toetsing moet voorkomen dat dierproeven worden gedaan voor onzinnige belangen. Dierexperimentencommissies die deze toetsing moeten uitvoeren, geven zelf aan dat zij vaak pas oordelen over het gebruik van proefdieren als het betreffende onderzoek al in een vergevorderd stadium is. Zeg dan nog maar eens nee.

Ook de onafhankelijkheid van de Dierexperimentencommissies is een probleem. De commissies zijn veelal verbonden aan de instituten waar de proeven worden verricht. De mensen die plaatshebben in de commissie hebben in veel gevallen een arbeidsrelatie met de betreffende instelling. Zeg maar eens nee tegen een onderzoeksvoorstel uit een instelling die jouw salaris betaalt.
Dierexperimentencommissies geven ook zelf aan dat zij het heel erg lastig vinden om het maatschappelijk belang van een bepaald onderzoek vast te stellen. Die afweging is moeilijk. Er zijn ook onderlinge verschillen. Wat de ene DEC goedkeurt, zou er bij de andere niet doorkomen.

Het kabinet zou er goed aan doen om eens goed naar de structuur te kijken waarin de ethische toetsing van dierproeven is georganiseerd. Wij pleiten er in elk geval voor om de beslissingen naar een hoger aggregatieniveau te tillen. Op welk moment kun je nog een echt ethische afweging maken? Wanneer heb je nog het gevoel dat je de handen vrij hebt om te zeggen: dit belang is onvoldoende gerechtvaardigd?

De onafhankelijkheid van de toetsing moet gewaarborgd worden. Het kan niet zo zijn dat mensen die beslissen over dierproeven in een arbeidsverhouding staan tot de instelling die deze dierproeven wil verrichten. De onderlinge verschillen moeten worden opgelost. Waarom is er geen ethisch afwegingskader waarbinnen de beslissingen kunnen plaatsvinden? Een voorstel zou kunnen zijn om de huidige DEC-structuur, waarbij commissies verbonden zijn aan de instellingen die dierproeven verrichten, op te heffen. In plaats daarvan kan een landelijke structuur komen, met een landelijk secretariaat en gespecialiseerde themacommissies die op specifieke onderzoeksterreinen oordelen over de aanvaardbaarheid van voorgestelde dierproeven. Wat is de reactie van het kabinet hierop?

Openheid en openbaarheid
Voorzitter, driekwart van de Nederlanders heeft grote moeite met dierproeven, voor welk doel dan ook. Experimenten op levende dieren vormen een maatschappelijk probleem dat veel mensen, net als de minister, aan het hart gaat. Die betrokkenheid vraagt om de mogelijkheid van een open en eerlijke discussie, maar die mogelijkheid bestaat tot op de dag van vandaag niet. Het kabinet gaat ervan uit dat het openbaar maken van dierexperimenten zal leiden tot een onwerkbare situatie. Zij stelt dat de administratieve lasten zullen toenemen en dat er problemen zullen ontstaan met de bescherming van het intellectuele eigendom van de aanvragers en de privacy van de onderzoekers. Maar als ik vraag hoe het kabinet die stelling heeft getoetst, hoor ik alleen de draagvlak-echo weerklinken uit Vak K. Voorzitter, ik begrijp de weerstand wel, maar we moeten ook onder ogen zien dat de evaluatie van de Wet op de dierproeven heldere aanbevelingen bevat die de grond onder de genoemde bezwaren weghalen. Ik ben er dan ook oprecht verbaasd over dat het kabinet blijft vasthouden aan die geheimzinnigheid rondom dierproeven. Het is de vraag wie we hier nou precies horen spreken: de regering of wetenschap en industrie? De vraag is ook wat je bereikt door informatie over dierproeven achter te houden. En wie daar precies belang bij heeft.

In plaats van te werken aan openbaarheid, heeft de minister aan de instituten gevraagd meer openheid te verschaffen over dierproeven. Hier maakt hij een kapitale fout. Een dialoog met de samenleving vraagt om eerlijke, tweezijdige communicatie. De openheid die de minister voorstaat klinkt wel mooi, en ook de eerste instituten die hiertoe een code hebben gepresenteerd zijn er nogal trots op, maar van werkelijke communicatie is geen sprake. Het gaat om eenzijdige, door één partij gestuurde en gedomineerde berichtgeving die op de samenleving wordt losgelaten.

De beste – of slechtste- illustratie daarvan geeft de minister nota bene zelf, als ik hem kritische vragen stel over de experimenten met de snackbarvarkens. Dan geeft blijft hij hangen in vage en ontwijkende omschrijvingen: het onderzoek richt zich op gezondheidsproblemen die bij diabetes en hart- en vaatziekten ontstaan. Terwijl hij ook gewoon had kunnen toegeven dat de wetenschappers in Wageningen het onderzoek hebben opgezet omdat zij ervan overtuigd zijn dat mensen geen veranderingen gaan aanbrengen in hun ongezonde eetpatroon. Zij zijn op zoek naar manieren om ons ongestoord te kunnen laten overconsumeren, zonder daar ziek van te worden.

Handhaving
Voorzitter, uit het toezicht van de VWA op de naleving van de Wet op de dierproeven komen geen signalen naar voren die wijzen op het veelvuldig voorkomen van vergrijpen, geeft de minister aan.
Uit antwoorden op Kamervragen die ik eerder stelde, blijkt echter dat er de afgelopen 5 jaar beschamend weinig menskracht beschikbaar is geweest. En zelfs deze capaciteit is nooit volledig inzetbaar geweest door vacatures en ziekte… Wat bij mij de vraag doet rijzen: zijn er geen vergrijpen of is er niemand om deze te constateren?
En over de VWA gesproken: van 5 tot 10% van de gebruikte primaten die niet uit fokcentra komen, is de herkomst onbekend. Onbegrijpelijk, vond gelukkig ook de minister. Het is immers bij wet verboden om dieren te gebruiken die uit het wild gevangen zijn.
De minister zou hier dan ook navraag naar doen. We horen graag of hij hier al uitsluitsel over kan geven en zo niet, of hij –zoals toegezegd in een eerder debat- een onderzoek zal instellen.

Gezonde leefwijze
Voorzitter. Gisteren kregen we het alarmerende bericht dat zes op de tien Nederlanders zo ongezond leven dat zij een gevaarlijk risico lopen op diabetes, nierfalen of een hart- of vaatziekte. Het Voedingscentrum stelt dat overgewicht een ware epidemie aan het worden is. Ongeveer de helft van de Nederlanders (tussen 18 tot 70 jaar) heeft enige mate van overgewicht en 12% kampt met ernstig overgewicht. En deze percentages zijn alleen maar stijgende.

Voorzitter. Graag wil ik weer even terug naar de snackbarvarkens. We onderwerpen varkens aan allerlei pijnlijke onderzoeken om inzicht te krijgen in een probleem waarvan we de oplossing eigenlijk al kennen. Gelegenheid maakt de dief wordt wel eens gezegd. Maar gelegenheid maakt ook de ongezonde eter. Hoogleraar diabetologie Hanno Pijl riep een paar maanden geleden op om ook eens aan radicale oplossingen te denken, zoals een verbod op de roltrap en een verbod op de kroket. Zijn bedoeling was, zo schat ik in, de vastgelopen discussie eens goed los te maken. In elk geval vindt hij dat we zouden moeten aftasten wat wij zouden kunnen doen om de fysieke en sociale omgeving van consumenten aan te pakken om zo gezonde keuzes uit te lokken.

Voorzitter. De ongezonde levensstijl komt ook tot uiting in de almaar stijgende vleesconsumptie en de consumptie van andere dierlijke eiwitten. Inmiddels eten we per Nederlander gemiddeld 86 kilo vlees per persoon per jaar. En dan drukken de geschatte 700.000 vegetariërs het werkelijke aantal kilo’s zelfs nog. De vleesconsumptie in Nederland is in veertig jaar tijd verdubbeld.
En terwijl de totale eiwitconsumptie min of meer gelijk is gebleven, is door de stijgende welvaart is het aandeel dierlijke eiwitten in het dieet sterk toegenomen. En daarmee ook het aandeel ongezonde vetten. De overmatige consumptie van vlees draagt in belangrijke mate bij aan het overgewicht en andere gezondheidsproblemen zoals hart- en vaatziekten en darmkanker. Volgens onderzoeker Aiking van de Vrije Universiteit in Amsterdam wordt in Nederland ongeveer 30% teveel aan eiwitten gegeten en zou 30% van de huidige dierlijke eiwitconsumptie vervangen kunnen worden door plantaardige eiwitten. Hier ligt een uitdaging voor de minister zou ik zo zeggen, met een aansprekende goede eiwitcampagne. En dat is niet alleen gunstig voor het verbeteren van de Nederlandse levensstijl en het voorkomen van overgewicht.

Voorzitter. De negatieve gevolgen van onze westerse vleesconsumptie op de beschikbare voedselvoorraad, de natuurlijke hulpbronnen, de zoetwatervoorraad, de biodiversiteit en het klimaat is desastreus te noemen. 80% van het wereldwijde landbouwareaal wordt ingezet voor de veehouderij; bijna de helft van alle graanproductie wordt gevoerd aan dieren en voor soja is dat zelfs 75%.
De overmatige consumptie van vlees is medeverantwoordelijk voor de voedselcrisis die de armste mensen in de wereld het hardste treft. Teveel vlees is daarmee dus niet alleen ongezond, maar ook immoreel.
Ik merk alvast op dat vis als oplossing voor ongezonde vetten in onze voeding in toenemende mate problematisch is. Ik roep het kabinet dan ook op om te stoppen met de promotie van de consumptie van vis. Wij weten dat de zeeën worden leeggevist. 90% van de visbestanden is overbevist. Er zijn alternatieven voor de vetten uit vis die wij nodig zouden hebben.

Voorzitter. Gelukkig ziet het kabinet zelf ook steeds meer de negatieve aspecten van de dierlijke eiwitconsumptie in het streven naar een duurzamer samenleving. Zo werd in de kabinetsbrede aanpak ‘duurzame ontwikkeling’ erkend dat de productie van dierlijke eiwitten (vlees en zuivel) een groot beslag legt op het ecosysteem, onder meer door ruimtebeslag, effecten op de biodiversiteit, grootschalig gebruik van water en broeikasgasemissies. En wordt in de VROM begroting voor 2009 gesteld dat ‘het verminderen van de consumptie van dierlijke eiwitten belangrijk is om de emissies van broeikasgassen te reduceren’.

Het is van belang dat deze ambitie van het kabinet op consistente en integrale wijze wordt opgepakt en uitgewerkt op alle departementen. Concreet bedoel ik daarmee dat bijvoorbeeld de Voedingsnota aandacht had kunnen besteden aan de eiwitconsumptie, de huidige verdeling tussen plantaardige en dierlijke eiwitten en de wijze waarop een meer plantaardiger voedselpakket gestimuleerd zou kunnen worden. Vanuit het oogpunt van gezondheid én vanuit het oogpunt van het streven naar een duurzame samenleving. Juist op dit terrein versterkt de ene boodschap de andere. Ik was daarom erg teleurgesteld deze integrale benadering te moeten ontberen bij het lezen van de Voedingsnota. Ik zou de minister willen vragen of hij alsnog bereid is om de eiwitproblematiek op te pakken? Ik zou bijvoorbeeld graag inzicht willen hebben in de huidige (over) consumptie van eiwitten, de verdeling tussen plantaardig en dierlijke eiwitten en de trends die zijn waar te nemen. Worden de richtlijnen van de Gezondheidsraad ten aanzien van gezonde voeding niet overschreden als het gaat om de huidige consumptie van dierlijke eiwitten? Worden er teveel eiwitten gegeten en hoe is de verdeling over de bevolkingsgroepen? Hoeveel vegetariërs en veganisten zijn er eigenlijk in Nederland en hoeveel vleesverlaters? Hoeveel mensen eten nu al een of meerdere dagen geen vlees? Ik weet niet of deze informatie al beschikbaar is, maar anders zou een nulmeting zeer op zijn plaats zijn.
Niet alleen vanuit het oogpunt van gezondheid en de stappen die worden ondernomen om de levensstijl aan te passen; maar ook in relatie tot het werk wat nu op andere departementen al wordt verricht (Cramer met Klimaatdoelstellingen en Verburg met Nota Voedsel en Consument). We moeten toch weten waar we staan? Ik ben benieuwd naar een toezegging…