Bijdrage Thieme Wetge­vings­overleg jaar­ver­slagen Infra­structuur & Milieu 2010


22 juni 2011

Mevrouw Thieme (PvdD): Voorzitter. Dank aan mijn collega’s dat ik als eerste mag spreken. Ik ben heel erg druk met de voorbereiding van de behandeling vanavond van mijn initiatiefvoorstel. Bovendien moet ik vandaag ook nog eens op twee plekken tegelijk zijn. Vandaar dat ik mij in dit wetgevingsoverleg beperk tot één onderwerp: de muskusrattenbestrijding. Voorzitter. De muskusrattenproblematiek is het afgelopen jaar meerdere keren langsgekomen. De Kamer heeft naar aanleiding daarvan drie moties aangenomen. Vandaag wil ik aandacht vragen voor de uitvoering van deze moties. Jaarlijks worden er letterlijk miljoenen euro's in het water gegooid om 120.000 muskusratten op een gruwelijke manier te doden, zonder dat het effect daarvan is aangetoond. Volgens het handboek voor muskusrattenvangers, een boek dat ik recentelijk mocht inzien, is er nog nooit schade aan een zeedijk toegebracht door muskusratten. Ik hoop dat de staatssecretaris bereid is om dit handboek naar de Kamer te sturen, zodat wij deze wijze woorden allemaal kunnen lezen. Nut en noodzaak van bestrijding zijn absoluut niet bewezen en de gedachte dat bestrijding tot lagere aantallen dieren en tot minder schade leidt, is tot op heden niet aangetoond.

In de Eerste Kamer heeft de staatssecretaris gesteld dat bestrijden noodzakelijk is. Hij haalde daarbij een rapport van het Landbouw Economisch Instituut aan. Daaruit zou blijken dat juist de infrastructuur de grootste schade ondervindt. In dat bewuste rapport staat echter: "Van aantasting van de infrastructuur is slechts in beperkte mate sprake." In datzelfde debat heeft de staatssecretaris het rapport Populatie, ontwikkeling en veiligheid aangehaald. Uit dat rapport zou blijken: hoe meer muskusratten, hoe meer schade. Maar dat zegt het rapport helemaal niet! Op pagina 18 wordt namelijk uitgelegd dat om deze relatie te kunnen leggen er gekeken wordt naar het aantal vangsten. Nog opmerkelijker is wat er op pagina 20 staat: "Geconcludeerd wordt dat er geen eenduidige relatie tussen het aantal vangsten en de afname van de veiligheid van een waterkering kan worden aangetoond op basis van de beschikbare gegevens." Op bladzijde 22 staat dat een relatie tussen het aantal gevangen dieren en het aantal graverijen niet kan worden aangetoond. Met andere woorden: de noodzaak van bestrijding is tot op heden niet aangetoond. Desondanks kost dit ineffectieve beleid jaarlijks 34 mln. En dat in een tijd waarin er bezuinigd moet worden en dierenwelzijn steeds meer positieve aandacht krijgt! Als wij dan toch moeten bezuinigen, laten wij dan vooral bezuinigen op deze dieronvriendelijke activiteiten waarvan nut en noodzaak niet bewezen zijn. Juist omdat uit alle onafhankelijke onderzoeken blijkt dat er geen relatie kan worden aangetoond tussen de omvang van de populatie en de invloed daarvan op schade-effecten, is de veldproef, waar wij in een motie om hebben gevraagd, van groot belang. In de beantwoording op de vragen over de moties en de toezeggingen lees ik echter dat de staatssecretaris niet voornemens is om een rol te vervullen bij het onderzoek dat op dit moment in voorbereiding is.

In het debat in de Eerste Kamer heeft de staatssecretaris toegezegd dat de veldproef er komt en dat wij er alleen nog niet met alle betrokkenen uit zijn hoe en waar die zal plaatsvinden. Kan de staatssecretaris hierover duidelijkheid verschaffen? Gaat hij het nu wel of niet doen? Zo ja, welke rol heeft het ministerie hier dan bij en, zo nee, waarom doet hij deze proef dan toch niet? Er is in dit huis een motie aangenomen waarin om deze veldproef wordt gevraagd en mijn fractie spoort de staatssecretaris aan om deze motie uit te voeren en de Kamer op de hoogte te houden van de voortgang bij deze veldproef. Tot slot de uitvoering van de motie over het verbod op verdrinkingsvallen. Deze vallen zijn niet alleen aselectief -- ook beschermde dieren lijden en sterven door dit grove middel -- maar ook uitermate wreed. Het dier verdrinkt pas na vier minuten of sterft door uitputting en onderkoeling als de val niet geheel onder water staat. Daarnaast wordt er voor elke zes muskusratten een ander dier gedood, waaronder bedreigde dieren als de paling, de grote modderkruiper, de otter en de hermelijn. Het gebruik van deze vallen moet daarom zo snel mogelijk stoppen en het gebruik ervan kan in elk geval niet worden gecontinueerd alsof er niets aan de hand is. Ik wijs de staatssecretaris op het rapport "Muskusrat, op alternatieve wijze schade voorkomen" van drie dierenbeschermingsorganisaties. De reactie daarop van de staatssecretaris is zeer teleurstellend. Dat is jammer, want in dit rapport staan heel veel suggesties voor preventieve maatregelen tegen de graverij van muskusratten.

Voorzitter. Het op wrede wijze doden van muskusratten kan dus niet worden gerechtvaardigd. Ik verzoek de staatssecretaris dan ook om de preventieve maatregelen uit het rapport van de dierenbeschermingsorganisaties mee te nemen en alsnog de motie over het verbod op verdrinkingsvallen uit te voeren.

Staatssecretaris Atsma: Mevrouw Thieme heeft een serie vragen gesteld over de muskusrattenbestrijding. Laat één ding helder zijn: wij kunnen niet zonder muskusrattenbestrijding. Wij gaan daarmee dan ook niet stoppen. Er is inderdaad discussie over de dodingsmethode, de vangstmethode, de vangkooien en "de duur van het proces". Die discussie wordt niet alleen hier, maar vooral in Europees verband gevoerd. Al in 2004 werd er in het Europees Parlement over gesproken. De richtlijn die aangepast moet worden, is nog steeds niet uitgekristalliseerd. Wij verwachten dat die de komende jaren onze richting op zal komen. Dat laat onverlet dat de suggestie van mevrouw Thieme en anderen om te kijken naar alternatieve dodingmethoden, door mij serieus wordt genomen. Wij studeren er wel degelijk op. De veldproef, waarover mevrouw Thieme een vraag stelde, gaat wat mij betreft dan ook door. Daarover bestaat geen enkele discussie.

Mevrouw Thieme stelt dat er nog nooit schade aan zeedijken is geconstateerd. In algemene zin heb ik gewezen op het enige rapport dat ik hierover beschikbaar had. Het gaat om een LEI-rapportage van enkele jaren geleden waarin een beeld wordt geschetst van de economische schade. Economische schade is meer dan schade aan dijken. Gelukkig hebben wij niet of nauwelijks te maken met schade aan zeedijken, maar daarentegen helaas wel met schade aan veendijken en schade aan infrastructurele werken als spoordijken, kades en oevers.
Er is dus wel degelijk sprake van schade en ik ben dan ook blij dat het aantal gevangen muskusratten de afgelopen vijf jaar is gehalveerd. Ik hoop dat het ook mevrouw Thieme enigszins geruststelt. Het duidt er namelijk op dat het probleem steeds beheersbaarder wordt en daar gaat het ons natuurlijk om. In een aantal regio's zitten wij nog niet op de norm. Dat geldt met name Noordoost Friesland. In andere regio's gaat het gelukkig goed.